Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9707

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
200.008.340-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ5517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BP1034. Postwhiplashsyndroom? Deskundigenonderzoek. Vraagstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. J.I. van der Winden te Muiderberg,

t e g e n

de naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

1. Het (verdere) geding in hoger beroep

1.1 Appellant wordt opnieuw [appellant] genoemd en geïntimeerde London.

1.2 Het hof heeft in de zaak tussen [appellant] en London op 11 januari 2011 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die dag verwijst het hof naar dat arrest.

1.3 [appellant] heeft een akte genomen en daarbij aanvullende producties in het geding gebracht.

1.4 London heeft bij antwoordakte gereageerd.

1.5 Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2. (Verdere) behandeling van het hoger beroep

2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 11 januari 2011 heeft overwogen en beslist.

Uitgangspunten blijven dus

- dat [appellant] vóór het ongeluk van 2 mei 2003 geen gezondheidsklachten had waarop bij de beantwoording van de vraag of hij thans lijdt aan een postwhiplashsyndroom acht zou moeten worden geslagen,

- dat [appellant] kort na 2 mei 2003 serieuze gezondheidsklachten heeft ontwikkeld die kunnen wijzen op een postwhiplash-syndroom,

- dat moet worden onderzocht of toereikende grond bestaat om voor de gezondheidsklachten van [appellant] geheel of gedeeltelijk een andere oorzaak aan te wijzen dan een door het ongeval van 2 mei 2003 veroorzaakt postwhiplashsyndroom,

- dat die vraag het best kan worden onderzocht door een deskundige, een psychiater, in te schakelen, en

- dat [appellant] zich bereid heeft verklaard om mee te werken aan onderzoek door een psychiater.

2.2 London heeft betoogd dat in hetgeen bij het UWV over [appellant] bekend is aanwijzing kan worden gevonden voor een andere/eerdere oorzaak van zijn gezondheidsklachten dan een door het ongeval van 2 mei 2003 veroorzaakt postwhiplash-syndroom en meer in het bijzonder dat niet duidelijk is, vanaf wanneer [appellant] een WW-uitkering heeft genoten. Omdat het hof wilde voorkomen dat het te houden deskundigenonderzoek zou worden belast door onduidelijkheid in de WW-kwestie, heeft het van [appellant] gevraagd voor opheldering te zorgen. [appellant] heeft thans een van het UWV afkomstig stuk in het geding gebracht waarin staat dat [appellant] een WW-uitkering heeft gehad over de periode van 1 april 2003 tot en met 7 december 2003 en dat zijn WW-uitkering is geëindigd wegens ziekte. Verder heeft hij ter staving van zijn standpunt in het geding gebracht het verzoekschrift dat zijn voormalige werkgever op 20 januari 2003 heeft ingediend bij de kantonrechter teneinde de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [appellant] te bewerkstelligen en de brief van de werkgever van [appellant] d.d. 9 januari 2003 die daaraan voorafging.

London heeft daarop te kennen gegeven dat het aanvullend bewijsmateriaal haar niet heeft overtuigd en dat zij ermee rekening blijft houden dat [appellant] vóór 1 april 2003 een uitkering ontving, uit hoofde van de Werkloosheidswet of anderszins.

2.3 Naar het oordeel van het hof dient het betoog van London thans te worden verworpen. [appellant] heeft zijn standpunt dat hij vanaf 1 april 2003 een WW-uitkering heeft gehad met bewijsstukken gestaafd. De inhoud van de stukken die hij bij de laatste akte in het geding heeft gebracht, is in overeenstemming met hetgeen eerder uit het beschikbare bewijsmateriaal kon worden afgeleid. Hetgeen London daartegen heeft aangevoerd is te speculatief om verder onderzoek te verdienen, ook zonder kennisneming van de ontbindings-beschikking.

Het hof aanvaardt dus dat [appellant] vanaf 1 april 2003 een WW-uitkering heeft gehad alsmede dat bij het UWV verder geen gegevens beschikbaar zijn die het standpunt van London kunnen ondersteunen.

2.4 Het hof heeft de psychiater dr. [K.] bereid gevonden het voorgenomen deskundigenonderzoek uit te voeren. Partijen hebben ingestemd met het hierna te noemen door de deskundige verlangde voorschot.

Het hof zal het voorschot op de voet van het bepaalde in artikel 195 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering voorlopig ten laste van de griffier brengen, aangezien [appellant] een toevoeging is verleend.

Dat betekent dat de deskundige met zijn onderzoek zal kunnen beginnen, zodra hij over de benodigde processtukken beschikt.

2.5 Het hof dient in deze zaak uiteindelijk de vraag te beantwoorden of de klachten en afwijkingen waarmee [appellant] na 2 mei 2003 te maken kreeg het gevolg zijn van een door het ongeval van 2 mei 2003 veroorzaakt postwhiplashsyndroom.

Dat betekent, kortweg, dat het hof de vraag onder ogen heeft te zien of mogelijke alternatieve oorzaken kunnen worden uitgesloten. Het hof heeft de expertise van de deskundige in het bijzonder nodig om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of de klachten en afwijkingen zijn voortgekomen uit een al dan niet latente psychische stoornis.

2.6 Dat brengt het hof in deze zaak tot de volgende vraagstelling:

a. zijn de klachten en afwijkingen waarmee [appellant] na 2 mei 2003 te maken kreeg en die door het hof zijn vastgesteld in zijn tussenarrest van 21 september 2010, ontstaan door een psychische stoornis?

b. zijn deze klachten en afwijkingen naar uw deskundig oordeel op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment hadden kunnen ontstaan, als het ongeval van 2 mei 2003 [appellant] niet zou zijn overkomen? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom?

c. kunt u in een geval van een bevestigend antwoord van

de vraag onder b. een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen hadden kunnen ontstaan?

d. wilt u uw visie toelichten en deze zoveel mogelijk documenteren, in elk geval waar het mogelijk controversiële elementen van uw oordeelsvorming betreft?

2.7 Bij deze vraagstelling gaat het hof ervan uit dat de deskundige niet zal kunnen adviseren dan nadat hij een toereikende anamnese heeft afgenomen en zich een beeld heeft gevormd van de actuele medische situatie van [appellant].

Het hof laat dat verder aan de deskundige over.

2.8 In dit stadium van het geding zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.

3. Beslissing

Het hof:

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de onder 2.6 geformuleerde vragen;

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

dr. [K.],

[adres],

[plaats]

tel. [nummer] (ma-do van 09.00-10.00 uur)

e-mail: [adres];

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest en van de drie daaraan voorafgaande tussenarresten aan de deskundige zal toezenden;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] de overige processtukken aan de deskundige zal doen toekomen;

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig

– dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zal verrichten en dat dit zal plaatsvinden op een door de deskundige te bepalen tijd en plaats;

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek partijen in de gelegenheid zal stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat de deskundige in het schriftelijk bericht zal doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen of gedane verzoeken;

bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt groot

€ 4.000,- (inclusief BTW) en dat dit voorschot voorlopig ten laste van de griffier van dit hof komt;

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór

1 oktober 2011, onder indiening van zijn declaratie onder vermelding van zaaknummer 200.008.340/01;

verwijst de zaak naar de rol van 11 oktober 2011 voor deskundigenbericht;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep,

J.C.W. Rang en D.J. Oranje en uitgesproken ter openbare

terechtzitting van 24 mei 2011 door de rolraadsheer.