Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9404

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
23-006484-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BM2045, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Socrates (invoer van cocaine c.q. voorbereidingshandelingen door op luchthaven Schiphol werkzame medewerkers). Overwegingen ten aanzien van het bewijs van op cocaine betrekkelijke gedragingen en ten aanzien van bewijs witwassen. Motivering beslissing ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen. Uitvoerige overwegingen ten aanzien van de opgelegde straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-006484-09

datum uitspraak: 24 juni 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 december 2009 in de strafzaak onder parketnummer 15-840142-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1979],

adres: [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 23 november 2009 en 2 december 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 7, 9 en 10 juni 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1.

(zaaksdossier B1, B3, B5, B8, B10)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008, te weten op;

- 01 augustus 2008 (zaaksdossier B1) en/of

- 28 september 2008 (zaaksdossier B3) en/of

- 25 oktober 2008 (zaaksdossier B5) en/of

- 17 november 2008 (zaaksdossier B8) en/of

- 30 november 2008 (zaaksdossier B10),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, (telkens) al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

en/of

(voorbereidingshandelingen zaaksdossier B1, B3, B5, B8, B10)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008 te weten op de dag(en);

- 1 augustus 2008 (zaaksdossier B1) en/of

- 26 september 2008 t/m 28 september 2008 (zaaksdossier B3) en/of

- 21 oktober 2008 t/m 25 oktober 2008 (zaaksdossier B5) en/of

- 05 november 2008 t/m 17 november 2008 (zaaksdossier B8) en/of

- 02 november 2008 t/m 30 november 2008 (zaaksdossier B10),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebeid van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens):

- (meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt en/of onderhouden en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd (op de luchthaven Schiphol en/of in Amsterdam en/of elders in NL) om afspraken te maken en/of informatie door te geven en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een (of meer) zending(en) of transport(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van (informatie over/betreffende) een (of meer) koffer(s) inhoudende verdovende middelen en/of

- (meermalen) een (of meer) koffer(s) inhoudende verdovende middelen gezocht en/of laten zoeken en/of

- (meermalen) (telefonisch) dienstrooster(s) en/of werktijden doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) informatie (betreffende vluchten en/of passagiers en/of bagage) opgezocht en/of laten (op)zoeken in een geautomatiseerd systeem en/of

- (meermalen) geld ontvangen en/of gegeven;

Feit 2.

(zaaksdossier B9)

hij in of omstreeks de periode van 26 november 2008 tot en met 29 november 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland en/of Peru, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 15.000 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, handelingen heeft/hebben verricht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- een vlucht geboekt van Peru naar Nederland voor [naam koerier] en/of

- [naam koerier] in bezit gesteld van (15000 gram) cocaïne en/of

- bagage inhoudende (15000 gram) cocaïne ingecheckt voor een vlucht van Peru naar Nederland) en/of

- (meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd (op de luchthaven Schiphol en/of in Amsterdam en/of elders in NL) om afspraken te maken en/of informatie door te geven en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een (of meer) zending(en) of transport(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van (informatie over/betreffende) een (of meer) koffer(s) inhoudende verdovende middelen en/of

- (meermalen0 informatie (betreffende vluchten en/of passagiers en/of bagage) opgezocht en/of laten (op)zoeken in een geautomatiseerd systeem;

Feit 3.

(zaakdossier B13)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009, te weten op de dag(en);

- 17 september 2008 tot en met 18 september 2008 (incident 1) en/of

- 22 september 2008 (incident 2) en/of

- 9 oktober 2008 tot en met 18 oktober 2008 (incident 3) en/of

- 5 november 2008 tot en met 10 november 2008 (incident 5) en/of

- 8 november 2008 tot en met 15 november 2008 (incident 6) en/of

- 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 (incident 8),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, buiten en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens):

- (meermalen) met elkaar en/of met (een) (contactpersoon van) opdrachtgever(s) (telefonisch) contact gelegd en/of onderhouden en/of

- (meermalen) afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en/of

- (meermalen) ontmoetingen gehad en/of gearrangeerd (op de luchthaven Schiphol en/of in Amsterdam en/of elders in NL) om afspraken te maken en/of informatie door te geven en/of

- (meermalen) (telefonisch) informatie verstrekt en/of instructie(s) gegeven en/of informatie en/of instructie(s) ontvangen ten behoeve van (invoer van) een (of meer) zending(en) of transport(en) verdovende middelen en/of

- (meermalen) vlucht- en/of bagage- en/of reizigersgegevens doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) zich beschikbaar gehouden voor het ophalen en/of vervoeren en/of opzoeken van (informatie over/betreffende) een (of meer) koffer(s) inhoudende verdovende middelen en/of

- (meermalen) een (of meer) koffer(s) inhoudende verdovende middelen gezocht en/of laten zoeken en/of

- (meermalen) (telefonisch) dienstrooster(s) en/of werktijden doorgegeven en/of ontvangen en/of

- (meermalen) informatie (betreffende vluchten en/of passagiers en/of bagage) opgezocht en/of laten (op)zoeken in een geautomatiseerd systeem en/of

- (meermalen) een (of meer) (gebruikte en/of gekopieerde) bagagelabel(s) voorhanden gehad en/of verstrekt en/of ontvangen;

Feit 4.

(zaaksdossier B14)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe hij, verdachte en/of zijn mededader(s) en/of andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a eerste lid, te weten

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I en/of

- het (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne van (telkens) een hoeveelheid cocaïne, (telkens) zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

* een of meer anderen getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of

* voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of anderen betaalmiddelen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstig redenen had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);

Feit 5.

(zaaksdossier B22)

hij op of omstreeks 13 januari 2009, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten

- een geldbedrag (van 94.355,- Euro) en/of

- een of meer horloge(s) (van de merken Cartier en/of Jaeger-LeCoultre en/of Rolex) en/of

- een auto (BMW 5er REIHE 520, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kentekennummer]),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, onder meer omdat het hof tot enkele andere overwegingen en beslissingen komt met betrekking tot het bewijs.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat hetgeen aan de verdachte onder 3 met betrekking tot incident 5 is ten laste gelegd dient te worden bewezen verklaard.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hoewel de inhoud van de zich in het betreffende zaaksdossier bevindende weergaven van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken vragen oproept, dit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs oplevert voor voorbereidingshandelingen gericht op de invoer van cocaïne in de periode van 5 tot en met 10 november 2008, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de onder 1 alternatief/cumulatief ten laste gelegde invoer van cocaïne op 17 november 2008, zoals gerelateerd in zaaksdossier B8. Nu het wettig en overtuigend bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging ontbreekt zal het hof de advocaat-generaal volgen in deze vordering en de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.

Bewijsoverweging ten aanzien van cocaïne

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen hem op basis van de zaakdossiers B8 (voor wat betreft voorbereidingshandelingen) en B13 is ten laste gelegd omdat daarbij geen verdovende middelen zijn aangetroffen. Volgens de raadsvrouw is de enkele speculatie dat het om cocaïne zou kunnen gaan niet voldoende om tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten te komen. In de wereld van drugstransporten komt in de praktijk regelmatig voor dat men elkaar oplicht en gebruikmaakt van pakketten die niet zijn gevuld met drugs, aldus de raadsvrouw.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw en overweegt hierover het volgende.

Het hof overweegt dat in het onder de naam Socrates gehouden onderzoek is komen vast te staan dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen activiteiten heeft ontplooid die gericht waren op de invoer van cocaïne vanuit Zuid-Amerika. In een aantal gevallen zijn hoeveelheden cocaïne in beslag genomen, in andere zaakdossiers is geen inbeslagneming gevolgd.

Gelet op de inhoud van het dossier, waaronder met name de verslagen van afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken waarin versluierend werd gesproken en de bekennende verklaringen zoals deze door de verdachte en door getuigen zijn afgelegd, stelt het hof vast dat de bewezen verklaarde handelingen van de verdachte steeds betrekking hadden op de invoer van cocaïne. Ook de beloningen die zijn ontvangen wijzen er op dat het werkelijk om cocaïne ging. De door de verdediging geopperde mogelijkheid dat het om andere middelen dan cocaïne zou kunnen zijn gegaan is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden nu noch bij de verdachte, noch bij zijn medeverdachten placebo’s of andere ‘schijndrugs’ zijn aangetroffen. De verklaringen van de verdachte bieden evenmin aanknopingspunten om met de mogelijkheid van door de raadsvrouw gesuggereerde scenario’s rekening te houden. Naar het oordeel van het hof ontbreekt derhalve elk redelijk aanknopingspunt dat het in de door de raadsvrouw gestelde zaaksdossiers bij de oriëntatie van de verdachte en zijn mededaders om iets anders zou gaan dan om cocaïne. Het enkele gegeven dat de in zaaksdossier B8 betrokken koerier, [naam koerier 2], verklaart dat zij geen plan had tot vervoeren van drugs, staat evenmin aan een bewezenverklaring van de door verdachte en anderen gepleegde voorbereidingshandelingen daartoe in de weg.

Bewijsoverweging ten aanzien van witwassen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte partieel behoort te worden vrijgesproken van het hem onder 5 ten laste gelegde. De verdachte heeft afdoende verklaard over de herkomst van een deel van de bij hem thuis aangetroffen geldbedragen, van de horloges en van zijn auto. Van de aangetroffen geldbedragen is € 30.000,- verdiend aan de invoer van cocaïne. Overigens is een andere, niet criminele, herkomst aangetoond. Het Cartier Roadster horloge heeft de verdachte zelf gekocht en zijn auto heeft hij deels cadeau gekregen van zijn stiefvader. De raadsvrouw heeft in dit verband verwezen naar de onder de noemer Air Holland bekend geworden jurisprudentie en aangevoerd dat de mogelijkheid van een andere dan (on)middellijke misdadige herkomst voldoende aannemelijk is gemaakt.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Het hof stelt vast dat in het kader van het onderzoek Socrates vast is komen te staan dat de verdachte meer Opiumwetdelicten heeft gepleegd, waarbij in de in de zaakdossiers B5 en B10 beschreven gevallen (groot)handelshoeveelheden cocaïne in beslag zijn genomen. Deze hoeveelheden hadden bij elkaar een straatwaarde van ongeveer € 600.000. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat de cocaïnetransporten in de zaaksdossiers B1 en B3 waren geslaagd en dat hij daarvoor geld heeft ontvangen.

Op 13 januari 2009 zijn in de woning van de verdachte een aantal kostbare horloges en contante geldbedragen aangetroffen die, samengesteld uit verschillende coupures en verdeeld over twee slaapkamers, in totaal € 94.355 bedroegen. Daarnaast is onder de verdachte een personenauto, merk BMW, type 520, in beslag genomen. Gelet op hetgeen bekend is geworden over de inkomens- en vermogenspositie van de verdachte in de periode 2007 en 2008, rechtvaardigt het voorgaande in beginsel de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat genoemde voorwerpen middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn, tenzij blijkt van aanknopingspunten voor een ander oordeel.

Het hof zal de verdachte vrijspreken van de hem met betrekking tot de horloges verweten gedragingen, met uitzondering van de zogenoemde Cartier Roadster. Alleen laatstgenoemd horloge is aangeschaft in de periode waarin de bewezen verklaarde cocaïnetransporten hebben plaatsgevonden. In de overige gevallen is de aanschaf van eerdere datum. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat de mogelijkheid dat de betreffende horloges niet van misdrijf afkomstig zijn niet zodanig onwaarschijnlijk is dat daaraan op die grond moet worden voorbijgegaan.

Het hof is ten aanzien van de aangetroffen geldbedragen van oordeel dat de verdachte in totaal € 46.000 heeft witgewassen. Daarin heeft het hof het bedrag van € 16.000 begrepen, hetgeen in één van de slaapkamers was aangetroffen, en het bedrag van € 30.000, waarvan de verdachte heeft verklaard dat hij dat met de invoer van cocaïne heeft verdiend. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het bedrag van € 16.000 toebehoorde aan de schoonzus van de verdachte ([naam schoonzus]), nu zij op 26 juni 2009

- ruim vijf maanden na de inbeslagneming en nadat zij in een beklagprocedure bij de rechtbank reeds anders had verklaard over de herkomst van het geldbedrag - tegenover de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard dat zij gezien heeft hoeveel geld er in beslag is genomen, dat dit geld van verdachte en zijn partner was en dat daar geen geld van haar bij zat. Met betrekking tot het resterende geldbedrag van in totaal € 48.335 overweegt het hof dat, gelet op de verklaringen van daaromtrent gehoorde getuigen en de door de verdediging in het geding gebrachte stukken, de mogelijkheid van een andere dan een misdadige afkomst daarvan niet kan worden uitgesloten.

Het hof acht voorts bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging opgenomen personenauto (BMW) heeft witgewassen. Voor de juistheid van de gang van zaken met betrekking tot de aanschaf van de auto, zoals weergegeven door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, is naar het oordeel van het hof onvoldoende verankering gevonden in de door de getuigen afgelegde verklaringen.

Het hof verwerpt aldus en in zoverre de verweren van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

hij in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008, te weten op;

- 1 augustus 2008 (zaaksdossier B1) en

- 28 september 2008 (zaaksdossier B3) en

- 25 oktober 2008 (zaaksdossier B5) en

- 30 november 2008 (zaaksdossier B10),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

en

hij op tijdstippen in de periode 1 augustus 2008 tot en met 30 november 2008 te weten op

- 1 augustus 2008 (zaaksdossier B1) en

- 26 september 2008 t/m 28 september 2008 (zaaksdossier B3) en

- 21 oktober 2008 t/m 25 oktober 2008 (zaaksdossier B5) en

- 5 november 2008 t/m 17 november 2008 (zaaksdossier B8) en

- 2 november 2008 t/m 30 november 2008 (zaaksdossier B10),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met anderen,

(telkens) om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen:

- meermalen met elkaar telefonisch contact gelegd en onderhouden en

- afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- informatie verstrekt en instructies gegeven en instructies ontvangen ten behoeve van invoer van een transport verdovende middelen en

- een of meer koffer(s) inhoudende verdovende middelen gezocht en/of laten zoeken en

- geld ontvangen en/of gegeven;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij in de periode van 26 november 2008 tot en met 29 november 2008, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Nederland en/of Peru, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen ongeveer 15.000 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, handelingen heeft/hebben verricht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, immers heeft hij, verdachte, en/of hebben zijn mededader(s):

- bagage inhoudende (15.000 gram) cocaïne ingecheckt voor een vlucht van Peru naar Nederland en

- met elkaar telefonisch contact gelegd en onderhouden en

- informatie verstrekt en/of ontvangen ten behoeve van invoer van verdovende middelen en

- informatie betreffende vluchten en/of passagiers en/of bagage opgezocht en/of laten opzoeken in een geautomatiseerd systeem;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

hij in de periode 1 juni 2008 tot en met 21 januari 2009, te weten op:

- 17 september 2008 tot en met 18 september 2008 (incident 1) en

- 22 september 2008 (incident 2) en

- 9 oktober 2008 tot en met 18 oktober 2008 (incident 3) en

- 8 november 2008 tot en met 15 november 2008 (incident 6) en

- 1 juni 2008 tot en met 21 januari 2009 (incident 8),

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of in Nederland, meermalen, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of anderen inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en)

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met een ander of anderen:

- meermalen met elkaar telefonisch contact gelegd en onderhouden en

- afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten en

- informatie verstrekt ten behoeve van invoer van een transport verdovende middelen en

- bagagegegevens doorgegeven en/of ontvangen en

- informatie betreffende bagage opgezocht en/of laten opzoeken in een systeem en

- gebruikte bagagelabels voorhanden gehad en/of verstrekt en/of ontvangen;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

hij in de periode van 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie werd gevormd door een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, waartoe verdachte en zijn mededaders en andere personen behoorden, welke organisatie het oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en/of 10a, eerste lid, van de Opiumwet, te weten

- het telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I en

- het telkens tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne van telkens een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

* zich en/of anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en

* een of meer anderen heeft getracht te bewegen om die feiten mede te plegen en/of daartoe inlichtingen te verschaffen en

* voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde:

hij op 13 januari 2009 in Nederland voorwerpen, te weten

- een geldbedrag van 46.000,- Euro en

- een horloge van het merk Cartier en

- een auto BMW 5er REIHE 520, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kentekennummer],

voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en/of voorwerpen voorhanden te hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijven als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte is gedurende een periode van ongeveer vier maanden nauw betrokken geweest bij de invoer van groothandelshoeveelheden cocaïne vanuit Zuid-Amerika naar Nederland. Verschillende transporten zijn geslaagd, eenmaal is het bij een poging gebleven en gedurende een periode van vier maanden heeft de verdachte voorts handelingen verricht ter voorbereiding, dan wel bevordering van de invoer van cocaïne.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw aandacht gevraagd voor enkele vraagpunten die verband houden met de strafbaarstelling van handelingen met verdovende middelen in het algemeen en met de strafwaardigheid van hetgeen de verdachte wordt verweten in het bijzonder. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de motivering van de op te leggen straf in de onderhavige zaak en in de gelijktijdig onder de noemer Socrates behandelde strafzaken bijzondere aandacht behoeft. In het oog springt immers dat (zeer) langdurige gevangenisstraffen zijn gevorderd - en deels ook door de rechtbank zijn opgelegd - aan personen die veelal nog niet eerder met justitie in aanraking zijn geweest en wier feitelijke handelingen op het eerste gezicht, zowel op zichzelf als in vergelijking met andersoortige misdrijven - zoals ernstige geweldsmisdrijven of levensdelicten - beschouwd wellicht door velen niet als zeer “crimineel” zullen worden aangemerkt. Voor de verhouding met straffen die door de strafrechter plegen te worden opgelegd aan daders van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven, heeft de raadsvrouw in dat licht bezien begrijpelijk aandacht gevraagd.

Vooropgesteld dient te worden dat het motief voor de strafbaarstelling van invoer van verdovende middelen in aanzienlijke mate is gelegen in het maatschappelijk belang van bescherming van de volksgezondheid. Het gebruik van in het bijzonder harddrugs is schadelijk voor de gezondheid en kan bijdragen aan het ontstaan van ernstige ontregeling van het maatschappelijk en mentaal functioneren van personen.

Voorts leert de ervaring dat het uit winstbejag participeren in de keten van invoer tot gebruiker van die middelen dikwijls gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, van relatief lichte verwervingscriminaliteit tot zware criminaliteit, in de regel verbonden aan het niveau van organisatie en (groot)handel. Tot die zware criminaliteit rekent het hof niet alleen (ernstige) geweldsmisdrijven, maar ook misdrijven die een bedreiging inhouden voor de integriteit van het financiële en economische verkeer.

De hoge wettelijke strafmaxima verbonden aan de opzettelijke invoer van harddrugs vormen derhalve een uitvloeisel van het streven van de wetgever de Nederlandse samenleving te vrijwaren van deze stoffen en ter voorkoming van het ontstaan van een grootschalige binnenlandse markt. In dit licht kan tevens worden begrepen dat ook handelingen gericht op voorbereiding of bevordering van invoer van harddrugs met aanzienlijke straffen worden bedreigd.

Het gevoerde vervolgings- en strafvorderingsbeleid brengt onder meer tot uitdrukking dat het Openbaar Ministerie het aldus begrepen wettelijk kader heeft verstaan als een opdracht om bij strafbaar handelen in verband met import van cocaïne in beginsel tot de oplegging van langdurige gevangenisstraffen te rekwireren.

Het hof betrekt bij de bepaling van de strafmaat, mede in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd, voorts de volgende aspecten.

Naast het hiervoor besproken kernverwijt, dat voortvloeit uit het, al dan niet gerealiseerde, toebrengen van schade aan de gezondheid van personen, spelen de hiervoor bedoelde maatschappelijk bezwarende en ontwrichtende aspecten die zijn verbonden aan het handelen van de verdachte een rol.

Immers, aangenomen mag worden dat het verrichten van werkzaamheden gericht op invoer van harddrugs voor de daarbij betrokkenen, waaronder de verdachte, een hoge beloning oplevert. De hoogte van deze beloning wordt voor een groot deel bepaald door de risico’s die met het werk zijn verbonden. Eén van deze risico’s, wellicht de belangrijkste, is dat van een strafrechtelijke vervolging en van een, naar Nederlandse maatstaven gemeten, doorgaans zware bestraffing. Het perspectief van de hoge beloning en de praktijk van zware strafrechtelijke sanctionering vormen aldus bezien elkaars spiegelbeeld.

In de werkomgeving van de verdachte was de verleiding om zich in te laten met invoer van cocaïne groot. De luchthaven Schiphol biedt - zoals alle lucht- en zeehavens - een voor de hand liggende en noodzakelijke schakel en biedt daartoe onvermijdelijk ook de mogelijkheden voor de smokkel van verdovende middelen. Schipholmedewerkers verkeren in de positie dat zij met die mogelijkheden kunnen kennis maken en op hen rust de verplichting om de verlokkingen die ermee zijn verbonden te weerstaan.

De verdachte heeft, naar moet worden aangenomen uit louter winstbejag, die weerstand niet geboden. Dat dit een negatieve bijdrage oplevert danwel kan opleveren voor de volksgezondheid is reeds overwogen. Maar bovendien heeft de verdachte er hiermee voor gekozen om veel geld te verdienen aan zijn verboden gedragingen. Deze gedragingen hebben in het geval van de verdachte een grote schaal en omvang gekregen.

De verdachte heeft in dit verband een rol aangenomen die inhield dat hij veelvuldig contact onderhield met mededaders, cruciale informatie ontving en doorspeelde en feitelijke handelingen heeft verricht om de koffers met cocaïne te onderscheppen en verder te vervoeren dan wel voor verder vervoer klaar te zetten. Het hof kan meegaan in de door de verdediging verwoorde opvatting dat niet is komen vast te staan dat de verdachte een leidinggevende persoon was. Dat de verdachte een dergelijke rol heeft gespeeld, is onvoldoende uit het dossier gebleken. Niettemin komt het hof wel tot de slotsom dat de verdachte een zeer actieve betrokkenheid heeft gehad. Anders dan de advocaat-generaal typeert het hof het samenstel van gedragingen van de verdachte niet als een “onmisbare schakel” omdat ervan mag worden uitgegaan dat in de gehele keten werkzaamheden worden verricht die elk een wezenlijke bijdrage leveren en dit begrip daardoor zijn exclusieve betekenis verliest. En voor zover de advocaat-generaal heeft beoogd te betogen dat de verdachte als persoon onmisbaar was in het complex van voor (verlengde) invoer nodige handelingen wordt met deze opvatting onvoldoende recht gedaan aan de dynamiek van organisaties en samenwerkingsverbanden die zich bezig houden met de invoer van en sluikhandel in verdovende middelen.

De activiteiten van de verdachte dienen evenwel zonder meer te worden gekenschetst als aanzienlijke bijdragen aan het invoertraject. Het hof heeft daarbij met name het oog op het meer sturende karakter van die bijdragen. Naast de verrichte fysieke handelingen heeft de verdachte informatie en instructies verworven of zelfs actief gevraagd en gezocht en daarmee diverse personen in de met het oog op invoer bestaande keten geïnformeerd. Dit heeft tot resultaat gehad dat de verdachte en enkele mededaders een netwerk vormden waarin men op dagelijkse basis met elkaar in contact stond en voorbereidingen trof voor op handen zijnde transporten. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de informatiestroom van vitaal belang was voor de slagingskans van de voorgenomen transporten.

Met deze invulling van zijn rol heeft de verdachte zijn reguliere werkverband en de hem in dat bestek ten dienste staande faciliteiten benut als vehikel voor een vrijwel continue stroom van activiteiten gericht op de invoer van cocaïne. Met betrekking tot het door de advocaat-generaal onderstreepte belang van het door de verdachte als werknemer geschonden vertrouwen overweegt het hof als volgt. De verdachte had uit de aard van zijn functie geen bijzondere vertrouwenspositie en zo bezien is er geen sprake geweest van een schending van vertrouwen dat verder strekt dan in een gemiddelde werkkring als basis voor de arbeidsverhouding geldt. Dat doet er echter niet aan af dat de verdachte zich langdurig heeft ingelaten met maatschappelijk schadelijke activiteiten - het gaat hier bovendien om ernstige misdrijven - waarvan zijn werkgever erop mocht vertrouwen dat hij deze niet zou ontplooien. De verdachte kon zich vrijelijk bewegen in de bagagekelders waar de uit het buitenland aangevoerde en op de luchthaven geloste koffers met verdovende middelen moesten worden onderschept. Daarnaast heeft de verdachte in samenwerking met de mededaders misbruik gemaakt van hulpmiddelen en voorzieningen waarover hij en/of de mededaders konden beschikken uit hoofde van hun functies. Zo zijn met het oog op het realiseren van het misdadige doel geautomatiseerde informatiesystemen geraadpleegd, ontmoetingsplaatsen benut en vervoermiddelen ingezet. Dit alles vanzelfsprekend in strijd met geldende regels en protocol en buiten medeweten van leidinggevenden.

Aldus zijn in de periode waarin de bewezen verklaarde misdrijven zich hebben gerealiseerd de (verlengde) invoer van cocaïne en de voorbereiding en bevordering daarvan voor de verdachte welhaast geworden tot een manier van leven, waarbij hij zich aanzienlijke inspanningen getroostte om telkens tot het beoogde resultaat te komen.

Tot slot wijst het hof erop dat het zich ook rekenschap dient te geven van de internationale dimensies van de bestrijding van de sluikhandel in verdovende middelen. De prioriteit die hier in internationaal verband nog steeds naar uitgaat brengt met zich dat de bestraffing in overwegende mate in de sleutel van de generaal-preventieve werking is gesteld. Dit betekent dat de straftoemeting ook een signaal dient in te houden naar Nederlandse ingezetenen om af te zien van ondersteunende activiteiten op plaatsen van in- en doorvoer van verdovende middelen. Daarnaast moet uit de bestraffing blijken dat met de misdrijven zoals die in de onderhavige zaak ter beoordeling van en beslissing aan de strafrechter zijn voorgelegd het risico van langdurige vrijheidsbeneming zich ook realiseert.

Voorgaande beschouwingen impliceren dat bij de bepaling van de strafmaat de rol van de verdachte en de duur en intensiteit van diens betrokkenheid veel gewicht in de schaal leggen.

Anders dan bij drugskoeriers, waarbij de getransporteerde hoeveelheid volgens een relatief gedetailleerde systematiek een bepalende maatstaf vormt, draagt de omvang van de feitelijk binnengebrachte hoeveelheden cocaïne in het onderhavige geval slechts bij aan de strafmaat in samenhang met de zojuist genoemde factoren. Voor de mate waarin aantallen transporten, geslaagd danwel mislukt, en hoeveelheden cocaïne bijdragen aan de strafmaat valt geen algemene regel noch enige cijfermatige motivering te geven.

De toe te passen strafmaat voor misdrijven als de onderhavige beweegt zich, zo laat ook de straftoemetingspraktijk zien, binnen een niet al te ruime bandbreedte.

Voorts heeft de verdachte zich in de periode van 1 juni 2008 tot en met 13 januari 2009 schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het invoeren van cocaïne in Nederland en het verrichten van voorbereidingshandelingen daartoe. Daarnaast heeft de verdachte zich op 13 januari 2009 schuldig gemaakt aan het witwassen van een groot geldbedrag, in totaal 46.000,- euro, een kostbaar horloge en een personenauto. Hij heeft aldus in ernstige mate inbreuk gemaakt op de in het financiële en economische verkeer vereiste integriteit en transparantie, door het mogelijk te maken dat de opbrengst van misdrijven aan het zicht van justitie wordt onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt gegeven.

Uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 mei 2011 blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt het hof tot de slotsom dat aan de verdachte een gevangenisstraf van lange duur dient te worden opgelegd. Die straf is lager dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd. De reden daarvoor is dat uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, noodzakelijkerwijs voortvloeit dat er ruimte dient te blijven bestaan om aan personen die - anders dan de verdachte - wel de door het hof bedoelde leidinggevende rol hebben vervuld - en/of die kunnen gelden als belanghebbende in de zin van ‘eigenaar’ of ‘afnemer’ van de gesmokkelde hoeveelheden verdovende middelen - een gevangenisstraf van langere duur op te leggen.

Met het oog op de straftoemeting slaat het hof voorts acht op de omstandigheid dat hetgeen per zaaksdossier onder 1 is bewezen verklaard (met uitzondering van B8), telkens eendaadse samenloop van invoer en voorbereidingshandelingen oplevert.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals deze op de beslaglijst staan vermeld onder de beslagnummers 93, 99, 100, 111, 112, 118, 126 en 130. Voornoemde voorwerpen behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Het onder 5 bewezen verklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen zoals deze op de beslaglijst staan vermeld onder de beslagnummers 2, 4, 7, 90 en 105. Voornoemde voorwerpen behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Nadere overweging met betrekking tot in beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn geldbedragen en horloges in beslag genomen ten aanzien waarvan de verdachte door het hof van het ten laste gelegde witwassen wordt vrijgesproken. Nu in het bestek van de onderhavige strafzaak niet aannemelijk is geworden dat de verdachte geen recht heeft op die horloges zal het hof de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten.

Ten aanzien van het geld, voor zover het betreft het bedrag waarvan de verdachte van het ten laste gelegde witwassen wordt vrijgesproken, zal het hof gelasten dat dit geldbedrag wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Deze beslissing is gegrond op het feit dat door de verdachte is verklaard dat hij zelf te dien aanzien geen rechthebbende is en op de omstandigheid dat in verschillende gedingfasen stukken zijn ingebracht die aanwijzingen bevatten dat anderen (onder wie de schoonzus en de echtgenote van de verdachte) rechten op die gelden (kunnen) pretenderen. Deze aanwijzingen zijn naar het oordeel van het hof thans onvoldoende om met de voor een beslissing als bedoeld in artikel 353, tweede lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, vereiste mate van zekerheid, te bepalen dat tot teruggave aan enige bepaalde persoon dient te worden overgegaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2, 10, 10a en 11a van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 45, 47, 55, eerste lid, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1, ten aanzien van de in zaaksdossier B8 gerelateerde invoer van cocaïne, en onder 3 ten aanzien van incident 5 is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

In beslag genomen voorwerpen

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Ten aanzien van feit 1:

93 1 stk Formulier met de gegevens mrs. [naam koerier];

99 1 stk Reisschema op naam van [naam koerier];

100 1 stk Vliegticket op naam van [naam koerier], [ticketnummer];

126 1 stk Kwitantie op naam van [naam koerier];

Ten aanzien van feit 3:

111 1 stk Label KLM bagagelabel;

112 1 stk Label KLM 0074kl321244 Bagagelabel;

118 1 stk Formulieren Western Union 22744499862;

130 1 stk Formulier, kopie paspoort op naam van [naam].

Ten aanzien van feit 5:

2 Personenauto, BMW 5er REIHE, kleur zwart, chassisnr. [chassisnummer];

4 1 stk Horloge, kleur zilver CARTIER Roadster [serienummer];

7 Geld Euro 46.000,00

90 1 stk Autosleutel, kleur zwart.

105 1 stk Kentekenbewijs BMW 520I deel 1 [kentekenbewijsnummer];

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1 1 stk Horloge, meerkleurig, JAEGER-LECOULTRE [serienummer];

3 1 stk Horloge, meerkleurig, ROLEX Oyster [serienummer];

5/52 1 stk Horloge, meerkleurig, CARTIER SANTOS [serienummer];

6/53 1 stk Horloge, kleur wit, CARTIER CHRONOS CAPH [serienummer].

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggeven voorwerpen, te weten:

7 Geld Euro 48355,00;

146 1 stk Sleutelbos, met 8 sleutels.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. S. Aytemür, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 juni 2011.