Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8712

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-05-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
200.084.170-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2011:BP4342, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van een wrakingsbeslissing van de rechtbank. Aangezien de hoofdzaken civiele dagvaardingszaken zijn, ligt allereerst de vraag voor of de afwijzing van een wrakingsverzoek een tussenuitspraak is in de hoofdzaak, of een einduitspraak in de als losstaand van de hoofdzaak te beschouwen wrakingszaak. Gelet op de omstandigeheid dat aanstonds na een wrakingsverzoek de behandeling van de hoofdzaak wordt geschorst totdat op het wrakingsverzoek is beslist, moet het wrakingsverzoek worden aangemerkt als een incidentele vordering in de hoofdzaak. De beslissing op dit verzoek is een tussenvonnis in de zin van artikel 337 lid 2 Rv. Omdat de rechtbank geen tussentijds hoger beroep heeft opengesteld is verzoeker niet-ontvankelijk. Beroep op doorbreking van het appelverbod van artikel 39 lid 5 Rv. kan eerst aan de orde komen als verzoeker hoger beroep instelt tegen het eindvonnis in de hoofdzaak, of tegen een tussenvonnis, indien de rechter daarbij tussentijds hoger beroep heeft toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

WRAKINGSKAMER

BESCHIKKING

op het op 21 maart 2011 schriftelijk ingediende verzoek van

[X], (hierna: verzoeker),

wonend te [woonplaats],

advocaat: mr. W.H.van Zundert te Rotterdam.

1. Het verzoek

1.1 Op 21 maart 2011 heeft verzoeker de wrakingskamer van het hof een appelschrift gedateerd 18 maart 2011 doen toekomen, waarmee blijkens de inhoud daarvan wordt beoogd hoger beroep in te stellen tegen een afwijzende beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 18 januari 2011, zaaknummer [zaaknummer], op een verzoek tot wraking van mr. [A], rechter in die rechtbank. Het appelschrift ging vergezeld van een begeleidende brief en een kopie van de bestreden beslissing.

1.2 Bij brief van 28 maart 2011, ingekomen op 29 maart 2011, heeft verzoeker het hof aanvullende producties doen toekomen, voorzien van een inventarislijst.

1.3 Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van de wrakingskamer van het hof op 5 april 2011. Verzoeker was daarbij aanwezig, vergezeld van zijn advocaat mr. Van Zundert voornoemd. Laatstgenoemde heeft het woord gevoerd overeenkomstig door hem aan het hof overgelegde pleitaantekeningen.

2. Beoordeling:

2.1 Het verzoek tot wraking is gedaan naar aanleiding van de behandeling van twee zaken (de hoofdzaken) door de rechter wiens wraking is verzocht. Die hoofdzaken betreffen civiele zaken die bij dagvaarding, respectievelijk van 22 januari 2010 en 18 mei 2010, zijn aangevangen voor de rechtbank. De verzoeker is gedaagde in de eerste, eiser in de tweede zaak; in beide zaken is dezelfde persoon zijn wederpartij. In die zaken heeft, gelijktijdig, een comparitie van de partijen plaatsgevonden, die is gevolgd, in elk van beide zaken, door een vonnis van 24 november 2010. In het dictum van beide vonnissen wordt de zaak naar de rol verwezen voor uitlating door de partijen over bepaalde onderwerpen, met aanhouding van iedere verdere beslissing. Vervolgens is op 30 november 2010, kennelijk voordat de behandeling van de zaken door een einduitspraak was beëindigd, het verzoek tot wraking ingediend, waarop de wrakingskamer van de rechtbank op

18 januari 2011 heeft beslist. Tegen deze beslissing is het hoger beroep gericht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid:

2.2 Blijkens artikel 39 lid 5 Rv staat geen voorziening, en dus ook geen hoger beroep, open tegen een beslissing op een verzoek tot wraking.

2.3 Verzoeker heeft betoogd dat dit wettelijk appelverbod in dit geval wordt doorbroken, omdat de wrakingskamer van de rechtbank fundamentele rechtsregels heeft geschonden die beschermd worden door art. 6 EVRM.

2.4 De hoofdzaken zijn civiele dagvaardingszaken. Daarmee ligt de vraag voor of de afwijzing van een wrakingsverzoek ten aanzien van een rechter die een civiele dagvaardingszaak behandelt, een tussenuitspraak is in die hoofdzaak, of een einduitspraak in de als losstaand van de hoofdzaak te beschouwen wrakingszaak. Het hof beantwoordt die vraag aldus dat een dergelijke afwijzing een tussenuitspraak is in de hoofdzaak. Gelet immers op de omstandigheid dat aanstonds na een wrakingsverzoek de behandeling van de hoofdzaak wordt geschorst totdat op het wrakingsverzoek is beslist, moet het wrakingsverzoek worden aangemerkt als een incidentele vordering in de hoofdzaak.

2.5 Aangezien de beslissing op het wrakingsverzoek geen einde maakt aan het geschil ter zake van enig deel van het gevorderde in de hoofdzaak, is die beslissing een tussenvonnis in de zin van artikel 337 lid 2 Rv. Dat artikellid bepaalt dat hoger beroep van een tussenvonnis slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald.

2.6 Het betoog dat het wettelijke verbod op voorzieningen in dit geval wordt doorbroken, als in 2.3 omschreven, maakt niet dat tussentijds hoger beroep openstaat zonder dat de rechter die mogelijkheid heeft opengesteld.

2.7 Omdat de rechtbank tussentijds hoger beroep niet heeft opengesteld, is verzoeker thans niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

2.8 Mocht de verzoeker te zijner tijd in hoger beroep gaan in (één van) de hoofdzaken – bij een eventueel volgend tussenvonnis, indien de rechter daarbij tussentijds hoger beroep zal toelaten, of bij het eindvonnis - dan kan hij bij die gelegenheid desgewenst ook in hoger beroep gaan van de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank en aan de appelrechter de vragen voorleggen of hij belang heeft bij laatstbedoeld hoger beroep, of de door hem beweerde schending van fundamentele rechtsregels kan leiden tot doorbreking van het wettelijke verbod op voorzieningen, of de schending zich heeft voorgedaan, en of dat aanleiding geeft tot een ander oordeel dan dat van de wrakingskamer van de rechtbank. Voor onderzoek van die vragen is in het onderhavige, ontijdige, hoger beroep geen plaats.

2.9 Het hof ziet geen termen voor een beslissing over de gedingkosten in dit hoger beroep en evenmin voor het openstellen van tussentijds cassatieberoep tegen de onderhavige uitspraak.

3. Beslissing:

Het hof verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Clement, J.M.J. Chorus en G.C.C. Lewin in tegenwoordigheid van mr. S.M.C. Vleugel als griffier en is op 16 mei 2011 in het openbaar uitgesproken.