Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8689

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
200.082.558-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vaststelling beslagvrije voet ex art. 475e Rv toegewezen en overeenkomstig art. 475d Rv vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [K.], [land],

en

2. [APPELLANTE SUB 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [K.], [land],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. J.C.M. Bonnier, te Wijchen,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid IDM FINANCE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. E.L. Polak, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna [appellanten] of – afzonderlijk - [appellant sub 1]en [appellante sub 2] genoemd. Verweerster wordt in het vervolg als IDM aangeduid.

[appellanten] zijn bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van dit hof op 17 februari 2011, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter Haarlem in deze zaak onder zaaknummer 489092 / rekestnummer EJ62/10 op 12 januari 2011 tussen partijen heeft gegeven.

Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en alsnog zal bepalen dat er ten aanzien van de ten laste van [appellanten] gelegde beslagen een beslagvrije voet wordt vastgesteld, met veroordeling van IDM in de kosten van de procedure in beide instanties.

Op 25 maart 2011 is ter griffie van het hof een verweerschrift van IDM ingekomen. IDM concludeert tot verwerping van de grieven en tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van dit hoger beroep.

Op 14 april 2011 is ter griffie van het hof binnengekomen een fax van [appellanten] inhoudende een vijftal aanvullende producties.

De mondelinge behandeling van het beroepschrift heeft plaatsgevonden op 19 april 2011. Bij die gelegenheid heeft mr. Bonnier voornoemd namens [appellanten] het woord gevoerd. Namens IDM heeft mr. Polak voornoemd standpunt van IDM nader toegelicht.

Naar aanleiding van de behandeling ter terechtzitting heeft het hof de zaak vervolgens aangehouden teneinde [appellanten] in de gelegenheid te stellen om uiterlijk op 3 mei 2011 de door het hof aangegeven aanvullende stukken aan het hof en IDM te doen toekomen. IDM heeft de mogelijkheid gekregen om vervolgens op de eventueel binnengekomen stukken – zo zij daartoe aanleiding ziet – binnen een termijn van één week daarop te reageren, waarna het hof uitspraak zal doen.

Op 29 april 2011 is bij de griffie van het hof een fax van [appellanten] met stukken binnengekomen. In aanvulling op deze stukken heeft het hof op 3 mei 2011 nog een fax met stukken van [appellanten] ontvangen.

Op 9 mei 2011 heeft de griffie van het hof een schriftelijke reactie van IDM per fax ontvangen.

2. De beoordeling

2.1. Samengevat gaat deze zaak over het volgende.

2.2. [appellant sub 1]en [appellante sub 2] waren voor 1995 met elkaar gehuwd en woonden in Nederland. In 1990 hebben [appellant sub 1]en [appellante sub 2] een huurkoopovereenkomst met IDM gesloten met betrekking tot een bestelauto van het merk Mercedes Benz. Na het faillissement van [appellant sub 1]zijn bij – inmiddels onherroepelijke - beschikking van de kantonrechter te Nijmegen van 15 januari 1995 [appellant sub 1]en [appellante sub 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan IDM van (toen) fl. 16.029,49 ter zake van het onbetaalde gedeelte van genoemde auto.

[appellanten] zijn nadien naar Duitsland verhuisd. In september 2010 heeft IDM uiteindelijk beslag kunnen leggen op de AOW uitkeringen van [appellant sub 1]en [appellante sub 2]. [appellant sub 1]en [appellante sub 2] zijn inmiddels gescheiden.

Het beslag is gelegd voor een bedrag van € 31.779.34, welk bedrag bestaat uit de oorspronkelijke hoofdsom van € 10.317,26 vermeerderd met vervallen renten en kosten.

2.3. [appellanten] hebben in hun inleidende verzoekschrift ingevolge artikel 475e Rv verzocht om ten aanzien van [appellant sub 1]een beslagvrije voet vast te stellen op € 1035,17 per maand en ten aanzien van [appellante sub 2] op € 1271,72 per maand.

2.4. De kantonrechter heeft deze verzoeken als onvoldoende gegrond afgewezen en de beide partijen ieder met de eigen proceskosten belast.

2.5. Tegen deze beslissing en de gronden waarop deze afwijzing berust zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen.

De ontvankelijkheid

3.1. IDM heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat [appellanten] niet ontvankelijk zijn in hun beroep, nu de grieven van [appellanten] niet voldoende zijn gestaafd of toegelicht, zodat het appelschrift niet voldoet aan de vereisten van artikel 347 Rv.

3.2. Het hof overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 359 Rv dienen in het beroepschrift de gronden van het hoger beroep te worden vermeld. Met de door [appellanten] in het beroepschrift opgenomen grieven en de toelichting daarop is aan dit vereiste naar ‘s hofs oordeel voldaan. Het verweer faalt derhalve.

3.3. Gelet op het voorgaande kunnen [appellanten] ontvangen worden in het hoger beroep.

4. Het vervolg van het hoger beroep

4.1. [appellanten] klagen erover dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat zij er niet in geslaagd zijn om op controleerbare wijze aannemelijk te maken dat zij buiten hun AOW uitkering geen andere inkomsten hadden (grief 1); dat inzage in voorgaande jaren ontbreekt en er geen bankafschriften zijn getoond (grief 2); dat [appellante sub 2] niet heeft willen opgeven of en zo ja aan wie zij de door haar bewoonde woning onderverhuurt of met wie zij de woning deelt (grief 3) en dat met de overgelegde stukken ongeloofwaardig is dat zij ook voordat zij een AOW uitkering kregen het hoofd boven water hebben kunnen houden (grief 4). [appellanten] hebben in hun beroepschrift een elftal producties opgenomen.

4.2. IDM heeft tegenover grief 1 gesteld dat zij heeft verzocht om (inkomsten) verklaringen van zowel de Nederlandse als de Duitse belastingdienst teneinde vast te stellen welke inkomsten [appellanten] hebben gehad. Nu [appellant sub 1]slechts de aangifte en aanslag IB 2009 van de Duitse belastingdienst heeft overgelegd en [appellante sub 2] niets, is geen (voldoende) bewijs overgelegd. Ter zake van grief 2 heeft IDM zich verweerd met de stelling dat voor de vaststelling van de beslagvrije voet zowel de financiële als de gezinsamenstelling van belang is, waartoe de bankafschriften duidelijkheid kunnen verschaffen. Wat betreft grief 3 stelt IDM dat uit de in eerste aanleg overgelegde huurovereenkomst volgt dat [appellante sub 2] € 551,00 aan kale huurverschuldigd is, maar omdat zij haar woonruimte voor

€ 350,00 onderverhuurt dienen de werkelijke huurkosten met

€ 350,00 verlaagd te worden. De werkelijke huurkosten zijn dan ook € 161,00. Ten aanzien van grief 4 stelt IDM dat nu door [appellanten] geen inzage is gegeven wat betreft zowel hun financiële situatie als hun gezinsamenstelling, geen conclusies zijn te trekken over hoe [appellanten] in hun levensonderhoud voorzien.

IDM concludeert dat [appellanten] voor berekening van de beslagvrije voet geen inzage hebben gegeven in hun financiële situatie noch van hun gezinssamenstelling. Evenmin zijn de inkomsten gestaafd en bovendien zijn door [appellanten] onjuiste bedragen gehanteerd.

4.3. Ingevolge artikel 475e Rv geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont of niet in Nederland vast verblijft geen beslagvrije voet, tenzij deze aantoont dat hij buiten die vorderingen onvoldoende middelen van bestaan heeft. Hieruit volgt dat de schuldenaren, in dit geval [appellant sub 1]en [appellante sub 2], dienen te bewijzen, dat zij over onvoldoende middelen van bestaan beschikken. De strekking van artikel 475e Rv is immers dat een schuldenaar die in Nederland geen vaste verblijfplaats heeft, wordt geacht over buitenlandse bronnen van inkomsten te beschikken – anders dan de vorderingen tot periodieke betaling die hij in Nederland heeft – die voldoende bestaansmiddelen opleveren.

4.4. In dit geding is in de eerste plaats de vraag aan de orde of [appellant sub 1]en [appellante sub 2] hebben aangetoond dat zij – naast de uitkering waarop het beslag rust – niet over voldoende middelen beschikt om in hun bestaan te voorzien.

Het hof stelt in dit kader voorop dat [appellant sub 1]en [appellante sub 2], teneinde hieraan te kunnen voldoen, in beginsel volledig inzicht dienen te geven in hun beider financiële situatie.

4.5. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van onderhavige zaak heeft het hof te dien aangaande, allereerst geoordeeld, dat [appellanten] in het onderhavige geval kunnen volstaan met de [appellant sub 1]betreffende aangifte en aanslag IB 2009 ten behoeve van de Duitse Belastingdienst. Dit gelet op de omstandigheid dat [appellanten], mede in het licht van de schriftelijke mededelingen van het kantoor van [S.], belastingadviseur, (e-mail van 8 februari 2011, productie 6 bij het inleidende verzoekschrift en een brief van [S.] van 13 april 2011), voldoende aannemelijk hebben gemaakt de afgelopen jaren alleen in Duitsland woonachtig te zijn geweest en alleen aldaar (gedurende een zekere periode) werkzaamheden te hebben verricht en dat IDM onvoldoende heeft weersproken dat [appellanten] alleen in Duitsland belastingplichtig zijn.

Voorts heeft het hof in samenspraak met IDM en [appellanten] in het kader van het door [appellanten] te verschaffen inzicht in hun financiële situatie bepaald dat [appellanten] in aanvulling op de reeds in hoger beroep bij appelschrift ingebrachte stukken de navolgende stukken dienen te verstrekken: een (nieuwe) verklaring van de verhuurder van [appellante sub 2] ter zake van de hoogte van de huur en de onderbouwing daarvan alsmede van zowel [appellant sub 1]als [appellante sub 2] alle (ontbrekende) bankafschriften van het jaar 2010.

4.6. Bij de hierboven onder 1 vermelde brieven gedateerd 29 april 2011 en 3 mei 2011 van de zijde van [appellanten] zijn door zowel [appellant sub 1]als [appellante sub 2] (ten aanzien van laatstgenoemde op één na) alle bankafschriften van de door hen aangehouden bankrekeningen over het jaar 2010 verstrekt. Voorts heeft [appellante sub 2] – in aanvulling op het zich reeds van de stukken deeluitmakende huurcontract – aan IDM en het hof een nota van de huur van haar woning van april 2011 en een kopie van een brief van de verhuurder aangaande de huurverhoging voor 2010 toegezonden.

4.7. Met alle door [appellanten] tot op heden ingebrachte stukken hebben [appellanten] naar ’s hof oordeel thans voldoende inzicht gegeven in hun financiële situatie. Uit die stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt naar ’s hofs oordeel genoegzaam dat [appellanten] bij handhaving van het beslag van IDM niet over voldoende middelen beschikken om in hun bestaan te voorzien. Het ontbreken van één bankafschrift van [appellante sub 2] noch het op de bankrekening van [appellant sub 1]gestorte bedrag van € 1.150,00, mede gezien de schriftelijke verklaring van [R.] van 28 april 2011 daaromtrent, brengt het hof tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt ten aanzien van de drie door IDM overgelegde schriftelijke verklaringen van [H.] B.V. aan de deurwaarder inzake een drietal betalingen vanwege door [appellanten] verrichte werkzaamheden. Het hof acht de verklaringen van [appellanten] daaromtrent, mede bezien in het licht van de overige stukken, waaronder de schriftelijke verklaring van [H.]B.V. gedateerd 28 oktober 2010 (productie 1 bij het appelschrift) voldoende aannemelijk.

4.8. Met de vaststelling dat [appellanten] naast hun pensioensuitkering geen andere afdoende middelen hebben om in hun bestaan te voorzien, zal het hof er toe overgaan op de voet van 475d Rv een beslagvrije voet vast te stellen.

4.10. Bij de hieronder weer te geven berekening van de beslagvrije voet heeft het hof de normen van 1 januari 2011 gehanteerd en is voor zowel [appellant sub 1]als [appellante sub 2] als uitgangspunt een alleenstaande van 65 jaar of ouder genomen. Het hof merkt hierbij nog dat er geen aanwijzingen zijn dat [appellant sub 1]en [appellante sub 2], ondanks het feit dat zij niet meer gehuwd zijn, een gezamenlijke huishouding zouden voeren.

Wat betreft de berekening van de beslagvrije voet voor [appellante sub 2] is het hof – gelet ook op de brief van de verhuurder [ A.] van 20 april 2011 - met IDM van oordeel dat ten aanzien van de te betalen kale huur van een bedrag van € 296,00 dient te worden uitgegaan. Immers [appellante sub 2] betaalt aan kale huur € 591,00 per maand en aan servicekosten 110,- per maand en [appellante sub 2] verhuurt een gedeelte van haar woning onder voor een bedrag van € 350,-. Derhalve resteert een bedrag van

€ 295,00 (inkomsten uit onderhuur minus de helft van de te betalen servicekosten). Ook zijn de servicekosten meegenomen in de berekeningen tot het maximale bedrag van € 48,00.

4.11. Het hof komt op grond van het voorgaande tot de navolgende volgende berekening en vaststelling.

4.11.1. Ten aanzien van [appellant sub 1]

Basisnorm beslagvrije voet: € 907,47

Rekenhuur € 200,00

-/- Normhuur (per 1 jan 2011) € 194,33

Premie ziektekosten - normpremie: € 5,67

Max verhoging woonkosten € 335,67

Bij: € 5,67

€ 913,14

Premies Ziektekostenverzekering € 179,45

-/- Normpremie voor eigen rekening € 45,00

Bij: Ziektekosten € 134,45

€ 1047,59

AF: overige inkomsten € 0,00

BESLAGVRIJE VOET € 1047,59

4.10.2. Ten aanzien van [appellante sub 2]

Basisnorm beslagvrije voet: € 907,47

Rekenhuur € 343,00

-/- Normhuur (per 1 jan 2011) € 194,33

Premie ziektekosten - normpremie: € 148,67

Max verhoging woonkosten € 335,67

Bij: € 148,67

€ 1056,14

Premies Ziektekostenverzekering € 104,50

-/- Normpremie voor eigen rekening € 45,00

Bij: Ziektekosten € 59,50

€ 1115,64

AF: overige inkomsten € 0,00

BESLAGVRIJE VOET € 1115,64

4.12. De slotsom is dat de beschikking waarvan beroep niet in stand kan blijven en het verzoek van [appellanten] tot vaststelling van een beslagvrije voet zal worden toegewezen en vastgesteld ten aanzien van [appellant sub 1]op een bedrag van

€ 1047,59 per maand en ten aanzien van [appellante sub 2] op een bedrag van € 1115,64 per maand. Als de in het ongelijk gestelde partij zal IDM in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter Haarlem van

12 januari 2011;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de verzoeken toe en stelt de beslagvrije voet ten aanzien van [appellant sub 1]op € 1.047,59 en ten aanzien van [appellante sub 2] op € 1.115,64;

veroordeelt IDM in de kosten van het geding in beide instanties, welke aan de zijde van [appellanten] tot op heden worden begroot op:

in eerste aanleg: € 111,-- voor verschotten en € 300,-- voor salaris;

in hoger beroep:€ 284,-- voor verschotten en € 1.788,-- voor salaris;

verklaart deze beschikking, voor wat betreft de kostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.H. de Bock,

J.C. Toorman en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 juni 2011.