Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8573

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
23-002732-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2010:BM7542, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX8086, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX8086
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof legt 14 jaar gevangenisstraf op voor poging moord (door slaan met zaklantaarn en hamer) op en ontucht met dochter (15j).

Vrijspraak van verpakken in plastic zak en dumpen in put van vermeend stoffelijk overschot, van welke omstandigheden de gevolgen door het hof wel worden toegerekend aan de verdachte bij bepalen strafmaat. Naast verklaring van aangeefster acht het hof voldoende steunbewijs aanwezig in verklaringen van derden over de opvallende vader-dochter relatie + forensisch deskundigenrapport (DNA sporen van verdachte + dochter op specifieke plek, passagiersstoel in auto) voor ontucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002732-10

datum uitspraak: 14 juni 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-700409-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 december 2009, 4 maart 2010 en 31 mei 2010 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 januari 2011 en 31 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten aanpassing omschrijving is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 2 juni 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], zijn, verdachtes dochter, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met zijn, verdachtes hand(en) de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, en/of

- een- of meerma(a)l(en), met kracht, met een zaklantaarn en/of een hamer, in elk geval met een of meer harde voorwerp(en) en/of met zijn, verdachtes vuist(en) en/of hand(en), heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de hand(en) en/of elders op/tegen het lichaam van die [slachtoffer], en/of

- die [slachtoffer] in een plastic zak heeft gestopt, en/of

- (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] in die/een (afgesloten) plastic zak zat) die [slachtoffer] heeft gebracht in een (deels met water gevulde) (ondergrondse) (vet)put,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 2 juni 2009 te Haarlem aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijn, verdachtes dochter, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (ernstig hoofd- en/of hersenletsel en/of een gebroken hand), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- met kracht de keel dicht te knijpen en/of dichtgeknepen te houden, en/of

- een- of meerma(a)l(en), met kracht, met een zaklantaarn en/of een hamer, in elk geval met een of meer harde voorwerp(en), en/of met zijn, verdachtes vuist(en) en/of hand(en), op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de hand(en) en/of elders op/tegen het lichaam te slaan.

feit 2:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 2 juni 2009 te Haarlem en/of te Spaarnwoude, gemeente Haarlemmerliede Ca en/of elders binnen het arrondissement Haarlem en/of elders in Nederland, met [slachtoffer] (zijn, verdachtes, dochter, geboren op [1994]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis gebracht en/of geduwd in de vagina van die [slachtoffer], en/of

- meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, penis gebracht en/of geduwd in de mond van die [slachtoffer], en/of

- meermalen, althans eenmaal, zijn, verdachtes, vinger(s) gebracht en/of geduwd in de vagina van die [slachtoffer], en/of

- meermalen, althans eenmaal, de kleren van die [slachtoffer] geheel of gedeeltelijk uitgetrokken en/of meerm(a)l(en), althans eenmaal, die [slachtoffer] aangeraakt aan/bij en/of gevoeld aan de (deels of geheel ontblote) borst(en) en/of de (deels of geheel ontblote) vagina en/of elders aan/bij het (deels of geheel ontblote) lichaam van die [slachtoffer].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof op onderdelen tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep - kort gezegd - aangevoerd dat de verbalisanten die [slachtoffer] hebben gehoord ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit niet of slechts gedeeltelijk gevolg hebben gegeven aan de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. De raadsvrouw heeft met name gesteld dat in het onderhavige onderzoek ten onrechte:

- een andere volgorde is aangehouden dan die waarvan de Aanwijzing uitgaat nu eerst is overgegaan tot opsporing en pas daarna tot aangifte;

- de aangifte niet op geluidsband is opgenomen, en

- [slachtoffer], die zwakbegaafd zou zijn, niet volgens het protocol studioverhoor is gehoord.

De raadsvrouw heeft op grond hiervan geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank heeft in het vonnis van 14 juni 2010, naar aanleiding van een grotendeels gelijkluidend verweer van de raadsman in eerste aanleg, ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie - voor zover in hoger beroep aan de orde - het volgende overwogen:

[slachtoffer] is op 2 juni 2009 ernstig gewond aangetroffen en een aantal malen gehoord

met betrekking tot datgene wat haar die dag zou zijn overkomen. Dit heeft geleid tot de

verdenking dat de verdachte, haar vader, ernstig geweld tegen haar zou hebben gebruikt (feit 1).

In de desbetreffende verhoren is ingegaan op de achtergrond van het gebeuren en het

mogelijke motief voor het gepleegde geweld. Op grond van uitlatingen van [slachtoffer] tijdens de

verhoren ontstond op enig moment het vermoeden van seksueel misbruik door haar vader en

zijn haar nadere vragen gesteld. Een en ander heeft geleid tot een verdenking ter zake

daarvan tegen de verdachte en het reeds lopende opsporingsonderzoek is daarmee uitgebreid,

hoewel nog geen officiele aangifte van seksueel misbruik was gedaan. De rechtbank acht

deze gang van zaken niet in strijd met de genoemde Aanwijzing. De situatie in deze zaak is

immers wezenlijk anders dan die in zedenzaken waarop de Aanwijzing het oog heeft. In

deze zaak liep al een opsporingsonderzoek naar een ernstig geweldsmisdrijf binnen dezelfde

afhankelijkheidsrelatie. Dat tijdens dat lopende onderzoek de verdenking van seksueel

misbruik is gerezen, betekent niet dat deze verdenking zonder aangifte en zonder een

voorafgaand informatief gesprek niet zou kunnen worden meegenomen in dat onderzoek.

Gelet op een mogelijk verband tussen beide feiten waarvan verdenking bestond

respectievelijk was ontstaan, diende mogelijk seksueel misbruik van [slachtoffer] in de relatie met

haar vader dan ook onder ogen te worden gezien en in het licht van de onderzoeksresultaten

aangaande het gebeuren op 2 juni 2009 te worden onderzocht. De rechtbank oordeelt dat

voor de bijzondere en ook uitzonderlijke situatie van deze zaak de genoemde Aanwijzing

niet is geschreven en bedoeld.

Ook het bezwaar van de raadsman tegen het niet opnemen van de aangifte van [slachtoffer] op

geluidsband, deelt de rechtbank niet. Immers, de aan die formele aangifte voorafgegane,

inhoudelijke verklaringen van [slachtoffer] met betrekking tot het seksuele misbruik (feit 2) zijn

op geluids- (en video-)band opgenomen. De aangifte van 7 januari 2010 vormde in het

onderzoek slechts een formele afsluiting van haar eerdere verklaringen. Naar het oordeel van

de rechtbank hoefde deze aangifte - waarin [slachtoffer] alleen verwijst naar haar eerdere

verklaringen - niet noodzakelijk op geluidsband te worden opgenomen. Evenmin was het

nodig de verdachte nadien opnieuw te horen aangezien hij met de eerdere inhoudelijke

verklaringen van [slachtoffer] al tijdens de van hem afgenomen verhoren was geconfronteerd.

Zijn stelling dat [slachtoffer] zwakbegaafd zou zijn en er sprake is van een achterstand in haar

ontwikkeling zodat zij volgens de genoemde Aanwijzing zou moeten worden gehoord

volgens het Protocol Studioverhoor baseert de raadsman op het proces-verbaal van

bevindingen van verbalisant [verbalisant] van 17 juni 2009 waaruit blijkt dat twee mentoren

van de school van [slachtoffer] hebben medegedeeld dat haar IQ tussen de 70 en de 80 zou liggen.

De rechtbank acht dit enkele - overigens niet geverifieerde - gegeven onvoldoende om te

concluderen dat aangeefster zwakbegaafd is en er sprake zou zijn van een achterstand in haar

ontwikkeling. Daarbij heeft te gelden dat uit ditzelfde proces-verbaal ook blijkt dat volgens

de mentoren het (naar de rechtbank begrijpt: lage) IQ van [slachtoffer] deels kan worden

verklaard door haar taalachterstand als gevolg van haar nog korte verblijf (sinds 2003) in

Nederland.

Nu [slachtoffer] ten tijde van de verhoren ouder was dan l2 jaar en niet gesproken kan worden

van een achterstand in haar ontwikkeling, is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer] ook

overeenkomstig de Aanwijzing op juiste wijze is verhoord.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank aldus helder, duidelijk en overtuigend haar overwegingen omtrent het verweer verwoord. Het hof acht deze overwegingen van de rechtbank juist, maakt deze tot de zijne en verwerpt het verweer.

Bespreking van een bewijsverweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de (zeden)verklaringen van [slachtoffer] te onbetrouwbaar zijn om als bewijsmiddel voor feit 2 te dienen. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat de zogenoemde disclosure (de eerste keer dat aangeefster over het vermeende misbruik heeft verteld) tot stand is gekomen op basis van een gesloten vraag van een van de verbalisanten, dat aangeefster slechts summiere verklaringen heeft afgelegd, dat verbalisanten informatie hebben ingevuld, dat aangeefster van verbalisanten positieve feedback heeft ontvangen op door hen ‘gewenste’ informatie en dat aangeefster door haar zwakbegaafdheid gevoeliger is voor beinvloeding.

De rechtbank heeft in het vonnis van 14 juni 2010, naar aanleiding van een grotendeels gelijkluidend verweer van de raadsman in eerste aanleg het volgende overwogen:

De rechtbank overweegt dat in haar algemeenheid in zaken als deze bij de beoordeling van

de verklaringen waarin het begaan van zedenmisdrijven aan de orde is, de nodige

behoedzaamheid dient te worden betracht.

De rechtbank is echter na kennisneming van de letterlijk uitgewerkte verhoren van

aangeefster waarin zij verklaart over het seksueel misbruik, van oordeel dat die verhoren op

een zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden. Daarbij zijn aangeefster geen vragen gesteld

noch zijn opmerkingen gemaakt die haar mogelijk hebben kunnen beinvloeden of haar in een

zodanige positie hebben kunnen brengen, dat zij een verklaring zou hebben afgelegd, die zij - naar de inhoud daarvan bezien - niet wilde afleggen. Dat aangeefster zwakbegaafd zou

zijn, is voor de rechtbank, zoals hiervoor (…) reeds is overwogen, niet althans

onvoldoende aannemelijk geworden. Ook overigens kan uit de vele verhoren van aangeefster

niet de indruk ontstaan dat zij gevoelig zou zijn voor beinvloeding. De rechtbank acht, alles

overziende, de door aangeefster in haar verhoren afgelegde verklaringen over het seksueel

misbruik betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Het door de raadsman

overgelegde briefrapport van psycholoog Van der Sleen kan daaraan niet afdoen. Dat

aangeefster tegenover anderen dan de politie het seksueel misbruik heeft ontkend en zich in

zijn algemeenheid niet negatief heeft uitgelaten over (het hebben van) seks, doet hier

evenmin aan af.

De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak nader onderzoek te laten verrichten naar de

betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, zoals dit voorwaardelijk is verzocht

door de raadsman.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank aldus wederom helder, duidelijk en overtuigend haar overwegingen omtrent het verweer verwoord. Het hof acht deze overwegingen juist en maakt deze tot de zijne. Voorts overweegt het hof dat aangeefster op 30 maart 2011 ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en dat ook de inhoud van deze verklaring, gelet op de consistentie, bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen. Derhalve verwerpt het hof het verweer.

Partiele vrijspraak

Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen verklaard dat de verdachte het onder 1 primair, derde en vierde gedachtestreepje ten laste gelegde heeft begaan met het opzet [slachtoffer] van het leven te beroven. Met de rechtbank en in overeenstemming met het standpunt van het openbaar ministerie in eerste aanleg en in hoger beroep is het hof van oordeel dat aannemelijk is dat de verdachte deze handelingen - te weten dat hij [slachtoffer] in een plastic zak heeft gestopt en haar vervolgens in een deels met water gevulde ondergrondse put heeft gebracht - heeft gepleegd met het opzet zich te ontdoen van een vermeend stoffelijk overschot en dat de verdachte op het moment dat hij deze handelingen verrichtte in de veronderstelling verkeerde dat het slachtoffer was overleden. Het opzet waarmee de verdachte deze handelingen heeft verricht was dan ook gericht op een ander doel dan aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat, ook al heeft de verdachte die handelingen wel degelijk verricht, hij in het kader van de omschrijving van het strafbare feit daarvan moet worden vrijgesproken. Dit laat onverlet dat deze handelingen als omstandigheden waaronder het feit is begaan, bij de waardering van de ernst van het feit aan de orde kunnen en zullen komen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1 primair:

hij op 2 juni 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], zijn, verdachtes dochter, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg,

- met zijn, verdachtes handen de keel van die [slachtoffer] met kracht heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden en

- met kracht met een zaklantaarn en een hamer heeft geslagen op/tegen het hoofd en/of de nek en/of de rug en/of de hand(en) van die [slachtoffer]

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

feit 2:

hij in de periode van 1 januari 2009 tot 2 juni 2009 te Haarlem of elders in Nederland, met [slachtoffer], zijn, verdachtes, dochter, geboren op [1994], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen zijn, verdachtes, penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer] en

- meermalen zijn, verdachtes, penis gebracht in de mond van die [slachtoffer] en

- meermalen zijn, verdachtes, vinger(s) gebracht in de vagina van die [slachtoffer] en

- meermalen gevoeld aan de borsten en de vagina van die [slachtoffer].

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt het hof het volgende.

De verdachte heeft zijn dochter [slachtoffer] in de vroege ochtend van 2 juni 2009 opgebeld met de mededeling dat zij naar zijn werk bij de Brinkmannpassage moest komen. De verdachte is met zijn dochter naar een ruimte in de kelder gegaan, waar zelden iemand komt en waartoe de verdachte weliswaar de toegang had, maar waar hij verder niets te zoeken had. Uit de verklaring van het slachtoffer - die door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in zoverre is bevestigd - blijkt dat de verdachte die ochtend in het telefoongesprek heeft verwezen naar een groot geldbedrag, dat zich in die kelder zou bevinden. In de kelder heeft de verdachte zijn dochter een put getoond, waarin het geldbedrag zou zijn verborgen en deze put geopend. Wat ook zij van de redenen die de verdachte heeft gehad om zijn dochter naar die kelder te laten komen, duidelijk is dat de verdachte het initiatief heeft genomen om haar naar een dergelijke afgelegen locatie te laten komen.

In de kelder heeft de verdachte getracht zijn dochter te wurgen, heeft hij haar met een zaklamp onder meer op haar hoofd geslagen en gezegd dat hij haar ging vermoorden. Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat bij de verdachte ten minste op dit moment het voornemen heeft bestaan zijn dochter daadwerkelijk van het leven te beroven. Na een pauze van enige duur, waarin de verdachte en zijn dochter samen sigaretten hebben gerookt, heeft de verdachte zijn dochter vervolgens met een hamer meermalen op het hoofd geslagen en, toen zij niet meer bewoog, haar persoonlijke bezittingen afgenomen, haar in een plastic zak gedaan en haar ten slotte in de put gedumpt.

Aldus heeft de verdachte, zo hij hiertoe in een eerder stadium -tussen het telefoongesprek met zijn dochter en het moment dat zij bij de Brinkmannpassage arriveerde - niet reeds de mogelijkheid zou hebben gehad, zeker tijdens de rookpauze na de eerste gewelddadige handelingen ruimschoots de gelegenheid gehad zich te bezinnen op zijn voorgenomen daad zijn dochter van het leven te beroven. De verdachte heeft er echter toe besloten aan zijn voornemen verdere uitvoering te geven.

Derhalve komt het hof, op grond van de feitelijke handelingen die verdachte heeft ondernomen, nadat hij het besluit moet hebben genomen zijn dochter te doden, tot het oordeel dat de verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad na te denken over en zich rekenschap te geven van de betekenis en de gevolgen van de door hem gepleegde geweldshandelingen en acht het hof voorbedachte raad bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt het hof aldus.

De verklaringen van aangeefster ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vinden naar het oordeel van het hof voldoende steun in de navolgende feiten en omstandigheden, die op relevante wijze met deze verklaringen in verband staan.

De moeder van [slachtoffer] heeft verklaard dat de band tussen de verdachte en [slachtoffer] intiemer was dan met zijn andere kinderen en dat de verdachte en [slachtoffer] met enige regelmaat samen weggingen. De broer van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte [slachtoffer] overal mee naartoe nam, dat de relatie tussen [slachtoffer] en de verdachte sinds een half jaar zeer goed was en dat de kinderen van de verdachte soms vertelden dat hij veel meer aandacht had voor [slachtoffer] dan voor de anderen. Een nicht van [slachtoffer] heeft verklaard dat de band tussen de verdachte en [slachtoffer] al goed was, maar nadat de verdachte er in december 2008 achter was gekomen dat [slachtoffer] was ontmaagd beter werd, dat [slachtoffer] en haar vader ineens heel close waren en dat [slachtoffer] en haar vader ’s nachts weggingen. Een vriendin van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] heel close is met haar vader. Een andere vriendin van [slachtoffer] heeft verklaard dat [slachtoffer] en haar vader een a twee keer per week samen naar buiten gingen. Op grond van deze verklaringen komt het hof tot de conclusie dat de relatie tussen de verdachte en aangeefster afweek van hetgeen als normaal kan worden bestempeld tussen vader en dochter doordat daaraan in deze situatie een grensoverschrijdende invulling werd gegeven; hetgeen ook derden was opgevallen. Daarnaast is op de bekleding van de passagiersstoel in de auto van de verdachte een spermaspoor aangetroffen. Dit deel van de bekleding is bemonsterd. De uit deze bemonstering geisoleerde spermacelfractie matcht met het DNA-profiel van de verdachte, met een berekende frequentie van kleiner dan een op een miljard. De uit dezelfde bemonstering geisoleerde fractie van overige cellen matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer, met een berekende frequentie van kleiner dan een op een miljard. Aan deze forensische onderzoeksbevindingen kent het hof dientengevolge een hoge bewijswaarde toe en zij ondersteunen de verklaring van [slachtoffer] dat haar vader seks met haar had op de passagiersstoel in zijn auto, welke nadere duiding van de plaats waar de seks (onder meer) plaatsvond een voldoende specifiek karakter heeft. Reden voor het hof om dit scenario zeer veel waarschijnlijker te achten dan het door de verdachte eerst in hoger beroep naar voren gebrachte scenario dat zijn sperma daar is gekomen doordat hij in de auto seks heeft gehad met een vriendin van wie hij de naam niet wil noemen. Dit laatste scenario is door de verdachte niet nader onderbouwd en mist naar het oordeel van het hof in het licht van het bovenstaande in onderling verband en samenhang geloofwaardigheid.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft met voorbedachte raad getracht zijn destijds slechts 15-jarige dochter op gewelddadige wijze om het leven te brengen. Hij heeft in een afgelegen ruimte in de kelder van de Brinkmannpassage geprobeerd haar te wurgen en haar vervolgens verscheidene malen met een zaklamp en een hamer met kracht op het hoofd geslagen tot zij niet meer bewoog. Ten slotte heeft hij haar, menende dat zij was overleden, in een grote plastic zak gedaan en in een deels met water gevulde vetput gestopt en deze put met een zwaar deksel afgesloten. Het is het slachtoffer uiteindelijk gelukt zichzelf uit die put te bevrijden, de afgesloten en donkere kelderruimte te verlaten en hulp te zoeken. Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het verslag van de deskundige Botter van 24 mei 2011 omtrent het letsel is aannemelijk dat [slachtoffer] bij deze bevrijding door het deksel van de put hard op het hoofd is getroffen waardoor het hoofdletsel in aanzienlijke mate is verergerd. Zij is met spoed naar het ziekenhuis overgebracht, waar zij aan ernstig hersenletsel is geopereerd.

Van de planmatige en koelbloedige wijze waarop de verdachte te werk is gegaan getuigen, naast de aard van de reeds genoemde handelingen, tevens de handelingen die de verdachte diezelfde dag nog heeft verricht. Hij heeft op geraffineerde wijze getracht te het misdrijf te verhullen, door in de middag nadat hij het feit had begaan een aan zichzelf gericht MSN-bericht te versturen vanaf het account van zijn dochter, waarvan de inhoud het erop had moeten doen lijken dat [slachtoffer] het bericht aan hem had verzonden. Vervolgens heeft de verdachte ‘s avonds op het politiebureau aangifte gedaan van vermissing van zijn dochter, waarbij hij aangaf dat hij zijn dochter die ochtend om 7:00 uur voor het laatst telefonisch had gesproken. Hij heeft zijn familie en de politie aan de hand van dit door hemzelf geplaatste bericht willen doen geloven dat zijn dochter hem had laten weten dat zij van huis was weggelopen. De bedoeling van de verdachte was kennelijk dat men niet naar haar op zoek zou gaan en de verdenking van betrokkenheid bij haar verdwijning niet op hem zou vallen. Haar identificerende voorwerpen als haar identiteitsbewijs, telefoon en bankpas heeft de verdachte van het lichaam van [slachtoffer] weggenomen alvorens hij haar in de put deponeerde. De simkaart heeft de verdachte stukgeknipt.

De verdachte heeft zich, door te trachten zijn eigen dochter op deze brute wijze van het leven te beroven, schuldig gemaakt aan een van de ernstigste misdrijven die ons strafrecht kent. Het moet voor het slachtoffer een afgrijselijke en extreem traumatiserende ervaring zijn geweest om, nadat zij door haar eigen vader met grof geweld was toegetakeld, door hem ernstig gewond in een afgesloten put in een verlaten kelder te worden achtergelaten. Dat het slachtoffer onder voormelde omstandigheden de geweldpleging heeft overleefd, is uitzonderlijk en kan voornamelijk aan haar eigen overlevingsdrang worden toegeschreven.

In een periode van ongeveer een half jaar voorafgaand aan dit gruwelijke feit heeft de verdachte feitelijk een seksuele relatie met zijn dochter onderhouden. Hiermee heeft de verdachte een zeer ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn dochter en haar seksuele ontwikkeling ernstig verstoord. Bij slachtoffers van dergelijke delicten kunnen lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer in hoge mate kunnen worden belemmerd. Bovendien had het slachtoffer een leeftijd waarop zij nog volop in ontwikkeling was en kan door het handelen van de verdachte deze ontwikkeling ernstig zijn geschaad. De verdachte heeft zich gedurende het misbruik kennelijk geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke psychische gevolgen voor het slachtoffer en hij heeft zijn eigen lustgevoelens boven haar belangen laten prevaleren. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer binnen de door afhankelijkheid gekenmerkte relatie die een vader-dochterrelatie per definitie is en in de beslotenheid van het ouderlijk huis, bij uitstek de plaats waar kinderen zich veilig moeten kunnen voelen, heeft misbruikt.

Met het plegen van deze feiten heeft de verdachte het vertrouwen dat een dochter in haar vader zou moeten kunnen stellen in zeer ernstige mate beschaamd.

Het gebeurde heeft vanzelfsprekend grote gevolgen (gehad) voor het verdere leven van het slachtoffer, zoals ook blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Zij zal de komende jaren veel steun nodig hebben om deze gebeurtenissen te kunnen verwerken en haar leven weer op te pakken. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Zeker niet uitgesloten is, dat verdachtes dochter haar hele verdere leven deze last zal moeten dragen. Ook op de familie, in het bijzonder het gezin, van de verdachte en het slachtoffer moet het gebeurde een enorme impact hebben gehad. Voorts is de maatschappij in ernstige mate geschokt.

Het hof rekent het de verdachte tevens aan dat hij ogenschijnlijk geen, in elk geval geen volledige, verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden, nu hij tot op heden ontkent de ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd, waarbij hij op geen enkele wijze blijk heeft gegeven van inzicht in het leed dat hij heeft veroorzaakt. Psycholoog J.B. Semen en psychiater A.G.S. de Ranitz geven in het door hen opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 17 december 2009 aan dat verdachte geen enkele medewerking heeft willen verlenen aan een gedragskundig onderzoek in het Pieter Baan Centrum. Hierdoor kon slechts op basis van observaties en beschikbare informatie geconcludeerd worden dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychiatrische stoornis bij verdachte. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een stemmingsstoornis of een angststoornis. In het Pieter Baan Centrum maakte de verdachte geen impulsieve of ontremde indruk. Een persoonlijkheidsstoornis kon niet worden vastgesteld noch met zekerheid worden uitgesloten. Het hof maakt deze conclusies van de deskundigen tot de zijne. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden aangemerkt.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffend Uittreksel Justitiele Documentatie van 12 mei 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is het hof van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur dient te worden opgelegd. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting gewezen op een reeks uitspraken waar met het onder 1 ten laste gelegde vergelijkbare bewezen geachte feiten tot een andere uitkomst hebben geleid. Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak zich door de uitzonderlijke omstandigheden die deze zaak kenmerken niet of nauwelijks voor een vergelijking met andere zaken leent en baseert zijn oordeel op de specifieke omstandigheden van dit geval. De uitzonderlijke omstandigheden van deze zaak zijn voor het hof aanleiding om de verdachte een hogere vrijheidsbenemende straf op te leggen dan doorgaans ten aanzien van feiten als zijn bewezen verklaard pleegt te worden opgelegd. Een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd, wijkt echter in zodanige mate af van de gangbare straftoemeting, zeker gelet op de straffen die voor voltooide levensdelicten plegen te worden opgelegd, dat het hof, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht.

Daarbij neemt het hof nog het volgende in aanmerking.

Door de rechtbank is bewezen verklaard dat de verdachte ter uitvoering van zijn voornemen zijn dochter van het leven te beroven haar niet alleen heeft verwond met de zaklantaarn en de hamer, maar ook haar in een plastic zak heeft gedaan en in een put gestopt. In hoger beroep heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot een bewezenverklaring van ook deze handelingen. Zoals hiervoor overwogen, zijn deze laatste handelingen evenwel niet aan te merken als uitvoeringshandelingen van de poging tot moord. Daaraan staat immers in de weg dat aan te nemen valt dat de verdachte meende dat hij zijn dochter reeds om het leven had gebracht.

De omstandigheid dat [slachtoffer], na door haar vader zwaar te zijn verwond, in een plastic zak in een put is gestopt, alwaar zij urenlang heeft verbleven alvorens erin te slagen zich te bevrijden, is niettemin aan te merken als een omstandigheid waaronder het bewezen verklaarde is begaan en is medebepalend voor de ernst van het door de verdachte begane misdrijf. Toch is dit handelen, hoe verschrikkelijk ook, van een andere orde dan indien de verdachte welbewust zijn dochter, teneinde haar een gruwelijk einde te bezorgen, in de put had gestopt. In dat scenario zou de eis van de advocaat-generaal zonder meer recht doen aan de ernst van het feiten. Nu echter de toedracht een andere is geweest dan in de door de advocaat-generaal voorgestane conclusie, dient daarmee bij de bepaling van de straf rekening te worden gehouden.

In hoger beroep is naar voren gekomen dat een deel van de ernstige verwondingen van [slachtoffer] het gevolg zijn geweest van haar pogingen zich te bevrijden. De verdachte heeft met deze gang van zaken kennelijk geen rekening gehouden, maar het ernstig hersenletsel dat het slachtoffer heeft bekomen, staat in zodanig verband met de bewezen verklaarde poging tot moord en de omstandigheden waaronder die poging is begaan dat dit gevolg aan de verdachte geheel is toe te rekenen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 245 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt EUR 9.675,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 5.175,-.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 9.675,- (negenduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit EUR 175,- (honderdvijfenzeventig euro) materiele schade en EUR 9.500,- (negenduizend vijfhonderd euro) immateriele schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiele schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriele schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 9.675,- (negenduizend zeshonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit EUR 175,- (honderdvijfenzeventig euro) materiele schade en EUR 9.500,- (negenduizend vijfhonderd euro) immateriele schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 83 (drieentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2009 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1.00 STK Telefoontoestel, Kl: zwart, SAMSUNG, 14557, batterij mobiele telefoon.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel en mr. P.A.M. Hoek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juni 2011.