Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8545

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
200.073.654-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

criteria vernietiging erkenning vaderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 22 maart 2011 in de zaak met zaaknummer 200.073.654/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. M. Mahadew te Amsterdam,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. S.S. Jangali te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de moeder genoemd.

1.2. Mr. P. Moraal-Roos, kantoorhoudende te Amstelveen en bij beschikking van 16 december 2009 van de rechtbank Amsterdam benoemd tot bijzonder curator (hierna: de bijzonder curator) over na te noemen minderjarigen, is belanghebbende.

1.3. De man is op 17 september 2010 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juni 2010 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 445683 / FA RK 09-9630 (AW HH).

1.4. De bijzonder curator heeft op 20 december 2010 een reactie op het hoger beroep van de man ingediend.

1.5. De zaak is op 27 januari 2011 ter terechtzitting behandeld.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de bijzonder curator.

1.7. De hoofd advocaat-generaal is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Uit de moeder zijn geboren […] (hierna: [kind A]) [in] 2004 en […] (hierna: [kind B]) [in] 2006 (hierna tevens: de kinderen). De man heeft de kinderen respectievelijk op 13 april 2004 en 16 november 2005 erkend.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man tot vernietiging van de door hem verrichte erkenning van [kind A] op 13 april 2004 en die van [kind B] op 6 november 2005 afgewezen.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog zijn inleidend verzoek toe te wijzen.

3.3. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De man stelt - kort gezegd - dat hij niet de biologische vader van de kinderen is en dat hij door de vrouw is misleid omtrent haar ware beweegredenen voor een erkenning door de man van beide kinderen, namelijk het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor de kinderen en daarmee een verblijfstitel voor de kinderen en de vrouw. Nu de man op grond van deze verkeerde voorstelling van zaken tot erkenning is overgegaan, is sprake van dwaling dan wel bedrog, zodat zijn verzoek tot vernietiging toewijsbaar is.

4.2. De vrouw betwist de stellingen van de man. Zij voert aan dat de man voorafgaande aan de erkenning wist dat hij niet de biologische vader is van de kinderen en dat hij haar en de kinderen heeft willen helpen door de kinderen te erkennen. De kinderen beschouwen de man als hun vader, aldus de moeder.

4.3. De bijzonder curator bevestigt dat de man ten aanzien van de erkenning van de kinderen wist dat hij niet de biologische vader was. De biologische vader van de kinderen is onbekend, zodat de kinderen er belang bij hebben dat de huidige juridische situatie in stand blijft. De bijzonder curator refereert zich aan het oordeel van het hof.

4.4. Ingevolge artikel 1:205 lid 1, sub b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een verzoek tot vernietiging van de erkenning, op de grond dat de erkenner niet de biologische vader van het kind is, bij de rechtbank worden ingediend door de erkenner, indien hij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens zijn minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden bewogen is toestemming tot de erkenning te geven.

Geldende jurisprudentie is dat voor een op dwaling gegrond verzoek tot vernietiging van de erkenning, doch ook voor het op het wilsgebrek bedrog gegronde verzoek geldt, dat het verzoek niet voor toewijzing vatbaar is ingeval bij de erkenner geen sprake is geweest van een valse voorstelling van zaken. Die voorstelling van zaken ziet toe op het biologisch vaderschap.

4.5. Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de man beide kinderen voor de geboorte heeft erkend. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat partijen enige jaren met de kinderen in gezinsverband hebben samengewoond. Ter zitting is voorts gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de man niet de biologische vader van de kinderen is en dat hij de moeder en de kinderen heeft willen helpen door de kinderen te erkennen, zoals ook door de moeder is gesteld. Immers, partijen hebben elkaar leren kennen toen de moeder vijf maanden zwanger was van [kind A] en zij zijn enige tijd uit elkaar geweest, waarna de moeder - naar eigen zeggen - zwanger van [kind B] bij de man is teruggekeerd.

Gelet op het voorgaande is bij de man op het moment van erkenning van de kinderen ten aanzien van het biologisch vaderschap geen sprake geweest van een onjuiste voorstelling van zaken, zodat een beroep op dwaling dan wel bedrog niet kan slagen. Het verzoek van de man tot vernietiging van de erkenning op grond van artikel 1:205 lid 1, sub b BW moet daarom worden afgewezen. De omstandigheid dat de man de eventuele financiële consequenties van zijn erkenning destijds niet (goed) heeft overzien, maakt dit niet anders.

Opgemerkt wordt dat - blijkens onbetwiste mededeling van de moeder ter zitting - de biologische vader van de kinderen geheel buiten beeld is en dat de man door de kinderen als hun vader wordt gezien. Het is dan ook in het belang van de kinderen dat de huidige juridische situatie in stand blijft. Gelet op al het voorgaande wordt de bestreden beschikking bekrachtigd.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, H.S.G. Verhoeff en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2011.