Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8090

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
16-06-2011
Zaaknummer
23-002822-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2009:BI7195, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van gijzeling en medeplegen van het voorbereiden of het bevorderen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen. Een drugskoerier die zonder drugs terugkomt wordt enkele dagen vastgehouden en mishandeld, terwijl zijn familie onder druk wordt gezet om de drugs te leveren dan wel een geldbedrag te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002822-09

datum uitspraak: 27 januari 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2009 in de strafzaak onder parketnummer 13-477046-08 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum],

thans gedetineerd in [adres].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van het openbaar ministerie is, blijkens de appelschriftuur van 29 mei 2009, ingediend op 4 juni 2009, van de advocaat-generaal, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen tot vrijspraak van het onder 2 en 5 ten laste gelegde.

Ook het hoger beroep van de verdachte is, zo blijkt uit de appelschriftuur van 11 juni 2009 en de mededeling van de raadsman ter terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissingen tot vrijspraak van het onder 2 en 5 ten laste gelegde en evenmin tegen de beslissing tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde.

Dit betekent dat in hoger beroep enkel nog aan de orde is het aan de verdachte onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 7 en 8 mei 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 24 juni 2010 en 7 en 9 december 2010 en 13 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen van de tenlastelegging is, voor zover thans nog aan de orde, aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten [familielid 1] en/of [familielid 2] en/of [familielid 3], althans een of meer familieleden van die [het slachtoffer], te dwingen (om binnen een dag) 90.000 euro naar Amsterdam te brengen en/of aan verdachte en/of zijn mededader(s) te betalen of 3 kilogram cocaïne te leveren aan verdachte en/of zijn mededader(s), althans iets te doen of niet te doen, immers heeft hij, verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (toen en/of nadat duidelijk werd dat die [het slachtoffer] geen cocaïne bij zich had en/of geen cocaïne uit het buitenland had meegenomen)

- die [het slachtoffer] onder bedreiging van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp de woorden toegevoegd: "I will cut you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- die [het slachtoffer] (meermalen) met kracht tegen het hoofd, althans het lichaam, geslagen en/of gestompt, en/of

- die [het slachtoffer] vanuit een woning (te weten [adres 1]), gedwongen in een auto (te weten een snorder/taxi) te stappen en/of

- die [het slachtoffer] gedwongen een andere woning (te weten [adres 2]) binnen te gaan, en/of

- die [het slachtoffer] (aldaar) tegen zijn wil vastgebonden en/of vastgehouden, en/of

- met voornoemde familieleden van die [het slachtoffer] gebeld, al dan niet door tussenkomst van [medeverdachte A] en/of [het slachtoffer], en gezegd dat er binnen een dag 90.000 euro naar Amsterdam gebracht moest worden en/of aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) betaald moest worden of 3 kilogram cocaïne aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) geleverd moest worden, en/of dat voornoemde [het slachtoffer] gedood zou worden wanneer voornoemd bedrag niet betaald en/of voornoemde hoeveelheid cocaïne niet geleverd zou worden;

Feit 1 subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [het slachtoffer], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (toen en/of nadat duidelijk werd dat die [het slachtoffer] geen cocaïne bij zich had en/of geen cocaïne uit het buitenland had meegenomen)

- die [het slachtoffer] onder bedreiging van een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp de woorden toegevoegd: "I will cut you", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- die [het slachtoffer] (meermalen) met kracht tegen het hoofd, althans het lichaam, geslagen en/of gestompt, en/of

- die [het slachtoffer] vanuit een woning (te weten [adres 1]), gedwongen in een auto (te weten een snorder/taxi) te stappen en/of

- die [het slachtoffer] gedwongen een andere woning (te weten [adres 2]) binnen te gaan, en/of

- die [het slachtoffer] (aldaar) tegen zijn wil vastgebonden en/of vastgehouden;

Feit 3 primair

hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 3 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, tezamen en in vereniging met een of meer van zijn mededader(s), met dat opzet

- [het slachtoffer] gehuisvest in zijn woning, althans de woning van zijn mededader en/of

- [het slachtoffer] de opdracht gegeven om naar Sao Paolo (Brazilië) te reizen, om aldaar de voornoemde cocaïne (van een tot op heden onbekend gebleven persoon) in ontvangst te nemen, en vervolgens (via Lissabon (Spanje)) terug te keren naar Amsterdam, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voorafgaand aan het vertrek van die [het slachtoffer] (naar Sao Paolo (Brazilië)) - de personalia van die [het slachtoffer] heeft/hebben gevraagd en/of opgeschreven en/of

- voor die [het slachtoffer] een (vlieg)ticket heeft/hebben gekocht en/of

- aan die [het slachtoffer] (ongeveer) 400 euro heeft/hebben (mee)gegeven en/of

- die [het slachtoffer] heeft/hebben uitgelegd hoe hij de cocaïne (terug) naar Amsterdam moest vervoeren, en/of

- die [het slachtoffer] een beloning in het vooruitzicht heeft/hebben gesteld, en/of

- ten behoeve van het drugstransport telefonisch contact heeft/hebben onderhouden met die [het slachtoffer] en/of een of meer andere mededader(s) in Brazilië, en/of

- die [het slachtoffer] in Brazilië van een hoeveelheid cocaïne heeft/hebben voorzien, in een daartoe geprepareerd kledingstuk;

Feit 3 subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 30 oktober 2008 te Amsterdam, althans Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, als bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, vervaardigen en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 3 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s)

- [het slachtoffer] gehuisvest in zijn en/of van zijn mededader(s) woning en/of

- [het slachtoffer] de opdracht gegeven om naar Sao Paolo (Brazilië) te reizen om daar de voornoemde cocaïne (van een tot op heden onbekend gebleven persoon) in ontvangst te nemen, en om vervolgens (via Lissabon (Portugal)) terug te keren naar Amsterdam, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voorafgaand aan het vertrek van die [het slachtoffer] (naar Sao Paolo (Brazilië))

- de personalia van die [het slachtoffer] heeft/hebben gevraagd en/of opgeschreven en/of

- voor die [het slachtoffer] een (vlieg)ticket heeft/hebben gekocht

- aan die [het slachtoffer] (ongeveer) 400 euro heeft/hebben meegegeven en/of

- die [het slachtoffer] heeft/hebben uitgelegd hoe hij de cocaïne (terug) naar Amsterdam moest vervoeren, en/of

- die [het slachtoffer] een beloning in het vooruitzicht heeft/hebben gesteld, en/of

- ten behoeve van het drugstransport telefonisch contact heeft/hebben onderhouden met die [het slachtoffer] en/of een of meer andere mededader(s) in Brazilië, en/of

- die [het slachtoffer] in Brazilië van een hoeveelheid cocaïne heeft/hebben voorzien, in een daartoe geprepareerd kledingstuk;

Feit 4:

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2008 tot en met 21 september 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, (ongeveer) 8939,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk, [X] de opdracht gegeven om (via een tussenstop in Lissabon, Portugal) naar Sao Paulo (Brazilië) te reizen, om aldaar de voornoemde cocaïne op te halen, en die cocaïne vervolgens weer terug te brengen naar Amsterdam, waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) [X] (voorafgaand aan de reis naar Brazilië) heeft geïnstrueerd om (ongeveer) 100 slikbolletjes in te slikken/nemen, en/of de opdracht gegeven om diverse slikbolletjes in te slikken/nemen, en/of aan voornoemde [X] een (vlieg)ticket heeft/hebben afgegeven, en/of voornoemde [X] (vooraf) aanwijzingen heeft/hebben gegeven over de reis naar Brazilië en de reis terug naar Amsterdam, en/of voornoemde [X] een mobiele telefoon en (ongeveer) 1500 euro heeft/hebben (mee)gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof tot een - op onderdelen - andere bewezenverklaring komt.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 3 primair:

Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof hetgeen onder 3 primair ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4:

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van [X] met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het cocaïnetransport vanuit Brazilië door [X] onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, zodat, nu [X] niet door de verdediging is kunnen worden ondervraagd, de verdachte van dit feit moet worden vrijgespoken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair

hij in de periode van 25 oktober 2008 tot en met 29 oktober 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk anderen, te weten [familielid 1] en/of [familielid 2] en/of [familielid 3], te dwingen 90.000 euro aan verdachte en zijn mededaders te betalen of 3 kilogram cocaïne te leveren aan verdachte en zijn mededaders, immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, toen duidelijk werd dat die [het slachtoffer] geen cocaïne uit het buitenland had meegenomen

- die [het slachtoffer] onder bedreiging van een mes de woorden toegevoegd: "I will cut you", en

- die [het slachtoffer] meermalen tegen het lichaam geslagen en/of gestompt, en

- die [het slachtoffer] vanuit een woning, te weten [adres 1], gedwongen in een auto te stappen en

- die [het slachtoffer] gedwongen een andere woning, te weten [adres 2], binnen te gaan, en

- die [het slachtoffer] aldaar tegen zijn wil vastgebonden en vastgehouden, en

- met familieleden van die [het slachtoffer] gebeld, al dan niet door tussenkomst van [medeverdachte A] en/of [het slachtoffer], en gezegd dat er 90.000 euro aan hem, verdachte, en zijn mededaders betaald moest worden of 3 kilogram cocaïne aan hem, verdachte, en zijn mededaders geleverd moest worden, en dat voornoemde [het slachtoffer] gedood zou worden wanneer voornoemde hoeveelheid cocaïne niet geleverd zou worden;

Feit 3 subsidiair

hij in de periode van 1 oktober 2008 tot en met 25 oktober 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 3 kilogram cocaïne, voor te bereiden en te bevorderen, een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, hebbende verdachte en zijn mededaders

- [het slachtoffer] gehuisvest in zijn woning en

- [het slachtoffer] de opdracht gegeven om naar Sao Paolo (Brazilië) te reizen om daar de voornoemde cocaïne van een tot op heden onbekend gebleven persoon in ontvangst te nemen en om vervolgens terug te keren naar Amsterdam, waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededaders, voorafgaand aan het vertrek van die [het slachtoffer] naar Sao Paolo (Brazilië)

- de personalia van die [het slachtoffer] heeft/hebben gevraagd en opgeschreven en

- voor die [het slachtoffer] een vliegticket heeft/hebben gekocht en

- aan die [het slachtoffer] 400 euro heeft/hebben meegegeven en

- die [het slachtoffer] heeft/hebben uitgelegd hoe hij de cocaïne terug naar Amsterdam moest vervoeren, en

- die [het slachtoffer] een beloning in het vooruitzicht heeft/hebben gesteld, en

- ten behoeve van het drugstransport telefonisch contact heeft/hebben onderhouden met die [het slachtoffer], en

- die [het slachtoffer] in Brazilië van een hoeveelheid cocaïne heeft/hebben voorzien, in een daartoe geprepareerd kledingstuk.

Hetgeen onder 1 primair en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 primair:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte niet bewust heeft meegewerkt aan het doen voortduren van de vrijheidsberoving van [het slachtoffer] en dat hij om die reden van het medeplegen van gijzeling dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders zodanig nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen. Het hof wijst hierbij in het bijzonder op de volgende omstandigheden:

- de verdachte was betrokken bij de organisatie van het door [het slachtoffer] uit te voeren drugstransport van Brazilië naar Nederland;

- de verdachte heeft [het slachtoffer] na zijn terugkeer uit Brazilië met een auto opgehaald in Duivendrecht;

- hij was aanwezig toen [het slachtoffer] in zijn woning aan [adres 1] mededeelde zonder drugs te zijn teruggekomen;

- daarop zijn de verdachte en zijn partner [medeverdachte A] boos geworden op [het slachtoffer], hebben zij ruzie met hem gemaakt en heeft de verdachte vervolgens samen met zijn partner [medeverdachte A] [medeverdachte B] gebeld;

- kort na dat telefoongesprek zijn [medeverdachte B] en [medeverdachte C] de woning van de verdachte binnengekomen;

- [het slachtoffer] is in de woning van de verdachte, [adres 1], geslagen en bedreigd met een mes;

- op aandringen van de verdachte en zijn partner is [het slachtoffer] door [medeverdachte B] en [medeverdachte C] uit hun woning meegenomen;

- de verdachte is in de dagen daarna zeker tweemaal in de woning aan [adres 2] geweest, waarvan eenmaal na door [medeverdachte B] te zijn opgebeld;

- aldaar heeft hij gezien dat [het slachtoffer] was vastgebonden en dat [het slachtoffer] in de badkamer lag;

- hij was erbij toen de familie van [het slachtoffer] werd gebeld;

- de verdachte is meegegaan naar Duivendrecht om daar op aanwijzing van [het slachtoffer] in de bosjes naar de “verdwenen” drugs te zoeken, terwijl niet aannemelijk is geworden dat hij - zoals later door hem is verklaard – dit deed om [het slachtoffer] te helpen ontsnappen.

Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals de raadsman ter terechtzitting heeft benadrukt, [het slachtoffer] op 30 oktober 2008 in het ziekenhuis tegenover de politie heeft verklaard dat de verdachte en zijn partner [medeverdachte A] hem hadden geholpen. In zijn latere verklaringen heeft [het slachtoffer] immers beduidend minder positief verklaard over de rol van de verdachte en zijn partner in de gijzeling. Bovendien was [het slachtoffer] na dagenlang te zijn mishandeld op [adres 2] in de woning van de verdachte aan [adres 1] teruggekeerd alwaar de mishandelingen niet werden voortgezet en moet de door de [het slachtoffer] op 30 oktober 2008 afgelegde verklaring in het licht van die omstandigheden worden bezien.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

Door de raadsman is aangevoerd dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor de betrokkenheid van de verdachte bij de voorbereiding van het door [het slachtoffer] uit te voeren drugstransport, nu die betrokkenheid alleen kan volgen uit de door [het slachtoffer] afgelegde verklaringen - die tegenstrijdig zijn - en de verklaring van [de getuige], zodat de verdachte van het hem onder 3 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De door [het slachtoffer] afgelegde verklaringen zijn in hoofdlijnen consistent; er zijn in die verklaringen geen tegenstrijdigheden te onderkennen die bewijsuitsluiting wegens onbruikbaarheid daarvan tot gevolg zouden moeten hebben. Voorts vinden die verklaringen voor wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het onderhavige feit steun in de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte A] en [medeverdachte B], zodat niet gezegd kan worden dat onvoldoende bewijs voorhanden is. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

medeplegen van gijzeling

ten aanzien van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde

medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, door een ander gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en 4 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

In de periode van 1 oktober 2008 tot en met 25 oktober 2008 heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een drugsdelict door voorbereidingshandelingen te verrichten die op de invoer van 3 kilogram cocaïne waren gericht. Hij was betrokken bij de opdacht aan [het slachtoffer] tot het verrichten van dit transport en heeft hem hierbij geholpen door het verstrekken van middelen en door hem naar Schiphol te begeleiden.

Cocaïne is een voor de gezond¬heid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. De hoeveelheid cocaïne op de invoer waarvan de voorbereidingshandelingen waren gericht vertegenwoordigt een aanzienlijke waarde en de aanzienlijke hoeveelheid duidt erop dat deze bestemd was voor verdere verspreiding en handel. Kennelijk heeft de verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

Tevens heeft de verdachte, nadat [het slachtoffer] zonder cocaïne in zijn woning was teruggekeerd, zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan gijzeling van die [het slachtoffer]. Tijdens de meerdere dagen durende gijzeling bevond [het slachtoffer] zich in een weerloze positie doordat hij (nagenoeg) constant vastgebonden was. De gijzeling is gepaard gegaan met stelselmatig (grof) geweld. Hoewel moet worden aangenomen dat de verdachte zelf geen geweld heeft toegepast, is hij er wel getuige van geweest dat [het slachtoffer] in zijn woning is geslagen en met een mes is bedreigd. Dat hij er vervolgens bij degenen die [het slachtoffer] hadden geslagen en bedreigd op heeft aangedrongen om hem mee te nemen uit zijn woning, rekent het hof de verdachte zwaar aan. Voorts wordt het de verdachte zwaar aangerekend dat hij, toen hij met eigen ogen had gezien dat [het slachtoffer] in de woning van zijn mededaders [medeverdachte B] en [medeverdachte C] was vastgebonden en dat [het slachtoffer] in de badkamer lag alwaar de meest vernederende mishandelingen hebben plaatsgevonden, geen actie heeft ondernomen om hem te (doen) bevrijden, hoewel daartoe in de gelegenheid was. Het was de verdachte die samen met zijn partner [medeverdachte A] contact had met [medeverdachte B]: de verdachte heeft samen met [medeverdachte A] [medeverdachte B] gebeld nadat [het slachtoffer] zonder drugs was aangekomen en na een telefoontje van [medeverdachte B] is de verdachte naar de woning gekomen waarin [het slachtoffer] werd vastgehouden.

De verdachte had dus weliswaar een andere rol in de gijzeling dan mededaders [medeverdachte B] en [medeverdachte C], maar dat neemt niet weg dat de verdachte door zijn handelwijze eraan heeft bijgedragen dat aan het slachtoffer letsel is toegebracht, dat een grove inbreuk op zijn bewegingsvrijheid is gemaakt en dat hem vrees is aangejaagd. De gewelddadige en vernederende wijze waarop te werk is gegaan en de aanzienlijke duur van de vrijheidsberoving, maakt dat – naar de ervaring leert – het leven van het slachtoffer daardoor nog langdurig kan worden beïnvloed. Ook moet de situatie voor de familieleden van het slachtoffer die door de telefoongesprekken direct werden geconfronteerd met de mishandelingen zeer beangstigend zijn geweest. Bovendien hebben zij gedurende meerdere dagen in onzekerheid verkeerd over het lot van hun familielid.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 december 2010 is de verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 10a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 282a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 3 subsidiair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.P.E. Meewisse, mr. E. Mijnsberge en mr. A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van mr. H. Zorge, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2011.