Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8064

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
200.083.505-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht, griffierecht. Toevoeging niet tijdig overgelegd. Tekst op de nota van het hof kan verwarring scheppen, maar ontslaat verzoeker niet van zijn taak de toevoeging tijdig over te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

op het verzet op grond van art. 25 van de inmiddels vervallen Wet tarieven in burgerlijke zaken (Wtbz) van:

1. [ Verzoekster ], wonende te [ Z ], gemeente [ H ] en

2. mr. T.P. Schut, kantoorhoudende te Amsterdam,

verzoekers.

1. De procedure

Bij op 8 maart 2011 door de griffie ontvangen verzoekschrift zijn verzoekers in verzet gekomen tegen de hierna te noemen beslissing van de griffier van dit hof van 7 februari 2011.

Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

2. Bestreden beslissing

Bij beslissing van 7 februari 2011 heeft de griffier van dit hof in de zaak met zaaknummer 200.073.095/01 de beslissing het volledige griffierecht te heffen gehandhaafd, omdat niet (tijdig) een kopie van de (definitieve) toevoeging is overgelegd.

De zaak betreft een hoger beroep in een schuldsaneringzaak.

3. Verzoek

Verzoekers maken bezwaar tegen het in rekening brengen van het volledige griffierecht. Daarbij stelt verzoeker sub 2 dat hij pas op 13 januari 2011 de nota met het volledige griffierecht daarop vermeld heeft ontvangen en dat hij naar aanleiding daarvan de toevoeging heeft opgestuurd. Op de nota van het hof staat vermeld dat cliënte in aanmerking kan komen voor een toevoeging. Aan verzoeker sub 2 is niet bekend dat de toevoeging eerder overgelegd zou moeten worden, te meer gezien de tekst op de achterzijde van de nota. Verzoekers verzoeken het griffierecht aan te passen.

4. Beoordeling

4.1. Ingevolge artikel 17 lid 1 van de Wtbz wordt het verschuldigde griffierecht voor drievierde deel in debet gesteld indien op het tijdstip waarop het griffierecht wordt verschuldigd – ex artikel 2 lid 1 Wtbz voor de verzoeker in een verzoekschriftprocedure bij indiening van het verzoekschrift - een afschrift van de toevoeging is overgelegd. Blijkens de toelichting op artikel 17 lid 1 Wtbz wordt ook toegestaan dat een mededeling wordt gedaan dat de toevoeging is aangevraagd. Ingevolge artikel 29 van de Wet op de Rechtsbijstand dient het afschrift van het besluit van toevoeging zo spoedig mogelijk te worden overgelegd, maar in ieder geval voordat de einduitspraak is gedaan.

4.2. In deze zaak staat vast dat verzoekers mededeling hebben gedaan van de aanvraag tot een toevoeging ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in hoger beroep op 7 september 2010 onder nummer 200.073.095/01.

De zaak is op 5 oktober 2010 ter terechtzitting behandeld. Op 19 oktober 2010 is vervolgens einduitspraak gedaan. Pas bij brief van 31 januari 2011 van verzoeker sub 2 is de toevoeging overgelegd. Uit deze toevoeging blijkt dat de aanvraag voor toevoeging door verzoekers op 7 september 2010 is gedaan en dat de definitieve toevoeging op 24 september 2010 is afgegeven.

4.3. Gelet op het voorgaande kunnen verzoekers geen beroep (meer) doen op de bepaling dat het griffierecht voor drievierde deel in debet zal worden gesteld omdat een toevoeging voor verzoekster sub 1 is afgegeven. Verzoekers hadden immers zo spoedig mogelijk na de afgifte ervan doch in ieder geval voor de einduitspraak van 19 oktober 2010 de toevoeging moeten overleggen, hetgeen verzoeker sub 2 heeft nagelaten.

4.4. Dat op de achterkant van de nota van het hof staat vermeld dat cliënten in aanmerking kunnen komen voor een verlaagd tarief griffierecht en dit inderdaad bij leken verwarring kan scheppen, ontslaat verzoeker sub 2, een professional op het gebied van het recht, niet van zijn taak om de toevoeging tijdig aan het hof te overleggen.

De omstandigheid dat bij het hof onbekend is gebleven dat voor verzoekster sub 1 een toevoeging was verleend, is een omstandigheid die voor risico van verzoekers moet blijven, aangezien van verzoeker sub 2 verlangd mag worden dat hij bekend is met de hier geldende wettelijke regels en dat hij zijn kantoorvoering aldus inricht dat die regels kunnen worden nageleefd. Bovendien is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot het oordeel dat verzoeker sub 2 niet in de gelegenheid was de toevoeging tijdig over te leggen. Ook overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die alsnog tot het door verzoekers gewenste gevolg nopen.

Het verzet is derhalve ongegrond.

5. Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.J.M Smit,

A.M.A. Verscheure en C. Uriot en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 maart 2011.