Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8062

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
200.081.554-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht, griffierecht, wgbz. Echtscheiding met nevenvoorzieningen. Boedelscheiding is afgesplitst en is daarmee een afzonderlijk geding geworden waartegen een afzonderlijk beroep is ingesteld. Dat de twee beroepen betrekking hebben op dezelfde zaak in eerste aanleg, maakt dat niet anders. Tweemaal griffierecht verschuldigd derhalve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ELFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

op het verzet op grond van artikel 29 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz)van:

1. [ Verzoeker ], wonende te [ A ] en

2. mr. H. LOONSTEIN, advocaat te Amsterdam,

verzoekers.

1. De procedure

Bij op 3 februari 2011 ter griffie ontvangen verzoekschrift zijn verzoekers in verzet gekomen tegen de hierna te noemen beslissing van de griffier van dit hof.

Het hof heeft beschikking bepaald op heden.

2. Bestreden beslissing

Bij (mondelinge) beslissing van 2 februari 2011 heeft de griffier van dit hof in de zaak met zaaknummer 200.079.891/01 de beslissing griffierecht te heffen gehandhaafd, omdat voor elk verzoekschrift griffierecht wordt geheven.

3. Verzoek

Verzoekers maken bezwaar tegen de beslissing van de griffier, stellende dat zij het niet eens zijn met het geheven griffierecht in de zaak met nummer 200.079.891/01. Volgens verzoekers betreft het hier een beroep tegen een tussenbeschikking in een zaak die reeds aanhangig was bij het hof onder nummer 200.041.088/01 en is daarom slechts eenmaal griffierecht verschuldigd. Appellant stelt dat er anders sprake is van een ongerechtvaardigd verschil in de behandeling van dagvaarding- en verzoekschriftzaken.

4. Beoordeling

4.1. Bij verzoekschrift van 10 januari 2008 heeft de ex-echtgenote van verzoeker sub 1 de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen, waaronder het verzoek de boedelscheiding tussen partijen te bewerkstelligen met inachtneming van de huwelijkse voorwaarden. Verzoeker sub 1 heeft verweer gevoerd en heeft eveneens verzocht nevenvoorzieningen te treffen.

Deze zaak is ingeschreven onder nummer 388468 FA RK 08-233. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2008 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, een verzoek afgewezen en de zaak voor het overige aangehouden. De afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft de rechtbank “aan zich gehouden en afgesplitst”. In de opvolgende beschikking van de rechtbank van 24 december 2008 is bepaald dat de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden is afgesplitst, een eigen rekestnummer heeft gekregen 413854 FA RK 08-9385 en afzonderlijk ter terechtzitting zal worden behandeld. Vervolgens heeft de rechtbank op 27 mei 2009 een eindbeschikking gegeven met betrekking tot de overige gevraagde nevenvoorzieningen en de beslissing met betrekking tot de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

Tegen bovengenoemde eindbeschikking hebben verzoekers op 25 augustus 2009 hoger beroep ingesteld, welke zaak is geregistreerd bij het hof onder nummer 200.041.088/01.

In de zaak met betrekking tot de boedelscheiding en afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zijn op 6 oktober 2010 en 22 december 2010 (tussen)beschikkingen van de rechtbank Amsterdam gegeven. Hiertegen hebben verzoekers bij verzoekschrift van 5 januari 2011 hoger beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder nummer 200.079.891/01.

4.2. De vraag is of het gerechtvaardigd is dat voor de twee verzoekschriften in hoger beroep afzonderlijk griffierecht wordt geheven. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Het uitgangspunt is dat voor iedere indiening van een verzoekschrift griffierecht geheven wordt. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt in geval een verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dat geding betrekking heeft (artikel 4 lid 2 onder e Wgbz).

Naar het oordeel van het hof is daarvan in dit geval geen sprake. Het gaat immers niet om een verzoekschrift dat in de loop van een aanhangig geding in hoger beroep wordt ingediend, maar om twee afzonderlijke beroepen tegen verschillende beslissingen van de rechtbank en daarmee om verschillende gedingen. Dat die beroepen betrekking hebben op dezelfde zaak in eerste aanleg, maakt dat niet anders.

4.3. Ook overigens is niet gebleken van omstandigheden die leiden tot het oordeel dat verzoekers slechts eenmaal griffierecht verschuldigd zijn en die alsnog tot het door verzoekers gewenste gevolg nopen. Het verzet is daarom ongegrond.

5. Beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J.J. Los, W.J. van den Bergh en G.C.C. Lewin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 maart 2011.