Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ8010

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
15-06-2011
Zaaknummer
200.075.898
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease; “WinstVerDriedubbelaar”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer 200.075.898

zaaknummer rechtbank 600846 UC EXPL 08-16196 DJ/512

arrest van de zesde civiele kamer van 17 mei 2011

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. A.J. van Ommeren,

tegen:

de vennootschap naar buitenlands recht,

Varde Investments (Ireland) Limited,

gevestigd te Dublin, Ierland,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.C.M. Ouwens.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 24 februari 2010 en 7 juli 2010 die de rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, tussen appellante (hierna ook te noemen: [appellante]) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Varde) als eiseres heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 27 september 2010 Varde aangezegd van het vonnis van 7 juli 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Varde voor dit hof.

Bij herstelexploot van 14 oktober 2010 heeft [appellante] Varde opgeroepen te verschijnen voor het gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 2 november 2010 heeft dat hof zich ter zake van dit hoger beroep onbevoegd verklaard en de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, verwezen naar het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem.

2.2 Bij de dagvaarding in hoger beroep heeft [appellante] vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, Varde alsnog in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van Varde in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Varde de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van (bedoeld zal zijn) het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd; alleen Varde heeft de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3. De vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in haar vonnis van 24 februari 2010 onder 1.1 tot en met 1.6 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

[appellante] heeft met de rechtsvoorganger van Dexia Nederland Bank N.V. (hierna: Dexia) op 31 mei 2000 een effectenleaseovereenkomst met betrekking tot het product “WinstVerDriedubbelaar”, onder het contractnummer [...] gesloten. Bij die overeenkomst (hierna: de overeenkomst) leende [appellante] een geldbedrag van haar wederpartij (hier eveneens aangeduid als Dexia). Daarmee zijn effecten aangekocht die [appellante] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [appellante], naar in de overeenkomst is vermeld, rente verschuldigd. De overeenkomst kende een looptijd van drie jaar. Aan het einde daarvan heeft Dexia de effecten verkocht. De opbrengst was onvoldoende ter voldoening van de leenschuld, zodat ten laste van [appellante] een restschuld bleef bestaan.

Aangezien [appellante] geboren is op [geboortedatum] 1983, was zij bij het sluiten van de overeenkomst nog minderjarig in de zin van artikel 1:233 BW. Zij stelt zonder toestemming van haar wettelijke vertegenwoordiger die rechtshandeling te hebben verricht en op die grond, eerst bij brief van 3 juli 2003 aan Dexia en vervolgens wederom bij brief van 13 juli 2005 aan Dexia, de overeenkomst te hebben vernietigd. Dexia heeft de vernietiging van de overeenkomst niet aanvaard.

Bij beschikking van dit gerechtshof van 25 januari 2007 (LJN AZ7033) is de als zodanig bekende WCAM-overeenkomst verbindend verklaard. Het onderhavige product valt daaronder. [appellante] heeft geen gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om door middel van een opt out-verklaring haar rechtsverhouding tot Dexia aan de werking van de aldus verbindend verklaarde vaststellingsovereenkomst te onttrekken.

Dexia heeft haar vorderingen op [appellante] bij akte van cessie van 18 december 2007 overgedragen aan Varde. Bij brief van 10 januari 2008 is hiervan mededeling gedaan aan [appellante]. Varde heeft [appellante] gedagvaard ter voldoening van de restschuld met nevenvorderingen.

4.2 De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van Varde goeddeels toegewezen en [appellante] veroordeeld tot betaling van € 2.818,97 met de wettelijke rente over € 2.284,12 vanaf 24 maart 2008 tot de voldoening, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.3 Kennelijk op grond van art. 7:907 en 7:908 lid 1 BW stelt Varde dat tussen haar en [appellante] de rechtsgevolgen van een vaststellingsovereenkomst gelden, nu de tussen enerzijds Dexia en anderzijds de gedupeerden bij aandelenlease vertegenwoordigende stichtingen of verenigingen overeengekomen zogenaamde “Duisenberg-regeling” bij beschikking van dit hof van 25 januari 2007, LJN AZ7033, verbindend is verklaard voor personen aan wie de schade is veroorzaakt en [appellante] niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 31 juli 2007, gebruik heeft gemaakt van de door art. 7:908 lid 2 BW geboden mogelijkheid om door een schriftelijke mededeling (hierna: de opt out-verklaring) te laten weten niet aan de “Duisenberg-regeling” gebonden te willen zijn. Zij stelt voorts dat [appellante] ook na opgave van hetgeen op deze basis door haar is verschuldigd, elke betaling daarvan achterwege heeft gelaten. De inleidende dagvaarding bevat een specificatie van het volgens Varde door [appellante] verschuldigde.

4.4 De onderhavige zaak betreft de toepassing van de Wet collectieve afwikkeling massaschade (Stb. 2005, 380), waarbij aan het Burgerlijk Wetboek de artikelen 7:907 tot en met 7:910 zijn toegevoegd en waarbij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is uitgebreid met titel 14 van Boek 3: Van rechtspleging in zaken betreffende de verbindendverklaring van overeenkomsten strekkende tot collectieve schadeafwikkeling.

Deze wet voorziet in de mogelijkheid om een (vaststellings)overeenkomst over de afwikkeling van een groot aantal gelijksoortige schadevorderingen (de zogeheten “massaschade”) tussen een organisatie die de belangen behartigt van de benadeelden en de aansprakelijke partij of partijen, door de rechter verbindend te laten verklaren voor alle benadeelden of een groep van hen.

4.5 Zoals tussen partijen als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist vaststaat, is tussen Dexia en een aantal organisaties die de belangen behartigden van wederpartijen van Dexia bij aandelenleaseovereenkomsten, een dergelijke overeenkomst (de WCAM-overeenkomst) gesloten en is die laatste overeenkomst bij beschikking van dit hof van 25 januari 2007, LJN: AZ7033, verbindend verklaard voor alle gerechtigden, met dien verstande dat een gerechtigde tot schadevergoeding binnen zes maanden na de aankondiging dat de beschikking onherroepelijk is geworden door middel van een schriftelijke mededeling kon laten weten niet gebonden te willen zijn. Ook staat tussen partijen vast dat die termijn afliep op 31 juli 2007 en dat [appellante] niet tijdig die mededeling heeft gedaan.

4.6 Met de grieven 3 en 4 komt [appellante] op tegen de beslissing van de rechtbank dat het voor rekening van [appellante] blijft dat zij om wat voor reden dan ook niet heeft begrepen dat zij een opt out-verklaring moest indienen om niet aan de WCAM-overeenkomst, ook bekend als de Duisenberg-regeling, gebonden te zijn. Naar [appellante] stelt, meende zij dat daartoe voldoende was dat zij geen gevolg had gegeven aan de in de brief van de Stichting Leaseverlies aan [appellante] van 30 juni 2005 vermelde mogelijkheid om door middel van een aanmeldingsformulier aan te geven of zij gebruik wilde maken van de Duisenberg-regeling. De rechtbank zou dan ook ten onrechte hebben beslist dat zij aan de WCAM-overeenkomst gebonden was.

4.7 Dit verweer baat [appellante] niet, voor zover zij zich daarmee beroept op onbekendheid met het wettelijke vereiste, zoals hiervoor vermeld onder 4.4, dat een gerechtigde, indien een overeenkomst als daar bedoeld door de rechter verbindend is verklaard, tijdig een opt out-verklaring indient, wil hij niet aan de vaststellingsovereenkomst gebonden zijn. [appellante] wordt immers geacht de wet te kennen. Bovendien beschikte zij over rechtskundige bijstand.

Voor zover [appellante] meende dat de wettelijk noodzakelijke opt out-verklaring in haar geval overbodig was, omdat zij geen gebruik had gemaakt van de bij brief van 30 juni 2005 (productie 3 bij conclusie van dupliek) via de Stichting Leaseverlies door Dexia geboden mogelijkheid om vrijwillig een vaststellingsovereenkomst overeenkomstig de Duisenberg-regeling met Dexia te sluiten, berust dit op een misverstand dat voor haar rekening moet blijven. Dat zij na het verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst zelf het initiatief moest nemen om zich aan de werking van die overeenkomst te onttrekken, berust immers op de wet. De bedoelde brief houdt geen informatie in op grond waarvan [appellante] mocht denken dat zij, na een verbindend verklaring van de Duisenberg-regeling door de rechter, niets meer behoefde te ondernemen, wilde zij in dat opzicht ongebonden blijven.

4.8 Met de grieven 1 en 2 bestrijdt [appellante] de verwerping door de rechtbank van haar beroep op vernietiging van de overeenkomst bij brief van 3 juli 2003.

4.9 Nu [appellante] bij gebreke van een tijdig ingediende opt out-verklaring, wat betreft de gevolgen van de door haar gesloten effectenlease overeenkomst, gebonden is aan de WCAM-overeenkomst, kan zij zich in rechte niet meer op vernietiging van die overeenkomst uit hoofde van minderjarigheid beroepen. De WCAM-overeenkomst bepaalt immers in artikel 14 onder meer dat de gerechtigden aan Dexia kwijting verlenen ter zake van alle vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met de geldigheid en het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten, terwijl in de eerdergenoemde beschikking van 25 januari 2007 is overwogen dat uit genoemd artikel 14 volgt dat gerechtigden die geen gebruik hebben gemaakt van de opt out-regeling ook hun vorderingen die verband houden met overeenkomsten die reeds door de belegger buitengerechtelijk zijn vernietigd, hebben prijsgegeven. De WCAM-overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst, een overeenkomst dus waarbij partijen een onzekerheid of geschil omtrent hetgeen rechtens tussen hen geldt, beëindingen door zich te binden aan een vaststelling daarvan. Nu tussen [appellante] en Dexia verschil van mening bestond over de vraag of de overeenkomst bij brief van 3 juli 2003 dan wel van 13 juli 2005 - deze laatste brief speelt in hoger beroep bij gebreke van een grief tegen de desbetreffende beslissing in eerste aanleg geen rol meer – rechtsgeldig is vernietigd, is tussen partijen sprake van onzekerheid in de bedoelde zin. Dexia heeft [appellante] op de voorgeschreven wijze mededeling gedaan van de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst en van de mogelijkheid zich aan die verbindendheid te onttrekken. [appellante] heeft daarvan geen gebruik gemaakt en is derhalve aan de WCAM-overeenkomst gebonden.

4.10 Grief 5 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat [appellante] zich niet meer kan beroepen op het schenden van de zorgplicht door Dexia bij het aangaan van de overeenkomst.

4.11 Die beslissing is juist, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen.

4.12 Het hof gaat aan het bewijsaanbod van [appellante] voorbij, aangezien het door haar gestelde – indien bewezen – niet tot een ander oordeel kan leiden.

5. Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 juli 2010;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Varde begroot op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,- voor griffierecht;

verklaart dit arrest op het punt van deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, L.M. Croes en J.J. Makkink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2011.