Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7814

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
14-06-2011
Zaaknummer
200.065.589/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht door de notaris voldoende aannemelijk gemaakt dat de levering wellicht geen doorgang zou hebben kunnen vinden indien de makelaarskosten niet door de notaris uit de verkoopopbrengst van het pand [adres] zouden zijn voldaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft klager, toen daarnaar door het hof werd gevraagd, ook aangegeven niet benadeeld te zijn door deze handelswijze van de notaris. Het hof is – evenals de kamer – van oordeel dat de notaris terecht zijn ministerie heeft geweigerd en juist als een zorgvuldig handelend notaris te werk is gegaan door de depotgelden niet uit te keren aan de Belgische belastingadministratie. Het hof is van oordeel dat de notaris niet voortvarend heeft gehandeld door bijna twee maanden te laten verstrijken alvorens weer contact op te nemen met mevrouw [L]. Aangaande het vierde klachtonderdeel is het hof – anders dan de kamer – van oordeel dat het feit dat de notaris aan klager geen “cc” heeft gestuurd van voormelde e-mail van 10 augustus 2009, hem wel degelijk te verwijten is. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart het derde en vierde klachtonderdeel zoals genoemd in 3.4. en 3.5. gegrond, verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Het hof legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 24 mei 2011 in de zaak onder nummer 200.065.589/01 NOT van:

[klager],

wonende te [ ],

APPELLANT,

t e g e n

[de notaris],

notaris te [ ],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. G.J.J.A. van Zeijl, advocaat te Maastricht.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Het hof heeft in deze zaak op 30 november 2010 een tussenbeslissing gegeven waarnaar voor het verloop van het geding tot aan die beslissing wordt verwezen.

1.2. Ter terechtzitting van 10 februari 2011 heeft de voortgezette behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Appellant, hierna klager, en geïntimeerde, hierna de notaris, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. De gemachtigde van de notaris is niet verschenen met bericht van verhindering.

2. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

3. De klacht van klager

3.1. Tijdens de voortgezette behandeling in hoger beroep heeft het hof – niet, althans onvoldoende weersproken – vastgesteld dat de klacht van klager, zoals hij deze in eerste aanleg heeft ingediend, bestaat uit vier onderdelen.

3.2. In het eerste klachtonderdeel stelt klager dat de notaris misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden als notaris, door uit de verkoopopbrengst van het door klager overgedragen pand [adres] op basis van willekeur wel tot betaling van de makelaarscourtage c.q. makelaarskosten over te gaan, maar te weigeren om op verzoek van klager over te gaan tot uitkering van de aan hem toekomende depotgelden aan de Belgische belastingadministratie. Hierdoor heeft de notaris zeer onzorgvuldig gehandeld jegens klager.

3.3. In het tweede klachtonderdeel stelt klager dat de notaris ten onrechte heeft geweigerd gehoor te geven aan zijn verzoek om de vordering van de Belgische belastingadministratie te voldoen met de gelden die hij in depot hield van de verkoopopbrengst van het pand [adres].

3.4. In het derde klachtonderdeel stelt klager dat de notaris onjuiste informatie heeft gegeven aan mevrouw [L] van de Belgische belastingadministratie, door in een faxbericht van 15 juni 2009 te stellen dat klager zou weigeren om gelden ter beschikking te stellen terwijl het juist de notaris zelf was die weigerde tot uitkering van depotgelden over te gaan. Hierdoor is de integriteit van klager bij mevrouw [L] en de Belgische belastingadministratie ernstig geschaad.

3.5. Tot slot beklaagt klager zich in het vierde klachtonderdeel over het feit dat de notaris eerst na schriftelijk aandringen van klager telefonisch contact heeft opgenomen met mevrouw [L] van de Belgische belastingadministratie om een nadere toelichting te geven op voormeld faxbericht en de daarin opgenomen onjuiste informatie recht te zetten. De notaris heeft vervolgens – pas – op 10 augustus 2009 een notarismedewerker een mailtje aan mevrouw [L] laten sturen om aan te geven dat voormeld faxbericht onjuist was, dit echter zonder klager daarvan een cc te sturen.

4. Het standpunt van de notaris

4.1. De notaris heeft de stellingen van klager gemotiveerd betwist en zich als volgt verweerd.

4.2. Met betrekking tot het eerste klachtonderdeel is de notaris van mening dat hij juist in het belang van klager heeft gehandeld door de factuur van de betrokken makelaar te voldoen. Toen de makelaar zich realiseerde dat zijn factuur wellicht niet voldaan zou worden, dreigde deze met beslaglegging waardoor de geplande levering geen doorgang zou kunnen vinden. Het was juist in het belang van klager dat de levering doorgang zou kunnen vinden omdat klager anders boete- en schadeplichtig zou worden. De notaris heeft, door te bewerkstelligen dat de makelaarscourtage kon worden betaald, juist schadebeperkend en voortvarend gehandeld waardoor klager niet in zijn belangen is geschaad.

4.3. Ter zake van het tweede klachtonderdeel stelt de notaris dat hij heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen klager ter comparitie van 25 juni 2009 bij de rechtbank Maastricht was overeengekomen met Coquille Beheer BVBA. Partijen waren hierbij overeengekomen dat de notaris de bedragen die vrijkwamen bij de verkoop van het pand [adres] – verminderd met de hypothecaire schulden – in depot zou houden totdat de in deze kwestie gevoerde bodemprocedure bij de rechtbank Tongeren – of een andere procedure – tot gevolg zou hebben dat het depot zou kunnen worden vrijgegeven, hetzij aan klager hetzij aan Coquille Beheer BVBA. Nu tegen de uitspraak van de rechtbank Tongeren in de bodemprocedure van 30 oktober 2009 beroep is aangetekend, is hij – aldus de notaris - terecht niet tot uitbetaling van de depotgelden overgegaan.

4.4. De notaris bevestigt in verband met het derde klachtonderdeel, dat één van zijn medewerkers zich in een handgeschreven reactie op een brief van de Belgische belastingadministratie – welke op 15 juni 2009 naar de Belgische belastingadministratie is gefaxt – onjuist, althans onvolledig heeft uitgedrukt. Dit is echter rechtgezet door middel van de e-mail van 10 augustus 2009 aan mevrouw [L] van de Belgische belastingadministratie, waarbij één en ander nader door de betreffende notarismedewerker is toegelicht.

4.5. Ter zake van het vierde klachtonderdeel stelt de notaris dat zijn primaire belang lag bij het informeren van de Belgische belastingadministratie en dat hij daarbij niet heeft gedacht aan de mogelijkheid om klager een cc van die berichtgeving te sturen.

5. De beoordeling

5.1. Met betrekking tot de hiervoor onder 3.2. tot en met 3.5. weergegeven klachtonderdelen oordeelt het hof als volgt.

5.2. Ad 3.2. Het hof acht door de notaris voldoende aannemelijk gemaakt – en door klager niet, althans onvoldoende weersproken - dat de levering wellicht geen doorgang zou hebben kunnen vinden indien de makelaarskosten niet door de notaris uit de verkoopopbrengst van het pand [adres] zouden zijn voldaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft klager, toen daarnaar door het hof werd gevraagd, ook aangegeven niet benadeeld te zijn door deze handelswijze van de notaris. Naar oordeel van het hof heeft de notaris dan ook terecht gemeend in het belang van klager te handelen door de makelaarskosten te voldoen. Het eerste klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.3. Ad 3.3. Uit het proces-verbaal van de zitting gehouden op 25 juni 2009 bij de rechtbank Maastricht, blijkt dat klager – de eiser – en Coquille Beheer BVBA – de gedaagde – ter zake van het tussen hen gerezen geschil, het navolgende zijn overeengekomen:

“De notaris zal bedragen welke vrijkomen door de verkoopopbrengst te verminderen met de hypothecaire schulden op het pand [adres] in depot (te) houden, totdat de in deze kwestie gevoerde bodemprocedure bij de rechtbank te Tongeren of een andere procedure tot gevolg heeft dat het depot kan worden vrijgegeven, hetzij aan eiser, hetzij aan gedaagde. Het beslag zal worden opgeheven op het moment dat de koopsom onder de notaris is gestort.”

Het hof is – evenals de kamer – van oordeel dat de notaris hier terecht zijn ministerie heeft geweigerd en juist als een zorgvuldig handelend notaris te werk is gegaan door de depotgelden niet uit te keren aan de Belgische belastingadministratie. Het tweede klachtonderdeel is eveneens ongegrond.

5.4. Ad 3.4. Bij de beoordeling van het derde klachtonderdeel neemt het hof in aanmerking dat mevrouw [L] bij haar brief van 30 maart 2009 aan de notaris het navolgende – voor zover in deze relevant - heeft geschreven:

“De heer [klager] en mevrouw [A] hebben bij de Belgische belastingadministratie een behoorlijke schuld dewelke op heden €46.942,86 bedraagt, bijkomende interesten toe te voegen vanaf 1-4-2009.

Betrokkenen zouden beiden akkoord zijn dat U met de opbrengst van de verkoop de verschuldigde belastingen rechtstreeks aan mijn kantoor overmaakt.

(…).

Kan U mij dringend bevestigen dat de heer en mevrouw [klager] inderdaad met deze werkwijze akkoord gaan, zoniet dien ik invorderingsbijstand te vragen aan de Nederlandse belastingadministratie.”

Op deze brief is vervolgens een handgeschreven reactie geplaatst – door één van de medewerkers van de notaris – die luidt:

“Cliënten gaan niet akkoord met invordering op deze wijze!”

Deze reactie is voorzien van een datum – 15 juni 2009 – en een handtekening, alsmede van de ambtsstempel van de notaris en is op diezelfde dag naar mevrouw [L] gefaxt.

Door de notaris is ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep erkend dat deze reactie onjuist, althans onvolledig was. Diens verweer dat hij pas op 10 augustus 2009 kennis kreeg van deze fax wordt door het hof verworpen nu de op 15 juni 2009 verzonden fax was voorzien van een handtekening en de ambtsstempel van de notaris en de inhoud daarvan derhalve aan de notaris is toe te rekenen. Het hof merkt hierbij nog op dat wanneer de notaris inderdaad voor 10 augustus 2009 niet op de hoogte was van het verzenden van deze fax, er klaarblijkelijk sprake is geweest van oneigenlijk gebruik van diens ambtsstempel.

Het hof is van oordeel dat de notaris onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld door pas op 10 augustus 2009 één van zijn medewerkers een e-mail aan mevrouw [L] te laten sturen die – voor zover in deze relevant – luidt:

“Op grond van de beleidsregels voor het notariaat m.b.t. de uitbetaling van gelden mogen wij hier echter niet aan meewerken; d.w.z. indien na het voeren van de bodemprocedure blijkt dat de gelden toekomen aan de heer en mevrouw [klager], wij deze alleen rechtstreeks aan hen mogen uitbetalen.”

Het hof is van oordeel dat de notaris niet voortvarend heeft gehandeld door bijna twee maanden te laten verstrijken alvorens weer contact op te nemen met mevrouw [L]. Daarnaast acht het hof de inhoud van de e-mail van 10 augustus 2009 volstrekt ontoereikend om de eerder verstrekte onjuiste informatie recht te zetten nu een verwijzing naar het faxbericht van 15 juni 2009 ontbreekt en er niet in is opgenomen dat er een fout was gemaakt of dat de eerder door de notaris verstrekte informatie werd ingetrokken.

Het derde klachtonderdeel is dan ook gegrond.

5.6. Ad 3.5. Aangaande het vierde klachtonderdeel is het hof – anders dan de kamer – van oordeel dat het feit dat de notaris aan klager geen “cc” heeft gestuurd van voormelde e-mail van 10 augustus 2009, hem wel degelijk te verwijten is. Van een zorgvuldig handelend notaris mag verwacht worden dat hij zijn cliënt op de hoogte houdt van alle – voor zijn cliënt van belang zijnde – correspondentie die hij met derden onderhoudt. Het verweer van de notaris dat hij daar eenvoudigweg niet aan heeft gedacht, baat hem niet.

Het vierde klachtonderdeel is derhalve eveneens gegrond.

5.7. Het hof acht de gegrondheid van het derde en het vierde klachtonderdeel reden voor het opleggen van na te melden maatregel.

5.8. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

5.9. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

- verklaart het derde en vierde klachtonderdeel zoals genoemd in 3.4. en 3.5. gegrond;

- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, S. Clement en P. Blokland en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 mei 2011 door de rolraadsheer.

DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET

ARRONDISSEMENT MAASTRICHT

De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen voormeld heeft de volgende beslissing gegeven inzake de klacht van:

[KLAGER],

wonende te [ ],

hierna te noemen: klager,

gemachtigde mr. R.W.J.L. Loonen,

tegen:

[DE NOTARIS],

notaris te [ ],

hierna te noemen: de notaris.

gemachtigde mr. G.J.J.A van Zeijl.

1. Het verloop van de procedure

Bij brief van 20 november 2009, met bijlagen, heeft klager een klacht ingediend tegen de notaris.

Bij brief van 3 januari 2010, met bijlagen, heeft de notaris gereageerd op de klacht.

Op 4 maart 2010 heeft de kamer de klacht behandeld in aanwezigheid van klager, bijgestaan door mr. R.W.J.L. Loonen en de notaris, bijgestaan door mr. G.J.J.A. van Zeijl.

Ter zitting heeft klager nog een brief van 1 maart 2010, met bijlagen, aan de kamer overgelegd, welke brief bij de behandeling van de klacht is meegenomen.

Na afloop van de behandeling heeft de voorzitter partijen medegedeeld dat zij zo spoedig mogelijk de beslissing van de kamer tegemoet kunnen zien.

2. De vaststaande feiten

Op 12 maart 2009 hebben klager, verkoper, en [koper], de koopovereenkomst van een aan klager toebehorend pand, gelegen [adres] gesloten. De levering zou uiterlijk op 1 juli 2009 plaatsvinden.

De overeengekomen levering, onbezwaard c.q. zonder last, was niet mogelijk wegens een door Coquille Beheer B.V.B.A. gelegd beslag.

Ter comparitie van 25 juni 2009 bij de rechtbank Maastricht in een door klager jegens Coquille Beheer aangespannen bodemprocedure zijn partijen (klager en Coquille Beheer) het volgende overeengekomen:

“De notaris zal bedragen welke vrijkomen door de verkoopopbrengst te verminderen met de hypothecaire schulden op het pand [adres] in depot (te) houden totdat de in deze kwestie gevoerde bodemprocedure bij de rechtbank te Tongeren of een andere procedure tot gevolg heeft dat het depot kan worden vrijgegeven, hetzij aan eiser, hetzij aan gedaagde. Het beslag zal worden opgeheven op het moment dat de koopsom onder de notaris is gestort.”

Nadat Coquille Beheer het beslag had doen opheffen is op 1 juli 2009 de akte van levering verleden.

Bij brief van 16 juli 2009 heeft klager de notaris verzocht de aan de Belgische belastingdienst verschuldigde belastingen te voldoen uit de verkoopopbrengst van het woonhuis waarvan de gelden bij de notaris in depot waren.

Bij brief van 17 november 2009 heeft klagers advocaat de notaris in kennis gesteld van de uitspraak van de rechtbank te Tongeren en hem nogmaals gevraagd conform de uitspraak de gelden uit het depot beschikbaar te stellen.

3. De inhoud van de klacht en de reactie van de notaris daarop

3.1 De klacht houdt - zakelijk weergegeven - in dat de notaris heeft geweigerd c.q. té voorzichtig is geweest uitvoering te geven aan de rechtmatigheid van de vordering conform de invorderingswet van de Belgische belastingdienst en dat hij geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de advocaat van klager om over te gaan tot uitbetaling van de gelden die de notaris in depot had. Klager ontkent dat hij de notaris heeft verzocht tot opheffing van het depot.

3.2 Voorts vindt klager het ongepast dat de notaris van zijn mail aan de Belgische belastingdienst d.d. 10 augustus 2009, waarin de notaris zijn standpunt inzake uitkering van depotgelden kenbaar heeft gemaakt, geen “cc-tje” aan klager heeft gestuurd.

3.3 De notaris heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd, welk verweer hierna bij de beoordeling van de klacht aan de orde komt.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Klager verwijt de notaris dat hij heeft geweigerd c.q. té voorzichtig is geweest om te voldoen aan het verzoek van de advocaat van klager om over te gaan tot uitbetaling van de gelden die de notaris in depot had, ter voldoening van de rechtmatige vordering van de Belgische belastingdienst conform de invorderingswet.

De notaris heeft aangegeven dat hij, gelet op het overeengekomene ter comparitie van 25 juni 2009, niet tot uitbetaling van de depotgelden is overgegaan omdat Coquille Beheer van de uitspraak van de rechtbank te Tongeren beroep had aangetekend. Verder had de notaris blijkens genoemde overeenkomst ter comparitie enkel de bevoegdheid om de eventuele vrijgekomen depotgelden “hetzij aan eiser (Coquille Beheer) hetzij aan gedaagde (klager)” uit te keren, en niet aan de Belgische belastingdienst. De kamer is dan ook van oordeel dat de notaris hier terecht zijn ministerie heeft geweigerd en niet té voorzichtig maar daarentegen zorgvuldig te werk is gegaan. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

4.2 Aangaande het feit dat aan klager geen “cc-tje” is gestuurd van de mail die de notaris aan de Belgische belastingdienst had doen toekomen en waarin de notaris zijn standpunt inzake uitkering van depotgelden kenbaar heeft gemaakt, merkt de kamer op dat het netter ware geweest indien de notaris dit wél had gedaan doch dat zulks niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ook dit klachtonderdeel is ongegrond.

5. De beslissing

De kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Maastricht:

- verklaart de klachten zoals weergegeven onder 4.1 en 4.2 ongegrond.

Aldus gegeven te Maastricht op 26 april 2010 door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. R.H.J. Otto, kroonlid, en mr. G.M.H.M. Pooters, plaatsvervangend kroonlid, mr. R.L.G.M. Steegmans, notarislid en mr. A. Romijn, plaatsvervangend notarislid en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.Chr.H.M. Geurts, secretaris.