Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7561

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
08-06-2011
Zaaknummer
200.083.483-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesrecht, wgbz, WSNP. Afwijzing toelating tot de schuldsaneringsregeling. Te late betaling griffierecht na indiening verzoekschrift hoger beroep. Dat de factuur van het hof de advocaat wellicht niet heeft bereikt, ontslaat verzoekster niet van de verplichting het griffierecht tijdig te betalen. Ten overvloede overweging dat ook overigens het verzoek niet tot toelating zou leiden. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van de schulden te goeder trouw is geweest. Ook al reed ex-partner in de auto’s, nu de auto’s op haar naam stonden, is verzoekster verantwoordelijk voor de boetes voortvloeiend uit de overtredingen die met de auto’s zijn begaan en de belastingschuld voorvloeiend uit het bezit van de auto’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST van 29 april 2011 in de zaak met zaaknummer 200.083.483/01 van:

[ APPELLANTE ]

wonende [ adres ],

te [ postcode ] [ woonplaats ], [ gemeente ],

APPELLANTE,

advocaat: mr. D.E. Lof te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellante – [ Appellante ] – is bij op 8 maart 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 1 maart 2011 met rekestnummer 176519, waarbij het verzoek van [ Appellante ] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 12 april 2011. Bij die behandeling is [ Appellante ] verschenen, bijgestaan door haar advocaat voornoemd.

2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1 Ingevolge artikel 3 lid 2 en lid 4 van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz) is het griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van een verzoekschrift en dient de verzoeker er voor te zorgen dat dit griffierecht binnen vier weken na het verschuldigd worden van het griffierecht - dit is vanaf de indiening van het verzoekschrift - is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak wordt behandeld dan wel ter griffie is gestort. Dit alles geldt ook voor een verzoekschrift waarmee hoger beroep wordt ingesteld.

2.2 Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is met betrekking tot het verschuldigde griffierecht het volgende gebleken. Het beroepschrift is ingediend op 8 maart 2011. Volgens de administratie van het hof is op 10 maart 2011 een factuur ter voldoening van het griffierecht verstuurd naar het kantooradres van de advocaat van [ Appellante ]. De advocaat van [ Appellante ] heeft het griffierecht niet voldaan.

2.3 De advocaat van [ Appellante ] heeft in hoger beroep gesteld dat hij normaliter een factuur van het hof ontvangt ter zake van verschuldigd griffierecht en dat hij deze dan betaalt. In deze zaak heeft hij geen factuur ontvangen. Wel had hij een uitnodiging voor de behandeling van de zaak op 5 april 2011 gekregen, maar de uitnodiging voor die dag bleek achteraf onjuist te zijn. Naar het oordeel van de advocaat kan het dan ook best zo zijn dat er per ongeluk geen factuur is gestuurd. Hem kan dit echter niet worden aangerekend.

2.4 In beginsel leidt de te late betaling van het griffierecht tot niet-ontvankelijkheid, zoals omschreven in artikel 282a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Verzoekster had immers binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift het griffierecht moeten voldoen, hetgeen zij heeft nagelaten.

2.5 Dat de factuur van het hof de advocaat wellicht niet heeft bereikt, ontslaat verzoekster niet van haar verplichting het griffierecht tijdig te voldoen. Naar het oordeel van het hof komt deze omstandigheid voor risico van verzoekster, aangezien van de advocaat verlangd mag worden dat hij bekend is met de hier geldende wettelijke regels en dat hij zijn kantoorvoering aldus inricht dat die regels kunnen worden nageleefd. Voorts zijn geen omstandigheden met betrekking tot toepassing van artikel 282a lid 4 Rv (de hardheidsclausule) gesteld of gebleken die alsnog tot het door verzoekster gewenste gevolg nopen.

Eén en ander brengt mee dat [ Appellante ] niet ontvankelijk is in het door haar ingestelde appel.

2.6 Gezien de korte tijd sinds de invoering van de WGBZ ziet het hof reden om ten overvloede ook overwegingen aan de inhoud van de zaak te wijden.

2.7 Ook als [ Appellante ] ontvankelijk zou zijn geweest in haar verzoek had dit niet tot het gewenste resultaat geleid. Bij de beoordeling van een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b Fw voldoende aannemelijk dient te maken dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. Naar het oordeel van het hof is [ Appellante ] daarin niet geslaagd.

[ Appellante ] heeft – gelet op hetgeen hierna wordt overwogen - niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden, met name de CJIB-schulden en belastingschuld, te goeder trouw is geweest. Ook als haar ex-partner (een gedeelte van) de gedragingen heeft begaan die tot de schulden hebben geleid – zoals [ Appellante ] ter zitting in hoger beroep heeft gesteld – blijft zij verantwoordelijk voor overtredingen met de betrokken auto’s begaan en voor de belastingschuld voortvloeiend uit het bezit van de auto’s, nu de kentekens van de auto’s waarin de ex-partner volgens [ Appellante ] heeft gereden op haar naam stonden. Gesteld noch gebleken is dat [ Appellante ] niet in staat mocht worden geacht zich zodanig te gedragen dat de CJIB-sancties en de belastingschuld betreffende de auto’s konden worden vermeden.

2.8 Dat [ Appellante ] voorts heeft aangevoerd dat de betrokken kentekens niet meer op haar naam staan, er afbetaald is op de CJIB-boetes door haar ex-partner en dat zij thans gescheiden is, is ook onvoldoende om aanleiding te geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw. Dit is in het bijzonder zo omdat ook ná de echtscheiding nog CJIB-boetes zijn ontstaan.

2.9 Gelet op het vorenstaande wordt beslist als

volgt.

3. De beslissing

Het hof:

- verklaart [ Appellante ] niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, S. Clement en A.S. Arnold en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 29 april 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.