Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7128

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
06-06-2011
Zaaknummer
23-004888-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ8757, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van drie pogingen tot moord, vernieling, diefstal met braak en brandstichting tot 5 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging. De verdachte heeft, vanuit een paranoïde waanstoornis, die vooral betrekking had op Jehova's getuigen, geprobeerd drie vrouwen om te brengen. Hij heeft een van hen met een ijzeren staaf op het hoofd geslagen, een tweede slachtoffer heeft hij met een mes in de rug gestoken, en hij heeft brand gesticht in het appartementencomplex waar het derde slachtoffer woonachtig was. Het hof acht de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004888-09

datum uitspraak: 1 juni 2011

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 16 september 2009 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-700801-08 en 15-700256-09 en 15-710158-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 2 september 2009 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 februari 2010, 23 april 2010, 1 juli 2010, 20 juli 2010, 1 maart 2011 en 19 mei 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 15-700801-08:

primair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2008 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg (met kracht) met een (ijzeren) pijp, althans met een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 23 oktober 2008 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht) met een (ijzeren) pijp, althans met een hard voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 15-700256-09:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 11 april 2008 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een mes in het lichaam (in de rug, ter hoogte van de nieren) van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 11 april 2008 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet een mes in het lichaam (in de rug, ter hoogte van de nieren) van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij op of omstreeks 10 juni 2007 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk meerdere (elf) ramen en/of ruiten van de voordeuren van een [pand], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, voormelde ramen en/of ruiten ingegooid;

feit 3:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 4 januari 2008 tot en met 5 januari 2008 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de [pand] aan de [adres 1] heeft weggenomen een hoeveelheid (klein)geld en/of diverse schriftelijke bescheiden (w.o. een adressenlijst van Jehova's Getuigen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Zaak met parketnummer 15-710158-09:

hij op of omstreeks 17 december 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3], van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tijdens de nachtelijke uren, brand heeft gesticht bij/aan (de deur van) de woning [adres 2] alwaar die [slachtoffer 3] verbleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij op of omstreeks 17 december 2007 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk, tijdens de nachtelijke uren, brandbare vloeistof op/aan/bij de deur van de woning aangebracht en ontstoken, ten gevolge waarvan die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in dat pand en/of in de nabijheid van dat pand aanwezige personen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot andere beslissingen.

Bespreking van bewijsverweren en nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van 15-700801-08 (zaak [slachtoffer 1]), 15-700256-09, feit 1 (zaak [slachtoffer 2]) en 15-710158-09 (brandstichting / zaak [slachtoffer 3])

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer1], de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2], en van de brandstichting in het pand aan de [adres 2] te Haarlem en de daarmee samenhangende poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 3]. De raadsvrouw heeft hiertoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de bestanddelen opzet en voorbedachte raad niet kunnen worden bewezen, aangezien het de verdachte als gevolg van zijn ernstige geestelijke stoornis tijdens het plegen van die feiten heeft ontbroken aan ieder inzicht in de draagwijdte en de gevolgen van zijn handelingen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de beoordeling van het verweer dient te worden vooropgesteld dat voor een geval als het onderhavige, waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, dat zo'n stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn.

De verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd die - voor zover voor de beoordeling van het verweer van belang - op het volgende neerkomen.

In oktober 2007 heeft de verdachte de beslissing genomen de huur van zijn woning op te zeggen en iemand van het Wachttoren genootschap, zoals hij de Jehova's getuigen aanduidt, te doden en daarvoor desnoods tien of vijftien jaar gevangenisstraf te krijgen.

De verdachte heeft [slachtoffer 3]- van wie hij wist dat zij was aangesloten bij de Jehova's getuigen - geprobeerd te doden door brand te stichten in het pand waar zij destijds woonachtig was.

De aanslag op [slachtoffer 2] vond plaats na eerdere pogingen haar te pakken te krijgen, die steeds waren mislukt. Bij die aanslag heeft de verdachte haar links van de ruggenwervel en met een gebaar van onder naar boven gestoken.

Het derde slachtoffer, [slachtoffer 1], is door de verdachte voorafgaand aan het moment dat hij haar op het hoofd sloeg, enige tijd achterna gefietst, hopende dat zij zich in de tussentijd zou omdraaien zodat hij haar gezicht zou zien. Als dat was gebeurd, dan had de verdachte haar niet kunnen slaan, omdat "dit het persoonlijk zou maken" (verklaring ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2011).

Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2011 zijn de aan het Pieter Baan Centrum verbonden gedragsdeskundigen psychiater D.J. Vinkers en psycholoog P.A.E.M.T. Cremers als getuigen-deskundigen gehoord. Cremers heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat de verdachte zijns inziens niet impulsief maar rationeel is en dat hij op weloverwogen wijze heeft gehandeld. In het - hierna uitvoeriger te bespreken rapport van het Pieter Baan Centrum van 8 mei 2009 - is vermeld dat verdachte's impulsiviteit en agressiehuishouding niet gestoord zijn en dat de verdachte tracht te reflecteren en de controle te houden.

Gelet op voorgaande en in aanmerking genomen dat - naar het hof heeft waargenomen ter terechtzitting en bij het bekijken en beluisteren van de op dvd opgenomen verhoren van de verdachte bij de politie - de verdachte op rationele wijze uitleg heeft gegeven over de hem ten laste gelegde feiten, is het hof van oordeel dat er geen sprake van is dat het de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten heeft ontbroken aan ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan en verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

Ten aanzien van 15-700256-09, feit 1 (zaak [slachtoffer 2]) en 15-710158-09 (brandstichting / zaak [slachtoffer 3])

De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2], de brandstichting en de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 3] betoogd dat de verdachte deze feiten bij de politie weliswaar heeft bekend, maar dat hij later van deze bekennende verklaringen is teruggekomen en heeft medegedeeld dat deze feiten zijn gepleegd door ene [betrokkene 1], door hem [betrokkene 1] genoemd.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 januari 2009 uit eigen beweging verklaard dat hij in april 2008 had gepoogd een vrouwelijke Jehova's getuige achter het station in Haarlem te vermoorden en voorts dat hij nog zeven andere moordaanslagen wenste te bekennen. Vervolgens is de verdachte verschillende keren door de politie aan een verhoor onderworpen. Tijdens die verhoren heeft de verdachte verklaard dat hij [slachtoffer 2] had neergestoken en dat hij brand had gesticht in het pand aan de [adres 2] te Haarlem, waarbij hij het specifiek had voorzien op een in één van de appartementen in dat gebouw woonachtige Jehova's getuige, [slachtoffer 3]. De verdachte heeft bij die bekentenissen te kennen gegeven een concreet motief te hebben gehad voor het plegen van deze feiten. Dit motief was hierin gelegen dat de verdachte zich diende te verweren tegen onder meer stalking en stelselmatige bedreigingen van Jehova's getuigen.

Ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in een aantal brieven die de verdachte heeft geschreven, heeft hij de door hem gepleegde feiten en het met de Jehova's getuigen verband houdende motief daarvoor uitvoerig besproken.

Pas ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2010 heeft de verdachte voormelde [betrokkene 1] genoemd als de "werkelijke" pleger van de feiten. De verdachte heeft over deze [betrokkene 1] echter geen nadere gegevens kunnen verschaffen dan het feit dat hij van Marokkaanse afkomst zou zijn. Een geboortedatum, leeftijd, adres of enig ander gegeven dat tot het achterhalen van deze persoon had kunnen leiden, kon door de verdachte niet worden verstrekt, behalve een (kopie van een) foto die onvoldoende aanknopingspunten bood voor nader onderzoek. Tot op heden is zelfs onduidelijk gebleven hoe de achternaam van deze [betrokkene 1] moet worden gespeld.

Daar komt bij dat de verdachte evenmin gegevens heeft verstrekt over de wijze waarop en de reden waarom deze [betrokkene 1] de bedoelde misdrijven zou hebben gepleegd, terwijl het juist de verdachte is geweest die uitvoerig heeft verklaard over zijn motief voor het plegen van deze feiten en over de specifieke omstandigheden daarvan.

Onder deze omstandigheden acht het hof de stelling dat niet hij maar [betrokkene 1] de bedoelde feiten heeft begaan, allesbehalve aannemelijk en zal het de verdachte houden aan zijn bekennende verklaringen.

Het verzoek van de raadsvrouw tot het benoemen van een deskundige die de betrouwbaarheid van de verklaringen en brieven van de verdachte dient te beoordelen, wordt door het hof afgewezen, aangezien het de noodzaak hiertoe niet aanwezig acht. Het hof heeft kennisgenomen van de audiovisuele opnamen van een aantal uitvoerige verhoren van de verdachte en heeft daarbij waargenomen dat de verdachte tijdens deze verhoren zijn verklaringen in alle rust heeft kunnen afleggen, dat hij op overtuigende en weloverwogen wijze bekentenissen heeft afgelegd die consistent en consequent kunnen worden geacht en dat van enige sturing of beïnvloeding van de kant van de verhorende ambtenaren niet is gebleken. Naarmate de verhoren vorderden is zelfs in toenemende mate sprake van sturing van de verhoren door de verdachte zelf, waarbij opvalt dat hij de regie van de verhoren in eigen hand wenste te houden en van de verhorende verbalisanten daarvoor ook ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen.

Aldus is het hof van oordeel dat het de betrouwbaarheid van deze door de verdachte afgelegde verklaringen op afdoende wijze heeft kunnen beoordelen, terwijl het hof voorts geen grond ziet voor het inschakelen van een deskundige om de betrouwbaarheid van de andere verklaringen en brieven van de verdachte te beoordelen.

Ten aanzien van 15-700256-09, feit 1 (zaak [slachtoffer 2])

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 2] vrijspraak bepleit op de grond dat, hoewel de verdachte in eerste instantie dit feit heeft bekend, deze bekentenissen niet kunnen bijdragen tot het bewijs omdat zij onvoldoende betrouwbaar zijn. De raadsvrouw heeft voorts gewezen op het feit dat de verdachte niet is herkend door één van de getuigen van het feit, alsmede op het ontbreken van een - aan de verdachte te koppelen - eenduidig signalement van de dader.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft, zoals hiervoor reeds is overwogen, ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 januari 2009 eigener beweging verklaard dat hij in april 2008 een vrouwelijke Jehova's getuige achter het station in Haarlem had neergestoken. De verdachte heeft op 2 februari 2009 bij de politie verklaard dat hij deze vrouw met een mes van onder naar boven aan de linkerzijde van haar ruggenwervel had gestoken, hetgeen in overeenstemming is met de plaats van het letsel zoals dit in het proces-verbaal van aangifte van het slachtoffer is opgetekend.

Getuige [getuige 1] heeft de dader zowel vlak voor, tijdens, als na het steekincident gezien. Het signalement dat deze getuige heeft opgegeven, komt overeen met dat van de verdachte, waarbij het hof opmerkt dat de verdachte ook thans nog een jeugdiger voorkomen heeft dan zijn kalenderleeftijd zou rechtvaardigen.

Gezien het voorgaande, in samenhang met de overige bewijsmiddelen, komt het hof, anders dan de raadsvrouw, tot het oordeel dat de bekennende verklaringen van de verdachte in voldoende mate steun vinden in de overige bewijsmiddelen en derhalve voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Aan de betrouwbaarheid van die verklaringen doet naar het oordeel van het hof niet af dat de verdachte naar eigen zeggen het mes tot 12 centimeter diep in het lichaam van het slachtoffer heeft gestoken, terwijl de aangifte inhoudt dat de steekwond bij [slachtoffer 2] 2 centimeter diep is geweest. In het licht van het voorgaande acht het hof het evenmin aannemelijk dat de verdachte zijn specifieke kennis van het feit heeft verkregen uit de media.

Ten aanzien van 15-700256-09, feit 2 (vernieling ruiten)

De raadsvrouw heeft vrijspraak van de ten laste gelegde vernieling van de ruiten van de [pand] bepleit en heeft hiertoe aangevoerd dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de bekennende verklaringen van de verdachte betrekking hebben op de vernieling die in de aangifte is vermeld.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent dat, anders dan betoogd door de raadsvrouw, in het bijzonder uit hetgeen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2010 heeft verklaard, te weten dat hij in de nacht van 9 op 10 juni 2007 de ruiten van het [pand] aan de [adres 1] te Haarlem, zijnde [pand], heeft stuk gegooid, kan worden afgeleid dat de aangifte en de bekentenissen van de verdachte zien op hetzelfde feit. De omstandigheid dat de verklaringen van de verdachte en de inhoud van het proces-verbaal van aangifte niet overeenstemmen voor wat betreft de aanduiding van de ramen die zijn ingegooid, doet hieraan niet af.

Ten aanzien van 15-710158-09 (brandstichting / zaak [slachtoffer 3])

Poging tot moord/doodslag [slachtoffer 3]

Ten aanzien van de poging tot moord/doodslag op [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een voltooid feit, nu de brandstichting (waardoor [slachtoffer 3] had moeten overlijden) was voltooid, zodat de verdachte vrijgesproken dient te worden. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de brandstichting onvoldoende concreet gevaarzettend is geweest om het voornemen van de verdachte om [slachtoffer 3] te doden te kunnen voltooien.

Het hof verwerpt het primaire onderdeel van het verweer, aangezien moord, omschreven in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht, is aan te merken als een gevolgsdelict. Dit brengt met zich mee dat van een voltooid feit slechts sprake kan zijn, indien het in de delictsomschrijving omschreven gevolg, te weten de dood, is ingetreden. Nu dit gevolg zich in het onderhavige geval niet heeft voorgedaan, kan geen sprake zijn van een voltooid feit doch slechts van een poging.

Ten aanzien van het subsidiaire onderdeel van het verweer overweegt het hof dat de brandstichting naar de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op het intreden van het gevolg, de dood van [slachtoffer 3], daartoe ook een geschikt middel was en de brandstichting voldoende concreet gevaarzettend is geweest om het voornemen van de verdachte te kunnen voltooien. Met betrekking tot dit laatste slaat het hof acht op de omvang van de brand, mede blijkend uit de daardoor veroorzaakte aanzienlijke schade als gevolg van de brandstichting, zoals die in het proces-verbaal van het onderzoek door de politie is opgetekend en op de bij dat proces-verbaal gevoegde foto's kan worden waargenomen. Het hof verwerpt dientengevolge het verweer.

Brandstichting

De raadsvrouw heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat de bekennende verklaringen van de verdachte inzake de brandstichting dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aangezien deze niet eensluidend zijn en geen aansluiting of ondersteuning vinden in de overige bewijsmiddelen. De verdachte dient dan ook, aldus de raadsvrouw, te worden vrijgesproken van dit feit.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe het volgende. De verdachte heeft ter terechtzitting van 23 april 2009 verklaard in december 2007 in een woning aan de [adres 2] te Haarlem brand te hebben gesticht. De verdachte heeft deze bekennende verklaring op 8 mei 2009 bij de politie herhaald en hij heeft voorts verklaard over een brandstof die hij had gebruikt om brand te stichten, hetgeen in overeenstemming is met de bevindingen in het proces-verbaal van het brandonderzoek. Voorts heeft hij verklaard dat hij met de brandstichting beoogde de in het pand woonachtige vrouwelijke Jehova's getuige om te brengen, terwijl vast staat dat [slachtoffer 3] in het pand woonde en tot de Jehova's getuigen behoorde. Aldus vinden de bekennende verklaringen van de verdachte in voldoende mate steun in de overige bewijsmiddelen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat geen sprake is van strafbare brandstichting, aangezien geen concreet gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar voor personen of gevaar voor lichamelijk letsel te duchten is geweest.

Het hof overweegt hieromtrent dat, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, wel degelijk uit de bewijsmiddelen de bewezenverklaring van dit bestanddeel kan volgen. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit het brandonderzoek is gebleken dat de brand is gesticht met behulp van brandbare vloeistof nabij een deur in een trapportaal in een etagewoning met verschillende appartementen. Gelet op de aanzienlijke brandschade aan de branddeur en aan het trappenhuis die onder meer in het proces-verbaal van het brandonderzoek staat beschreven en eveneens op de bijbehorende foto's (dossierpagina 122-128) kan worden waargenomen, alsmede de aanwezigheid van een aantal (slapende) bewoners in het pand ten tijde van de brand, kan als voldoende vaststaand worden aangenomen dat sprake is geweest van concreet gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. Aan dit oordeel van het hof doet niet af dat zich bij de stukken geen deskundigenverslag hieromtrent bevindt. Het hof verwerpt het verweer.

Verzoeken

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw het hof onder meer verzocht [betrokkene 2], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2] ter terechtzitting als getuigen te horen, alsmede onderzoek te doen naar de persoon van [betrokkene 1]. De raadsvrouw heeft de meeste van deze verzoeken al eerder gedaan en deze zijn door het hof afgewezen ter terechtzitting van 1 maart 2011, hetgeen de verdediging ertoe heeft gebracht de leden van het hof te wraken. Dat wrakingsverzoek is ongegrond verklaard en aan de hernieuwde verzoeken zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat het hof geen aanleiding ziet terug te komen van de eerder gegeven beslissingen.

In de omstandigheden van deze zaak ziet het hof wel aanleiding nader in te gaan op het door de verdachte ingenomen standpunt inzake de Jehova's getuigen. Dat standpunt komt erop neer dat hij gedurende een aantal jaren een redelijke verstandhouding heeft gehad met Jehova's getuigen in Haarlem, en hen in voorkomende gevallen ook in zijn woning toeliet, maar dat de Jehova's getuigen daarna misbruik zijn gaan maken van zijn goedgelovigheid en hem op allerlei wijzen zijn gaan lastig vallen, onder meer door hem te belagen en te bedreigen. De jegens Jehova's getuigen gepleegde misdrijven zijn voortgekomen uit de noodzaak zich daartegen te verdedigen of zich daaraan te onttrekken.

Het hof acht aannemelijk dat de verdachte in het verleden met enige regelmaat contacten heeft gehad met Jehova's getuigen en dat zij hem ook in zijn woning bezochten. Ook valt niet uit te sluiten dat op een gegeven moment in die contacten een door de verdachte negatief gewaardeerd element is geslopen. Naar het oordeel van het hof is echter in het geheel niet aannemelijk geworden dat de door de verdachte gepleegde misdrijven een (directe) reactie zijn geweest op gedragingen van Jehova's getuigen voorafgaand aan die feiten. De verdachte is bijvoorbeeld [slachtoffer 2] achterna gefietst, terwijl hij niet heeft verklaard daartoe bewogen te zijn door enige handeling van haar kant noch dat specifiek gedrag van een andere Jehova's getuige daartoe aanleiding gaf. Ook bij de brandstichting is geen sprake geweest van enige voorafgaande interactie tussen de verdachte en [slachtoffer 3] noch met een andere Jehova's getuige.

De verdachte is meermalen gevraagd specifieke voorbeelden te geven van dreigend optreden van Jehova's getuigen jegens hem. Zijn antwoorden daarop waren voornamelijk ontwijkend. De verdachte heeft ook overigens amper concrete feiten aan zijn stellingen over het gedrag van Jehova's getuigen jegens hem ten grondslag gelegd. Mede gelet op het omtrent de verdachte opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum, dat hierna nog uitvoerig aan de orde zal komen, moet daarentegen worden aangenomen dat de vermeende misdragingen van Jehova's getuigen jegens de verdachte aan zijn - door een waanstoornis gestuurde - fantasie zijn ontsproten en niet berusten op de werkelijkheid. In dat licht bestaat voor het hof geen enkele aanleiding getuigen te horen over de praktijken van Jehova's getuigen.

Het verzoek om onderzoek te doen naar de persoon van [betrokkene 1] wordt afgewezen omdat het hof de noodzaak daartoe niet aanwezig acht. Naast hetgeen hiervoor over het gestelde daderschap van deze persoon is overwogen door het hof bij de bespreking van het gevoerde verweer terzake, merkt het hof nog op dat van de verdachte in een geval als het onderhavige mag worden verwacht meer werk te maken van het achterhalen van persoonsgegevens van de als dader gepresenteerde persoon, indien hij wenst dat een verzoek of een verweer daaromtrent serieus wordt genomen.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-700801-08 primair, het in de zaak met parketnummer 15-700256-09 onder 1 primair, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 15-700801-08:

primair:

hij op 23 oktober 2008 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met kracht met een ijzeren pijp op het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak met parketnummer 15-700256-09:

feit 1 primair:

hij op 11 april 2008 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, een mes in het lichaam (in de rug, ter hoogte van de nieren) van die [slachtoffer 2] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2:

hij op 10 juni 2007 te Haarlem opzettelijk en wederrechtelijk ruiten van een [pand], toebehorende aan [slachtoffer 4], heeft vernield, immers heeft hij, verdachte, voormelde ruiten ingegooid;

feit 3:

hij op een tijdstip in de periode van 4 januari 2008 tot en met 5 januari 2008 te Haarlem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de [pand] aan de [adres 1] heeft weggenomen diverse schriftelijke bescheiden, waaronder een adressenlijst van Jehova's getuigen, toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

Zaak met parketnummer 15-710158-09:

hij op 17 december 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tijdens de nachtelijke uren, brand heeft gesticht bij een deur van de woning aan de [adres 2] alwaar die [slachtoffer 3] verbleef, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 17 december 2007 te Haarlem opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk, tijdens de nachtelijke uren, brandbare vloeistof bij een deur van de woning aangebracht en ontstoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor de in dat pand aanwezige personen te duchten was;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat:

Algemeen

1. Een proces-verbaal van 8 mei 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], brigadiers van politie (dossierpagina 133-138). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik heb in oktober 2007 de beslissing genomen om iemand van het Wachttorengenootschap te doden en daarvoor desnoods tien of vijftien jaar gevangenisstraf te krijgen.

2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2010, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb op een zeker moment besloten [betrokkene 2], leider van de Jehova's getuigen, om het leven te brengen. [betrokkene 2] liet zich echter voortdurend beveiligen door twee andere Jehova's. Ik heb toen besloten om de eerste Jehova's getuige te pakken die ik te pakken zou kunnen krijgen.

Het mes dat ik in mijn bezit had, was een lang dun mes; het had een lemmet van een centimeter of twaalf. Het was een dodelijk mes, dat zeer geschikt was om iemand mee neer te steken.

U vraagt mij wat ik van plan was met de visdraad die bij mij is aangetroffen. Ik was van plan deze ergens te spannen om een Jehova's getuige te vermoorden.

15-700801-08

Primair (poging moord [slachtoffer 1]):

3. Een proces-verbaal van 23 oktober 2008 met nummer PL1228/08-129349, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie (dossierpagina's 3-5).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 23 oktober 2008, omstreeks 01.00 uur, kwam een melding binnen bij de politie van [betrokkene 6], inhoudende dat zijn vriendin zojuist naar het ziekenhuis was gebracht nadat zij op straat door een wildvreemde op haar hoofd was geslagen met een zwaar voorwerp. De dader zou weggefietst zijn.

Op 23 oktober 20008, omstreeks 03.15 uur, kwam een melding binnen bij de centralist van de regionale meldkamer. De melding werd gedaan door een man die verklaarde dat hij eerder die nacht een vrouw met een stuk ijzer had geslagen op haar hoofd in de Kruisstraat te Haarlem.

4. Een proces-verbaal van 23 oktober 2008 met nummer PL1227/08-129349, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5], aspirant van politie (dossierpagina's 16-19).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als aangifte van [slachtoffer 1]:

Op 23 oktober 2008 liep ik vanaf het centraal station in Haarlem via de Kruisstraat richting de stad. Plotseling kreeg ik een zwaar voorwerp tegen mijn achterhoofd. Ik viel op de grond omdat ik uit balans raakte van die klap. Ik voelde hevige pijn aan mijn achterhoofd en het bloedde ook hevig. Ik zag een man wegfietsen richting het station. In het ziekenhuis kreeg ik zes hechtingen, mijn nek is stijf en er zitten verschillende bulten op mijn hoofd.

5. Een proces-verbaal van 23 oktober 2008 met nummer PL1227/08-129349, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6], agent van politie (dossierpagina's 6-7).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op 23 oktober 2008, omstreeks 11.00 uur, kwam een vrouw, genaamd [betrokkene 7] aan de balie van het bureau van politie te Haarlem. Zij verklaarde dat zij zich erg zorgen maakte over een vriend van haar, genaamd [verdachte]. [verdachte] had haar de afgelopen nacht sms-berichten gestuurd. Hierin stond het volgende:

- bericht 1, verstuurd op 23 oktober 2008, omstreeks 00.29 uur: "Heb zojuist een onschuldig meisje de hersens ingeslagen".

- bericht 2, verstuurd op 23 oktober 2008, omstreeks 00.42 uur: "Ik ga me aangeven".

6. Een proces-verbaal van 23 oktober 2008 met nummer PL1227/08-129349, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], respectievelijk hoofdagent en aspirant van politie (dossierpagina's 10-11). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

Verdachte:

[verdachte]

[geboortedatum] te [geboorteplaats]

Reden van aanhouding:

Op 23 oktober 2008, 03.18 uur, kwamen wij in de Valkstraat te Haarlem en zagen ter hoogte van perceel nummer 5 een man zitten. De man zei dat hij de politie had gebeld en dat hij eerder die nacht in de Kruisstraat te Haarlem een vrouw op haar hoofd had geslagen met een stuk ijzer. Hierna hebben wij de man aangehouden.

7. Een proces-verbaal van 2 februari 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9] en [verbalisant 10], respectievelijk brigadier en recherche-assistent van politie (dossierpagina 40-41). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

Op 2 februari 2009 heeft een onderzoek plaatsgevonden in de woning van [verdachte]. In een van de slaapkamers werd een ijzeren staaf aangetroffen. In de bij de woning behorende box werd een ijzeren staaf aangetroffen.

8. Een proces-verbaal van 23 oktober 2008 met nummer PL 1227/08-129349, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 1], hoofdagenten van politie (dossierpagina's 20-23). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik heb iemand neergeslagen met een pijp van ijzer. Het is in de Kruisstraat gebeurd. Ik was daar op de fiets. Ik had de ijzeren pijp uit mijn schuur. Het is inderdaad de waarheid dat ik met die ijzeren pijp bewust op pad ben gegaan om iemand iets aan te doen. Ik heb zelf de politie gebeld, omdat die mevrouw mij gezien heeft en ik wel herkend zou worden.

9. Een proces-verbaal van 2 februari 2009, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (dossierpagina 47-61). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik ben degene die [slachtoffer 1] heeft geslagen. Ik zag haar van achteren. Ik wilde dat het in één klap raak was. Ik had de staaf bij me. Ik had van een massieve pijp een stuk afgezaagd en die gebruikte ik die avond bij [slachtoffer 1].

10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2011. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb [slachtoffer 1] die avond met een ijzeren pijp tegen het hoofd geslagen. Ik zag haar lopen op straat. Ik ben een tijdje achter haar aan gefietst. Ik kan mij voorstellen dat iemand als gevolg van deze klap had kunnen overlijden; het was een zwaar stuk metaal.

15-700256-09

Feit 1 primair (poging moord [slachtoffer 2]):

11. Een proces-verbaal van aangifte van 14 april 2008 met nummer PL1229/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie (dossierpagina 17-19). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 2]:

Op vrijdag 11 april 2008 bevond ik mij in de omgeving van het NS-station te Haarlem. Ik fietste en was op weg naar huis. Op het Kennemerplein stond het verkeerslicht op rood en moest ik wachten. Nadat het licht op groen was gesprongen, stak ik de kruising over in de richting van het Frans Halsplein. Na het oversteken van de kruising, ter hoogte van het uitzendbureau, voelde ik een harde stomp in mijn rug. Ik zag dat ik links werd ingehaald door een man en dat hij in zijn rechterhand een zilverkleurig puntig mes vast had. Ik realiseerde mij op dat moment dat ik was gestoken met een mes. Ik ben gestopt en heb op de pijnlijke plek op mijn rug gevoeld. Ik zag dat ik bloed op mijn hand had. Ik had een snijwond vlak naast mijn nieren.

12. Een proces-verbaal van 17 februari 2009 met het nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie (dossierpagina 21). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Aangeefster [slachtoffer 2] gaf aan dat zij is verbonden met de Jehova's getuigen.

13. Een proces-verbaal van 14 april 2008 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 12], hoofdagent van politie (dossierpagina 29-31) Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1]:

Op 11 april 2008 stond ik bij het verkeerslicht bij het Kennemerplein (het hof begrijpt: te Haarlem) te wachten. Toen het licht op groen sprong, ging iedereen rijden. De vrouw die gestoken is, reed vooruit. De man die de vrouw heeft gestoken reed links naast haar, iets achter haar aan de zijkant. Ik zag dat de man iets uit zijn rechter jaszak haalde, ik dacht aan een priem of een mes. Ik zag dat hij de vrouw stak. De man zag er uit als een Hollandse jongen. Hij droeg een wollen muts, bordeauxrood, met een omgeslagen rand.

14. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2008 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], brigadier van politie (dossierpagina 34-38). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik heb haar (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) neergestoken. Zij stopte voor het stoplicht achter het station. Ik was ook op de fiets. Zij stak de kruising over, ik fietste achter haar aan. Ik heb haar gestoken in haar rug met een knipmes. Ik had dit mes speciaal om Jehova's dodelijk aan te pakken. Ik dacht dat zij dood was, want ik had haar goed geraakt.

15. Een proces-verbaal van 2 februari 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (dossierpagina 47-61). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik weet waar zij (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) woont omdat ik haar al een paar keer achterna heb gezeten en haar niet te pakken kreeg. Op de dag van het steekincident had ik het mes in mijn rechterhand en ik stak haar van onder naar boven, aan de linkerkant van haar ruggenwervel. Ik wilde haar niet voor de zoveelste keer door de vingers laten glippen. Ik wilde haar zo dodelijk mogelijk raken. Ik droeg een wollen muts, een paarse of blauwe. Je kon die omdraaien, binnen een andere kleur dan buiten.

16. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 28 januari 2009, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik wil u nog zeggen dat ik in april 2008 een poging tot moord heb gepleegd op een vrouwelijke Jehova getuige die achter het station in Haarlem fietste.

Feit 2 (vernieling ruiten)

17. Een proces-verbaal van aangifte van 10 juni 2007 met nummer PL1227/07-073552, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 13], aspirant van politie (dossierpagina 77-78). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2]:

Ik doe aangifte van vernieling van ruiten in de drie voordeuren van [pand] aan de [adres 1] te Haarlem. Op 10 juni 2007 werd ik gebeld door de secretaris van de geloofsgemeenschap die was gebeld door de vrouw die direct boven [pand] woont. Zij vertelde dat die ochtend, rond 07.15 uur, een man de ramen van de voordeur van [pand] had ingegooid.

18. Een proces-verbaal van 5 februari 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (dossierpagina 70-71). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

In 2007 heb ik ruiten vernield van de [pand] in de [adres].

19. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2010, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb in de nacht van 9 op 10 juni 2007 de ruiten van het [pand] aan de [adres 1] in Haarlem stuk gegooid.

Feit 3 (inbraak [pand])

20. Een proces-verbaal van 17 januari 2008 met nummer PL1228/08-001951, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 14], hoofdagent van politie (dossierpagina 80-82). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als aangifte van [getuige 3]:

Ik doe aangifte van inbraak. Het weggenomen goed behoort in eigendom toe aan de [slachtoffer 4] te Haarlem. Op vrijdag 4 januari 2008 omstreeks 22.00 uur werd het pand aan de [adres 1] afgesloten en in goede orde achtergelaten. Op zaterdag 5 januari 2008 omstreeks 11.30 uur zag ik dat aan de achterzijde de deur van de nooduitgang geopend was. Ik zag in het kozijn enkele moeten zitten. Er zijn enkele kaarten met daarop onze gebieden voor het huis-aan-huis-werk weggenomen, en ook lijsten met adressen.

21. Een proces-verbaal van 2 februari 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (dossierpagina 47-61). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

De [slachtoffer 4] zitten in de [adres 1] in Haarlem. Ik heb daar ingebroken. Ik heb bij die inbraak een adressenlijst meegenomen.

22. Een proces-verbaal van 5 februari 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], brigadiers van politie (dossierpagina 64-69). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

De inbraak in de [pand] in de [adres] te Haarlem was op een avond. Het was in 2008. Ik had een paar stukken metaal die als breekijzer konden fungeren; verder had ik een schroevendraaier bij me. Nadat ik de deur had opengebroken, ben ik naar binnen gegaan. Ik heb ladekasten doorzocht. De buit bestond uit een paar tientjes, een lijst met namen en adressen van [betrokkenen], een paar tijdschriften en een lijst met duizend niet-aanbel-adressen.

15-710158-09

(brandstichting [adres 2] en poging moord [slachtoffer 3])

23. Een proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2009 met nummer PL1229/09-060061, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 15], brigadiers van politie (dossierpagina 130-132). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 3]:

Ik ben aangesloten bij de Jehova's getuigen. Ik woonde op 17 december 2007 op de eerste verdieping van het pand aan de [adres 2] te Haarlem. In die nacht is er brand uitgebroken. De brand is ontstaan op de eerste verdieping en wel voor de branddeur. Deze branddeur geeft toegang tot twee appartementen. Een van die appartementen werd door mij bewoond. Ik hoorde de politie schreeuwen dat er brand was en dat ik het pand onmiddellijk moest verlaten. Ik heb dit meteen gedaan en ik zag toen dat de branddeur op de eerste verdieping in brand stond.

24. Een proces-verbaal van 17 december 2007 met het nummer PL1228/07-156636, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 15], hoofdagent van politie (dossierpagina 108-109). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 3].

Ik ben de bewoner van een appartement op de tweede verdieping van perceel [adres 2] te Haarlem. In totaal bestaat het gebouw uit 4 verdiepingen en in totaal 5 appartementen. Op maandag 17 oktober 2007, omstreeks 05.40 uur, werd ik wakker door een klap. Ik ben uit bed gegaan, liep naar de gangdeur en opende deze. Ik keek in de hal en naar de deur van het trappenhuis. Ik zag dat de gang vol rook stond. Ik zag dat onder de deur van het trappenhuis vlammen de gang in kwamen. Deze vlammen waren ongeveer 1,50 tot 2 meter hoog. Toen ik via de trap naar beneden liep, zag ik dat de deur van het appartement op de eerste verdieping op sommige plekken gloeide.

25. Een proces-verbaal brandonderzoek van 6 februari 2008 met nummer PL1266/07-156636, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16] en [verbalisant 17], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie (dossierpagina 117-129). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

Op maandag 17 december 2007 werd door ons een onderzoek ingesteld in verband met de brand in perceel [adres 2] te Haarlem. Ten tijde van het onderzoek werden 16 digitale fotografische opnamen gemaakt.

Wij zagen dat het plateau op de vloer en de voordeur van het eerste appartement door vuur was aangetast. De bekleding van de trap van dit plateau naar de tweede verdieping was bij de trapboom aan de linkerzijde door vuur aangetast (foto 4). De deurpost en de bekleding van dit plateau van de eerste verdieping waren geblakerd (foto 7 tot en met 9).

De drempel bij deze voordeur was over de gehele breedte van de deur ingebrand tot onder de deur. De afscheiding van deze inbranding toonde een voor een vloeistofbrand karakteristieke grillige vorm (foto 10 tot en met 12).

Door ons zijn de brandresten op het plateau verwijderd, zodat het brandpatroon op de vloer zichtbaar werd (foto 15). Dit brandpatroon tekende zich af vanaf de voordeur schuin richting de trap naar de tweede verdieping en besloeg ongeveer de helft van het plateau. Ook hier was de voor een vloeistofbrand karakteristieke vorm zichtbaar (foto 16).

Gelet op:

- het ontbreken van een technische installatie die een dergelijke brand veroorzaakt kan hebben;

- de voor een vloeistofbrand karakteristieke vorm van inbranding op de drempel van de deur op de eerste verdieping;

- het gehele oppervlak van die deur dat door vuur is aangetast;

- de plaats en vorm van inbranding op het plateau,

is opzettelijke brandstichting door middel van het aanbrengen en ontsteken van een brandbare vloeistof op de voordeur van de woning op de eerste etage de oorzaak van de brand.

26. Een brief van de verdachte aan de hoofdofficier van justitie van 27 april 2009, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op de pro-formazitting van 23 april 2009 vertelde ik over een moordaanslag in december 2007. Ik drong toen een woning op de [adres 2] H'lem binnen, boven een kapperszaak, alwaar een Jehova's getuige een kamer huurt. Ik boorde 's nachts een gat in de kamerdeur, liet daar circa 2 liter brandstof naar binnen lopen en hield er een vuurtje bij met als bedoeling dit figuur levend te verbranden.

27. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 april 2009, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

In december 2007 ben ik een woning aan de [adres 2] binnengeklommen. Ik maakte een gat in de voordeur. Ik had brandstof bij mij om ze levend in de brand te steken.

28. Een proces-verbaal van 8 mei 2009 met nummer PL1227/08-042727, in de wettelijke vorm opgemaakt door A.M. Baijle en S. Rob, brigadiers van politie (dossierpagina 133-138). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte:

Ik heb geprobeerd om op de [adres 2] die vrouw te doden door daar brand te stichten. Ik zag op een gegeven moment deze vrouw in haar eentje lopen en ben haar achterna gefietst en toen bleek ze op de Groenmarkt te wonen, boven een kapperszaak.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn - ook in hun onderdelen - telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben. Het onder 26 vermelde geschrift wordt slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen in de zaak met parketnummer 15-710158-09.

De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 15-700801-08:

poging tot moord.

in de zaak met parketnummer 15-700256-09:

feit 1: poging tot moord

feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

feit 3: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

in de zaak met parketnummer 15-710158-09:

poging tot moord.

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

In opdracht van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Haarlem, heeft drs. M.F. Raven, psycholoog, een onderzoek ingesteld omtrent de persoonlijkheid van de verdachte. In haar rapport van 9 december 2008 heeft Raven vermeld dat de verdachte weigerde mee te werken aan het onderzoek en dat er aanwijzingen zijn dat die weigering voortkomt uit wantrouwen, passend bij een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, waarschijnlijk een psychotische stoornis.

De verdachte is vervolgens ter observatie opgenomen in het Pieter Baan Centrum (verder: PBC), dat op 8 mei 2009 rapport heeft uitgebracht. Dat rapport houdt onder andere in dat, mede vanwege de weigering van de verdachte mee te werken aan het milieuonderzoek, weinig bekend is geworden over het verloop en de ontwikkeling van verdachte's leven sinds het PBC-rapport dat in 1983 omtrent de verdachte is uitgebracht.

Door de betrokken psycholoog, P.A.E.M.T. Cremers, is voorts ten aanzien van de persoonlijkheid van de verdachte het volgende opgemerkt (PBC-rapport 2009, p. 24 e.v.):

Betrokkene komt naar voren als een bovengemiddeld intelligente man, die zich ten gevolge van complotterings- en samenzweringsgedachten bedreigd voelt door het Wachttorengenootschap van de Jehova's getuigen, GGZ De Geestgronden en de Sociale Dienst te Haarlem. Hij heeft verregaande paranoïde gedachten over het Wachttorengenootschap. Betrokkene maakt niet zozeer een verwarde indruk, eerder is in zijn waangedachten een zekere systematiek zichtbaar die zich, afgaande op zijn verhalen, al jaren geleden begon te ontwikkelen. Betrokkene zegt dat de Jehova's getuigen vanaf 1995 een steeds grotere bemoeienis met hem hadden en hij vanaf 2001 moeite moest doen hen op afstand te houden. In 2004 zouden de Jehova's getuigen geprobeerd hebben hem in een psychiatrische inrichting te laten opnemen. In 2008 worden door betrokkene vreemde lichamelijke belevingen, ervaringen en achterdochtige gedachten geventileerd in de richting van de coach van de Sociale Dienst en GGZ De Geestgronden, waarmee het waansysteem lijkt uit te breiden. Van een gebrekkige beheersing van het gedrag of een gestoorde agressiehuishouding is niet gebleken. Betrokkene lijkt eerder berekenend dan impulsief. Hij lijkt een eenling, maakt een vreemde indruk, is formeel en afstandelijk en in emotioneel opzicht wat afgevlakt en kil. Hiermee lijkt zijn persoonlijkheid ook enkele schizoïde karaktertrekken te hebben.

In de differentiaaldiagnostiek dient schizofrenie genoemd te worden, met name ook vanwege de genoemde schizoïde trekken. Er is echter te weinig zicht op het verloop van betrokkene's pathologie en van zijn achtergronden om deze diagnose duidelijk te kunnen stellen. Betrokkene's paranoïde waanvorming staat in elk geval vast, waarschijnlijk is sprake van een waanstoornis, doch nader onderzoek zou moeten uitwijzen of schizofrenie kan worden uitgesloten.

Psychiater D.J. Vinkers heeft ten aanzien van de persoonlijkheid van de verdachte het volgende overwogen (PBC-rapport 2009, p. 33 e.v.):

Bij betrokkene is sprake van een paranoïde waanstoornis, waarbij hij zich het slachtoffer voelt van Jehova's getuigen. Deze waan lijkt zich over de loop van jaren te hebben ontwikkeld en uit zich in een oncorrigeerbare overtuiging waarmee hij zich emotioneel sterk verbonden voelt. Een waanstoornis is een psychotische stoornis. Betrokkene is tijdens het onderzoek dan ook psychotisch in de zin dat hij een waan heeft.

Differentiaaldiagnostisch zou ook gedacht kunnen worden aan schizofrenie. Hierbij past echter niet de leeftijd van ontstaan, het ontbreken van bizarre wanen en hallucinaties, de onbelaste familieanamnese en de alertheid van betrokkene in het contact.

Qua persoonlijkheid is het moeilijker om tot een conclusie te komen omdat de waanstoornis nu zo prominent is. Er zijn in ieder geval aanwijzingen voor schizoïde persoonlijkheidstrekken. De impulsiviteit en agressiehuishouding zijn echter niet gestoord. Betrokkene is juist iemand die probeert te reflecteren en de controle probeert te houden.

De gedragsdeskundigen hebben geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een paranoïde waanstoornis bij schizoïde en antisociale persoonlijkheidstrekken. Hun advies inzake de toerekenbaarheid van de verdachte luidt als volgt (PBC-rapport p. 35-36):

Betrokkene wordt ten laste gelegd dat hij een vrouw (hof: [slachtoffer 1]) met een staaf op haar hoofd heeft geslagen. Hij is hiertoe gekomen omdat hij de overtuiging had dat Jehova's getuigen de controle over hem wilden overnemen. Enkele dagen daarvoor had betrokkene conflicten bij de Sociale Dienst en GGZ De Geestgronden en er dreigde een uithuiszetting vanwege een onbetaalde rekening. Hij zag nog maar één uitweg: het slaan van een onbekende voorbijganger, zodat hij zou worden gedetineerd of opgenomen. Het ten laste gelegde lijkt dus enerzijds een instrumentele en berekenende daad om zichzelf in veiligheid te brengen, waarbij echter anderzijds betrokkene's gevoel van onveiligheid was ontstaan ten gevolge van zijn paranoïde wanen. Wij achten betrokkene sterk verminderd toerekeningsvatbaar voor het ten laste gelegde, indien bewezen.

Beide deskundigen zijn ter terechtzitting in hoger op 1 maart 2011 uitvoerig gehoord. Zij hebben toen onder andere verklaard dat de verdachte zich door zijn waanbeelden zo in het nauw gedreven voelt, dat hij de Jehova's getuigen een halt wil toeroepen, waarbij hij echter verre van impulsief handelt, maar rationeel en weloverwogen te werk gaat.

Met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten aanzien van de aanslag op mw. [slachtoffer 1] heeft psycholoog Cremers op voormelde terechtzitting, in aanvulling op hetgeen in het PBC-rapport terzake is vermeld, het volgende verklaard:

Er zijn momenten geweest waarop de verdachte keuzevrijheid heeft gehad. Voorafgaand aan het incident met mevrouw [slachtoffer 1] heeft de verdachte andere mensen achtervolgd, maar toen heeft hij van zijn plannen hen kwaad te berokkenen afgezien, omdat deze mensen omkeken. Dit houdt in dat hij niet volledig werd gedreven door zijn drang zich aan de vermeende stalking te onttrekken en dat maakt ook dat hij niet volledig ontoerekeningsvatbaar maar sterk verminderd toerekeningsvatbaar is.

Psychiater Vinkers heeft zich hierbij aangesloten en heeft tevens opgemerkt:

In het PBC-rapport is geadviseerd de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten (...), omdat hij geen inzicht heeft in de (on)redelijkheid van zijn overtuigingen, bijvoorbeeld ten aanzien van de Jehova's getuigen, maar hij wel besefte dat zijn handelingen onrechtmatig waren en hij hierdoor mogelijk in de gevangenis terecht zou komen. Hij was dus in staat zijn gedrag enigszins bij te sturen en had daar nog invloed op, hetgeen inhoudt dat de verdachte niet geheel ontoerekeningsvatbaar was.

In aansluiting op de bevindingen van de deskundigen en op grond van de verklaringen die de verdachte bij de politie en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd, is het hof van oordeel dat de waanstoornis van de verdachte aanvankelijk alleen betrekking had op Jehova's getuigen en dat deze in een later stadium is uitgebreid waardoor ook de GGZ-instelling De Geestgronden en de Sociale Dienst te Haarlem subject zijn geworden van de paranoïde beeldvorming bij de verdachte. De Jehova's getuigen zijn echter in die waanstoornis de meest prominente plaats blijven innemen. In zijn meermalen geuite wens anderen van het leven te beroven, waren steeds Jehova's getuigen de beoogde slachtoffers. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij tot de aanslag op [slachtoffer 1] is gekomen doordat hij zich in ernstige mate bedreigd voelde - hetgeen hem vaker overkwam als hij dacht met Jehova's getuigen te maken te hebben - en meende door middel van een geweldsdelict in de gevangenis terecht te kunnen komen en zich aldus in veiligheid te kunnen brengen. Ook volgens de deskundigen van het PBC bestaat er een verband tussen verdachte's gerichtheid op de Jehova's getuigen en zijn motief voor het plegen van de aanslag op [slachtoffer 1]. De opvatting van de raadsvrouw dat de Jehova's getuigen in de beleving van de verdachte geen rol speelden bij de poging tot moord op [slachtoffer 1] wordt door het hof dan ook niet gedeeld.

Niettegenstaande de omstandigheid dat de verdachte niet aan alle onderdelen van het onderzoek in het PBC heeft meegewerkt, acht het hof zich door het PBC-rapport voldoende voorgelicht over de voor de onderhavige zaak relevante aspecten van de geestestoestand van de verdachte. Daaraan kan het feit dat het gestelde gebruik van het medicijn Mirtazapine en de mogelijke bijwerkingen daarvan niet in het onderzoek van het PBC zijn betrokken, niet afdoen. Namens de verdachte is weliswaar een (kopie van een) op naam van de verdachte gesteld recept voor Mirtazapine overgelegd, maar niet valt in te zien dat de verdachte dit medicijn verstrekt heeft gekregen en tegelijkertijd over het recept daarvoor is kunnen blijven beschikken. Voorts staat vast dat de verdachte dit medicijn niet gebruikte toen hij werd opgenomen in het PBC. Indien desalniettemin zou moeten worden aangenomen dat de verdachte enige tijd Mirtazapine heeft gebruikt, dan is niet aannemelijk dat de bijwerkingen daarvan - in het bijzonder de door de raadsvrouw genoemde versterking van paranoïde gedachten - van invloed zijn geweest op verdachte's handelen ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De verdachte heeft op geen enkel moment verklaard dat hem terzake bijzondere of concrete wijzigingen in zijn gemoedstoestand of gedrag zijn opgevallen. Voorts heeft Vinkers ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat patiënten bij dergelijke bijwerkingen het gebruik van Mirtazapine uit eigen beweging stopzetten omdat ze er zich erg vervelend door voelen en de verdachte, mede door zijn stoornis, toch al geen persoon is die zijn medicatie trouw inneemt.

Ten aanzien van de beoordeling van de mate waarin de andere feiten (dan de aanslag op [slachtoffer 1]) aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft het volgende te gelden.

Zoals eerder overwogen, zijn het in het bijzonder de Jehova's getuigen die een prominente plaats innemen in de waanstoornis van de verdachte. Hij heeft hen, ook ter terechtzitting in hoger beroep, beschuldigd van velerlei, vooral jegens hem zelf gerichte, onacceptabele praktijken, zoals "manipulatie door misbruik van parapsychologie", "psychologische oorlogsvoering", "groepsstalking", "cyberstalking", bedreigingen, sadisme, "verkapte zedendelicten", "vervalsing van identiteit", pathologische leugens, het afluisteren van telefoongesprekken, het hacken van computers, het verzenden van "traumatiserende e-mailberichten", stalking in het PBC en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ter terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2011 heeft de verdachte verklaard dat de Jehova's getuigen met hem afspraken hebben gemaakt "waarmee wordt gedoeld op mijn overlijden", dat hij door hen is bedreigd met een "geloofsuitspraak", dat de [betrokkene 2], rondjes om de verdachte heeft gefietst om hem te ergeren, dat Jehova's getuigen "horrorpraktijken" toepassen en een sadomasochistische sekte met misdadige kanten vormen. Uit hetgeen de verdachte voorts heeft verklaard over de vernieling van de ruiten van de [pand], de inbraak in dat perceel, de brandstichting, de poging tot moord op [slachtoffer 3] en de poging tot moord op [slachtoffer 2], kan worden afgeleid dat het motief van de verdachte voor het plegen van deze feiten direct te herleiden is tot zijn paranoïde gedachten over de Jehova's getuigen.

Anderzijds kan uit de verklaringen en de brieven van de verdachte over deze door hem gepleegde feiten worden afgeleid dat hij ook te dien aanzien inzicht had in de onrechtmatigheid van zijn gedrag, terwijl ook bij deze feiten de weinig impulsieve, juist weloverwogen aard van zijn handelen opvalt.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat zowel de poging tot moord op [slachtoffer 1] als de andere bewezen verklaarde feiten aan de verdachte slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Gelet op het voorgaande en op hetgeen het hof bij de strafmotivering zal overwegen ten aanzien van het gevaarscriterium, en in aanmerking genomen de opmerkingen van Cremers en Vinkers ter terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2011 (proces-verbaal p. 13 resp. p. 9) dat als de verdachte volledig had medegewerkt aan het onderzoek, de bij hem geconstateerde problematiek niet anders was geweest, ziet het hof geen noodzaak bij wijze van contra-exterpertise een nieuw onderzoek naar de persoonlijkheid van de verdachte te doen verrichten, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen. Het hof overweegt daarbij nog in het bijzonder dat ook indien de resultaten van zo'n nieuw persoonlijkheidsonderzoek aanleiding zouden geven de verdachte ten aanzien van alle feiten volledig ontoerekeningsvatbaar te achten, die enkele omstandigheid het hof - zoals hierna zal worden overwogen - niet zal brengen tot oplegging van de maatregel van plaatsing in een psychiatrische inrichting.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het in de zaak met parketnummer 15-700801-08 primair, het in de zaak met parketnummer 15-700256-09 onder 1 primair, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en in voorlopige hechtenis, en tot terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie pogingen tot moord, een vernieling, een inbraak, en een brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen.

De verdachte heeft 's nachts op straat een jonge, nietsvermoedende vrouw, zonder enige aanleiding met een ijzeren pijp op het hoofd geslagen. Het slachtoffer heeft hierdoor een hoofdwond die moest worden gehecht en een hersenschudding opgelopen. Dat de klap geen dodelijke gevolg heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet aan de verdachte te danken is. Naast fysiek letsel heeft het feit voor het slachtoffer, zo is gebleken uit haar ter terechtzitting in hoger beroep door het hof voorgelezen schriftelijke verklaring, ook aanzienlijke psychische gevolgen gehad: zij is schrikachtig geworden, heeft te kampen gehad met nachtmerries, heeft nog steeds last van hoofdpijn op de plek waar zij is geslagen en heeft moeite zich te concentreren, waardoor zij nog steeds geen vervolgstudie aan kan.

Voorts heeft de verdachte op klaarlichte dag en in de nabijheid van omstanders een vrouw, die hij kende als Jehova's getuige, op de fiets met een mes in de zijkant van haar rug gestoken, waarna het slachtoffer in het ziekenhuis moest worden behandeld. Door dit feit is het slachtoffer naar eigen zeggen veranderd van een energieke jonge vrouw in een lusteloos, vermoeid persoon die moeite heeft zich te concentreren. Als gevolg hiervan is zij haar baan kwijtgeraakt en was zij angstig om zich buiten op straat te begeven.

De verdachte heeft tevens gepoogd door middel van brandstichting [slachtoffer 3], eveneens een jonge vrouw en Jehova's getuige, om het leven te brengen.

Dergelijke zeer ernstige geweldsmisdrijven, die de verdachte welbewust heeft gepleegd, laten diepe sporen na bij de slachtoffers, zoals ook uit de verschillende schriftelijke verklaringen van de slachtoffers is gebleken. Daarnaast veroorzaken zij ernstige beroering en versterken zij gevoelens van onveiligheid en onbehagen in de maatschappij.

Bovendien heeft de verdachte door brand te stichten de slapende jeugdige bewoners van het desbetreffende pand in levensgevaar gebracht en, zo blijkt uit de foto's in het dossier, veel schade aangericht. Dit heeft aanzienlijke financiële gevolgen gehad en heeft bovendien voor de bewoners hinder en overlast veroorzaakt.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een inbraak in een gebouw van de Jehova's getuigen en aan vernieling van ruiten van een aan hen toebehorende kerk. Dergelijke feiten zorgen voor veel overlast en tevens voor financiële schade.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 mei 2011 is de verdachte eerder ter zake van misdrijven veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, de door de rechtbank opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf onvoldoende recht doen aan de ernst van in het bijzonder de gepleegde geweldsmisdrijven. Niettegenstaande de omstandigheid dat de feiten aan de verdachte slechts in sterk verminderde mate worden toegerekend, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaren en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het eerdergenoemde PBC-rapport houdt onder meer het volgende in (p. 36):

Het recidiverisico van soortgelijke delicten achten wij zeer groot. Betrokkene heeft immers nog steeds de waan dat sprake is van een complot van Jehova's getuigen. Wanneer hij zich weer bedreigd voelt, zal het risico dat hij geweld gaat gebruiken tegen anderen groot zijn. Betrokkene vertelt niet alleen eerder te hebben ingebroken in een [pand] van de Jehova's getuigen, maar ook een Jehova's getuige met een mes te hebben gestoken.

Hoewel betrokkene mogelijk een antipsychotische behandeling zal accepteren, is het risico dat hij deze behandeling staakt zeer groot. Ook is de uitkomst van deze behandeling van de waanstoornis onduidelijk. Vaak verdwijnt een dergelijke waan nooit helemaal, maar worden met een behandeling alleen nieuwe psychotische episoden voorkomen. Wij adviseren daarom de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De behandeling zal zich moeten richten op anti-psychotische behandeling en cognitief-gedragstherapeutische behandeling van de angstklachten en het aanklampende gedrag.

De gedragsdeskundigen hebben ter terechtzitting in hoger beroep op 1 maart 2011 verklaard dat de geestestoestand van de verdachte naar hun indruk nog hetzelfde was als toen zij de verdachte in het PBC onderzochten. Voorts hebben zij erop gewezen dat bij de verdachte sprake is van ontbrekend ziekte-inzicht, dat zijn behandeling langere tijd in beslag zal nemen maar hij niet gemotiveerd is voor een behandeling, dat hij een gevaar voor andere mensen vormt vanwege zijn waanstoornis en dat bij dreigend controleverlies de kans op geweld heel groot is. De kans op herhaling wordt groot geacht.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte op dwingende en hardnekkige wijze getracht de juistheid van zijn standpunten over de Jehova's getuigen voor het voetlicht te brengen. Tevens heeft hij de indruk gewekt na een eventuele invrijheidstelling zijn strijd tegen de Jehova's getuigen voort te zetten en daarbij wederom het gebruik van geweld niet te schuwen. Het hof heeft geen enkel aanknopingspunt gevonden voor de conclusie dat de geestestoestand van de verdachte is veranderd sinds hij in het PBC is onderzocht en evenmin voor het oordeel dat de kans op herhaling van (gewelds)misdrijven is afgenomen. Het hof acht daarentegen, met de deskundigen van het PBC, de kans op herhaling groot. Voorts is aannemelijk dat de verdachte een behandeling van langere duur zal moeten ondergaan, dat bij hem elk ziekte-inzicht ontbreekt en hij niet gemotiveerd is voor een behandeling.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat alleen de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging een adequate reactie is ter bescherming van de maatschappij en de behandeling van de verdachte. De algemene veiligheid van personen en goederen vereist de terbeschikkingstelling van de verdachte en diens verpleging, terwijl de door de verdachte gepleegde misdrijven - met uitzondering van de vernieling - zijn bedreigd met een gevangenisstraf van meer dan vier jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 157, 289, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

De benadeelde partijen

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 2.042,39. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-700801-08 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 19 mei 2011 verklaard dat hij bereid is de gevorderde schade te vergoeden. Ook naar het oordeel van het hof is de verdachte tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding voor immateriële schade, gelet op het letsel dat het feit heeft veroorzaakt en de gevolgen die het feit voor haar heeft gehad, in zijn geheel dient te worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg niet overeenkomstig artikel 51b, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. De reden die hiervoor in de brief van Slachtofferhulp Nederland wordt gegeven, is dat die [benadeelde partij 2] in eerste aanleg geen voegingsformulier heeft ontvangen. Eerst in hoger beroep heeft de benadeelde partij zich gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 3.167,61.

Gelet op het bepaalde in artikel 421, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, is de benadeelde partij die zich niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b, eerste of tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd daartoe onbevoegd in het geding in hoger beroep. Het hof zal de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk dienen te verklaren in haar vordering.

Het hof ziet in de omstandigheden van het geval echter aanleiding te bepalen dat aan de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 15-700256-09 onder 1 primair bewezen verklaarde - nu is gebleken dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreekse schade tot een bedrag van € 1.219,90, bestaande uit € 219,00 materiële en € 1000,00 immateriële schade - de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 7.478,76. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.581,40. De benadeelde partij heeft kenbaar gemaakt dat zij de volledige vordering in hoger beroep wenst te handhaven.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering slechts tot een bedrag van maximaal € 390,00 - ten aanzien van de reiskosten voor de bezoeken aan Haarlem en de schoonmaakkosten - kan worden toegewezen, dat de benadeelde partij ten aanzien van een aantal onderdelen van de vordering niet ontvangen kan worden en dat de vordering voor het overige dient te worden afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de kosten voor de trapbekleding door de verzekering zijn vergoed en bovendien zijn zij door middel van een factuur voldoende onderbouwd. Het hof acht echter gronden van billijkheid aanwezig om de vergoeding voor de kosten voor de trapbekleding te matigen tot een bedrag van € 700,00. Tevens zal het de vordering voor wat betreft de reiskosten en de schoonmaakkosten - in totaal € 390,00 - toewijzen.

Ten aanzien van de overige kosten is het hof van oordeel dat niet of onvoldoende is vast komen te staan dat deze rechtstreeks voortvloeien uit het feit, zodat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zal worden in haar vordering en deze slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 200,00. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 3.000. Gelet op het bepaalde in artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, kan de benadeelde partij zich in hoger beroep alleen binnen de grenzen van de vordering in eerste aanleg voegen, zodat zij niet-ontvankelijk is haar vordering voor zover die het in eerste aanleg gevorderde bedrag te boven gaat.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zal het hof de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot een bedrag van € 200,00.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-700801-08 primair, het in de zaak met parketnummer 15-700256-09 onder 1 primair, 2 en 3 en het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en de verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, en/of artikel 27a Sr bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-700801-08 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.042,39 (tweeduizend tweeënveertig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 572,39 (vijfhonderdtweeënzeventig euro en negenendertig cent) aan materiële schade en € 1.470,00 (duizend vierhonderdzeventig euro) aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 2.042,39 (tweeduizend tweeënveertig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 572,39 (vijfhonderdtweeënzeventig euro en negenendertig cent) aan materiële schade en € 1.470,00 (duizend vierhonderdzeventig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 1.219,90 (duizend tweehonderd en negentien euro en negentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 24 (vierentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij 3] terzake van het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 bewezen verklaarde tot een bedrag van € 1.090,00 (duizend negentig euro) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 1.090,00 (duizend negentig euro) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 (eenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde [benadeelde partij 4] terzake van het in de zaak met parketnummer 15-710158-09 bewezen verklaarde tot een bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.M. van Woensel en mr. M.E.A. Wildenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Binken, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 juni 2011.

mr. M.E.A. Wildenburg is buiten staat dit arrest te ondertekenen.