Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-04-2011
Datum publicatie
24-05-2011
Zaaknummer
200.005.386-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2008:BC5970, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat wegens te laat instellen beroep voor restaurant in bestuursrechtelijke procedure tegen door UWV opgelegde naheffingsaanslagen premie. Inschatting van de kans dat het beroep gegrond zou zijn verklaard indien het tijdig zou zijn ingesteld. Invloed schikkingsovereenkomst met belastingdienst. Betekenis weigering bestuursorgaan om terug te komen op eerder genomen besluit. Schadeberekening. ZIe ook tussenarrest LJN: BQ5804

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.005.386/01

19 april 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. P.J. de Booij te Almere,

t e g e n

1. [GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

2. de maatschap naar burgerlijk recht

DE VOS & PARTNERS ADVOCATEN,

gevestigd en zaakdoende te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam.

De inhoud van het tussenarrest van 28 september 2010 wordt als herhaald en ingelast beschouwd.

1. Het verdere procesverloop

1.1 In het tussenarrest van 28 september 2010 heeft het hof

de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van [appellant].

1.2 [appellant] heeft hierop een akte houdende uitlating na

tussenarrest genomen.

1.3 [geïntimeerden] heeft een antwoord-akte genomen.

1.4 Vervolgens hebben partijen om arrest gevraagd.

2. De verdere beoordeling

2.1 In het tussenarrest van 28 september 2010

heeft het hof in r.o. 3.23 overwogen dat [appellant] nadere stukken in het geding dient te brengen ter specificatie van de door hem als schade gevorderde kosten van LTB Accountants.

2.2 [appellant] heeft in zijn akte na tussenarrest de betreffende facturen van LTB Accountants van 10 februari 2006 en 5 mei 2006 in het geding gebracht, alsmede de bijbehorende specificaties van LTB Accountants. Daarbij heeft hij van deze facturen thans uitsluitend vergoeding gevraagd van de kosten van werkzaamheden die zagen op de procedure jegens [geïntimeerden], in totaal tot een beloop van € 11.569,-- (in plaats van het eerder opgevoerde bedrag van € 22.991,--).

2.3 Naar ’s hofs oordeel heeft [appellant] dit bedrag hiermee in toereikende mate onderbouwd, zodat het hof deze schadepost toewijsbaar acht. Dat de factuur op naam van [naam] is gesteld, doet hieraan niet af, nu, gelet op het adres dat op de factuur is vermeld en op de omschrijving van de werkzaamheden op de specificaties van LTB Accountants, de betreffende werkzaamheden onmiskenbaar betrekking hebben gehad op de onderhavige procedure.

2.4 Ook het bij factuur van 28 april 2005 in rekening gebrachte bedrag van € 3.189,20 (prod. 15 akte [appellant]), dat betrekking heeft op het in de procedure ingebrachte rapport van Van Dijk, betreft naar ’s hofs oordeel redelijke kosten ter vaststelling van schade. Ook deze kosten acht het hof derhalve toewijsbaar.

Hetzelfde geldt voor het bedrag van € 1.781,52 (prod. 6),

dat ziet op kosten die door M.C.J. Buijck gemaakt zijn in het kader van de onderhavige procedure. Ook dit bedrag acht het hof toewijsbaar.

2.5 Voorts heeft het hof in r.o. 3.24 van het tussenarrest [appellant] opgedragen stukken in het geding brengen ter onderbouwing van de door hem gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft hiertoe bij zijn akte een overzicht van gedeclareerde verrichtingen door Willems Advocaten Almere (prod. 11) overgelegd. Blijkens de toelichting gaat het hier om kosten gemaakt in het kader van een kort geding procedure en het voorlopig getuigenverhoor. In de akte vermeldt [appellant] dat bij beide gelegenheden pogingen zijn ondernomen om tot een vergelijk te komen.

2.6 In haar antwoord-akte heeft [geïntimeerden] niet weersproken dat de gestelde schikkingsonderhandelingen hebben plaatsgevonden. Naar ’s hofs oordeel komen de met deze onderhandelingen gemoeide kosten als buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking. Het hof zal hiervoor ex aequo et bono een bedrag van € 10.000,-- vaststellen.

2.7 [appellant] heeft nog vergoeding van immateriële schade gevorderd. Deze schade is naar ’s hofs oordeel niet toewijsbaar, nu niet gebleken is dat voldaan is aan de voorwaarden die daarvoor blijkens vaste rechtspraak gelden.

Ook voor de vergoeding van ‘de kosten van uitkoop van Mario’, ziet het hof onvoldoende grond, nu deze, blijkens de daarop gegeven toelichting, niet zozeer het gevolg was van de beroepsfout van [geïntimeerde 1], maar van de inval als omschreven in r.o. 2.4 van het tussenarrest.

2.8 Uit het voorgaande, en uit hetgeen reeds in het tussenarrest is beslist, volgt dat als schade in totaal toewijsbaar is:

€ 84.295,35

€ 3.189,20

€ 11.569,--

€ 1.781,52

€ 10.000,00 +

€ 110.835,07

Slotsom

2.9 De grieven I, II en IV slagen grotendeels. De overige grieven falen of behoeven verder geen bespreking meer. Het hof zal [geïntimeerde 1] alsmede de Maatschap Vos & Partners hoofdelijk veroordelen tot betaling van een schadebedrag aan [appellant] van € 110.835,07.

Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het bedrag van € 84.295,35 zal het hof de ingangsdatum stellen op het moment dat de schade is geleden, welk moment schattenderwijs gesteld wordt op 1 januari 2001.

Voor het resterende bedrag van € 26.539,72 gaat het hof uit van de datum van de dagvaarding.

2.10 Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zullen [geïntimeerden] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van

13 juni 2007 en 27 februari 2008;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde 1] alsmede de Maatschap De Vos & Partners, hoofdelijk, in die zin dat als de een betaald heeft de ander zal zijn gekweten, tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 110.835,07, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 84.295,35 vanaf

1 januari 2001 en voor een bedrag van € 26.539,72 vanaf

7 augustus 2006, beide te berekenen tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de [geïntimeerde 1] en de Maatschap De Vos & Partners hoofdelijk in de kosten van de procedure en begroot deze aan de zijde van [appellant]

in eerste aanleg op € 2.624,87 aan verschotten en

€ 4.263,-- voor salaris van de advocaat;

in hoger beroep op € 3.531,80 aan verschotten en

€ 9.212,-- voor salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, J.C. Toorman en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken op

19 april 2011 door de rolraadsheer.