Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5682

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
200.045.099-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ6945, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX9023, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX9023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemeenteraadslid moet ontvangen vergoedingen terugbetalen aan Stichting Bestuursassistentie CDA. Besluiten tot toekenning van forfaitaire vergoedingen aan fractieleden in strijd met artikel 99 Gemeentewet. Geen strekkingsverlies art. 99 Gemeentewet. Nietige rechtshandeling op grond van art. 3:40 lid 2 BW. Geen verjaring vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.045.099/01

5 april 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. P.J. de Booij te Almere,

t e g e n

de STICHTING BESTUURSASSISTENTIE CHRISTEN DEMOCRATISCH APPÈL – AFDELING AMSTERDAM,

kantoorhoudende te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. F.G. Vlaskamp te Amersfoort.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [appellante] en de Stichting Bestuursassistentie.

1. Het procesverloop

1.1. Bij dagvaarding van 24 september 2009 is [appellante] in

hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 2 september 2009, gewezen onder num¬mer 143716/HA ZA 08-288 tussen haar als gedaagde en de Stichting Bestuursassistentie als eiseres.

1.2. [appellante] heeft van grieven gediend en bescheiden in

het geding gebracht, met conclusie, kort samengevat, tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en afwijzing van de vorderingen van de Stichting Bestuursassistentie en veroordeling tot terugbetaling van hetgeen [appellante] betaald heeft uit hoofde van het vonnis, vermeerderd met rente, met veroordeling van de Stichting Bestuursassistentie in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.3. De Stichting Bestuursassistentie heeft geantwoord,

met conclu¬sie, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen en [appellante] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

1.4 Partijen hebben ter zitting van het hof op 3 juni 2010 hun zaak mondeling doen bepleiten, [appellante] door mr. P.J. de Booij en de Stichting Bestuursassistentie door mr. F.G. Vlaskamp, beiden onder overlegging van pleitnotities.

1.5 Vervolgens is de zaak geruime tijd aangehouden voor overleg tussen partijen over het treffen van een minnelijke regeling.

1.6 Tenslotte hebben partijen om arrest gevraagd.

2. De feiten

2.1 Tussen partijen bestaat geen geschil over de juistheid van de door de rechtbank in het bestreden vonnis onder r.o. 2.1 tot en met 2.11 als vaststaand aangemerkte feiten, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2 [appellante] was in de periode van 2002 tot 2005 lid van de gemeenteraad van Amsterdam (hierna: de raad) namens het Christen Democratisch Appel (hierna: het CDA). Uit dien hoofde was zij tevens bestuurslid van de Stichting Bestuursassistentie. Vanaf 2004 was [appellante] voorzitter van de raadsfractie van het CDA.

2.3 De statutaire doelstelling van de Stichting Bestuursassistentie is het verlenen van bestuurs- en administratieve ondersteuning aan leden van het CDA die zitting hebben in vertegenwoordigende lichamen en die woonachtig zijn in Amsterdam. [appellante] was sinds 2004 voorzitter van de Stichting Bestuursassistentie.

2.4 Artikel 9 van de statuten van de Stichting Bestuursassistentie luidt als volgt:

“De bestuursleden genieten geen financieel voordeel uit hoofde van het vervullen van hun bestuursfunctie. De in de uitoefening van hun functie gemaakte onkosten worden hen vergoed.”

2.5 De Stichting Bestuursassistentie heeft op grond van de Verordening op de fractieondersteuning jaarlijks een financiële bijdrage van de gemeente ontvangen. Deze Verordening is door de raad van de gemeente Amsterdam vastgesteld op 18 december 2002 en is in werking getreden op 21 december 2002. De Verordening op de fractieondersteuning beoogt uitvoering te geven aan artikel 33 van de Gemeentewet.

2.6 Artikel 33 Gemeentewet luidt als volgt:

“1. De raad en elk van zijn leden hebben recht op ambtelijke bijstand.

2. De in de raad vertegenwoordigde groeperingen hebben

recht op ondersteuning.

3. De raad stelt met betrekking tot de ambtelijke bijstand en ondersteuning van de in de raad vertegenwoordigde groeperingen een verordening vast.”

2.7 In de Verordening op de fractieondersteuning is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

a. De door de onderscheiden groeperingen ter assistentie van de raadsfracties aangewezen stichtingen ontvangen jaarlijks van gemeentewege een financiële bijdrage in de kosten van bijstand in de werkzaamheden.

(…)

Artikel 2

1. De financiële bijdrage dient ter bestrijding van de personele, materiële en andere kosten welke verband houden met de werkzaamheden van de groepering en wordt uitgekeerd aan de stichting.

2. De bijdrage mag in ieder geval niet gebruikt worden ter bekostiging van uitgaven die in strijd zijn met wettelijke bepalingen.”

2.8 De Stichting heeft de ingevolge de Verordening op de fractieondersteuning van de gemeente ontvangen financiële bijdrage gebruikt voor het verstrekken van forfaitaire onkostenvergoedingen aan de gemeenteraadsleden (fractieleden) van het CDA. Voorts is uit de bijdrage een afzonderlijke forfaitaire vergoeding toegekend aan de voorzitter van de CDA-fractie.

2.9 Op grond van besluiten van het bestuur van de Stichting Bestuursassistentie van 2002 en van 5 januari 2004, zijn in 2004 door de Stichting forfaitaire onkostenvergoeding voor de raadsleden van het CDA uitgekeerd van € 1.250,-- per twee maanden. Voorts is een forfaitaire vergoeding uitgekeerd aan de voorzitter van de fractie van € 1.000,-- per maand.

2.10 Conform de hiervoor vermelde besluiten heeft de Stichting Bestuursassistentie [appellante] in de periode van 2002 tot en met medio 2005 in haar hoedanigheid van raadslid (fractielid) en tevens voorzitter van de CDA-fractie een bedrag van in totaal € 25.000,-- uitgekeerd aan forfaitaire onkostenvergoedingen.

2.11 Op grond van de Verordening vergoedingen raads- en commissieleden 2003 ontvangen alle gemeenteraadsleden in Nederland een vaste onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van hun functie verbonden kosten. De Verordening vergoedingen raads- en commissieleden 2003 is gebaseerd op de artikelen 95-99 Gemeentewet. Het maximum van de in de Verordening geregelde vergoedingen is vastgesteld in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.

2.12 Artikel 99 Gemeentewet luidt als volgt:

“1. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is

toegekend, ontvangen de leden van de raad (…) als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente.

2. (…)”

2.13 Naast de onder punt 2.9 omschreven forfaitaire vergoedingen van de Stichting Bestuursassistentie ontving [appellante] als gemeenteraadslid maandelijks een vaste onkostenvergoeding als bedoeld onder punt 2.11. Deze vergoeding bedroeg € 196,49 per maand.

2.14 Op 2 mei 2005 heeft Accountancy en Consultancy Amsterdam (ACAM) aan de gemeenteraad gerapporteerd over de verantwoording van de besteding van de financiële bijdragen over 2002 en 2003 door de Stichting Bestuursassistentie. Daarbij heeft ACAM geconstateerd dat over 2002 en 2003 forfaitaire vergoedingen aan de raadsleden van de CDA-fractie zijn verstrekt.

2.15 Naar aanleiding van de rapportage van ACAM heeft de gemeenteraad besloten tot een nader onderzoek naar de (on)toelaatbaarheid en (on)rechtmatigheid van de door de Stichting Bestuursassistentie betaalde vergoedingen. Op verzoek van de gemeenteraad is dit onderzoek uitgevoerd door[X].

2.16 In het rapport van [X] is onder meer het volgende vermeld (op p. 17):

“Het verstrekken van dergelijke vergoedingen, naast de vergoedingen die voortvloeien uit de Verordening vergoedingen raads- en commissieleden, is in strijd met artikel 99 lid 1 van de Gemeentewet (…)

Bepalend voor de beoordeling of de verstrekte onkostenvergoedingen in strijd zijn met artikel 99 lid 1 van de Gemeentewet, is de vraag of deze vergoedingen gezien moeten worden als vergoedingen ten laste van de gemeente. Daarbij is het van belang op te merken dat de vergoedingen in ieder geval niet rechtstreeks ten laste van de gemeente zijn: de stichtingen ontvangen jaarlijks een financiële bijdrage voor fractieondersteuning en de stichtingen kennen uiteindelijk de vergoedingen toe.

Daarentegen blijkt uit de wetsgeschiedenis (…) dat voorkomen moet worden dat via vergoedingen voor bestuurslidmaatschappen en dergelijke van privaatrechtelijke rechtspersonen die (mede) met gemeentelijke gelden functioneren, het verbodsregime van artikel 99 Gemeentewet wordt uitgehold.

In de onderhavige gevallen gaat het dan wel niet om bestuurslidmaatschappen, maar de bedoeling van de wetgever is duidelijk: de verbodsbepaling van artikel 99 Gemeentewet dient streng te worden uitgelegd. De door de stichtingen van het CDA en de VVD uitgekeerde vergoedingen vanwege daadwerkelijk gemaakte kosten door raadsleden en de uitgekeerde vaste vergoeding voor fractievoorzitters acht ik dan ook in strijd met artikel 99 Gemeentewet. Indien deze fracties met bescheiden aannemelijk maken dat de hier daadwerkelijk gemaakte kosten zijn vergoed, beïnvloedt dit niet de getrokken conclusie. En wel omdat raadsleden geen andere dan de op basis van de artikel 99 Gemeentewet geregelde vergoedingen mogen ontvangen.”

2.17 Een van de conclusies van [X] is de volgende (op p. 1):

“De extra toelagen/vergoedingen die VVD en CDA hebben toegekend c.q. betaald aan hun fractieleden c.q. voorzitters zijn onrechtmatig, want in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet. De hiermee gemoeide bedragen dienen dan ook door deze fracties te worden terugbetaald. Deze terugbetaling kan via verrekening op basis van artikel 5 van de verordening en de toelichting op dit artikel.”

2.18 Vervolgens heeft de gemeente een bedrag van

€ 43.496,-- teruggevorderd van de Stichting Bestuursassistentie. De Stichting heeft dit bedrag terugbetaald.

2.19 De Stichting Bestuursassistentie heeft de eerder uitgekeerde forfaitaire vergoedingen teruggevorderd bij de verschillende fractieleden. [appellante] heeft daarop op 31 mei 2005 een bedrag terugbetaald van € 5.000,-- en op 18 juli 2005 een bedrag van € 10.000,--. Bij deze laatste betaling heeft zij vermeld: ‘terugstorting 2002/2003’.

2.20 Bij brief van 11 november 2005 heeft de Stichting Bestuursassistentie nog een bedrag van € 10.000,-- teruggevorderd van [appellante]. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…) Dit heeft tot gevolg dat deze vergoedingen als onrechtmatig worden beschouwd nu deze worden aangemerkt als uitkeringen gedaan ten laste van de gemeente, en daarmee strijdig met artikel 99 van de Gemeentewet.

(…)

Wij hebben besloten om de uitbetaalde vergoedingen thans terug te vorderen. In de bijlage treft u een overzicht aan van de bedragen die voor u openstaan. Hierbij is rekening gehouden met de reeds door u teruggestorte bedragen.

Bijgaand treft u een vaststellingsovereenkomst aan waarin is aangegeven dat u aanvaardt dat het in de bijlage genoemde bedrag moet worden terugbetaald. (…)

Na ontvangst hiervan stel ik voor dat wij een afspraak maken om gezamenlijk te bespreken hoe de terugbetaling verder wordt vormgegeven.

(…)”

2.21 Bij brief van 21 november 2005 heeft [appellante] de Stichting Bestuursassistentie laten weten – kort weergegeven - dat zij zich op het standpunt stelt dat de vergoedingen zijn betaald op basis van het recht dat de in de gemeenteraad vertegenwoordigde fracties hebben op ondersteuning, en dat de Stichting niet het recht heeft de betaalde vergoedingen terug te vorderen van de ontvangers.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld dat zowel het besluit tot, als de door de Stichting Bestuursassistentie aan haar bestuursleden betaalde onkostenvergoedingen (hierna: de betalingen) in strijd zijn met art. 99 Gemeentewet. Om die reden, aldus de rechtbank, is sprake van rechtshandelingen die op de voet van art. 3:40 lid 2 BW worden getroffen door nietigheid.

Vanwege deze nietigheid zijn de betalingen van de Stichting Bestuursassistentie aan [appellante] geschied zonder rechtsgrond. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat [appellante] gehouden is het bedrag van € 10.000,-- wegens onverschuldigde betaling te voldoen aan de Stichting. Het beroep van [appellante] op verjaring is door de rechtbank verworpen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] gehouden is de wettelijke rente te voldoen over het bedrag van € 10.000,--, zulks per 21 november 2005. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is door de rechtbank afgewezen.

3.2 Het belangrijkste bezwaar dat [appellante] aanvoert bij grief I en grief II is dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zowel het besluit tot als de betaling van de forfaitaire onkostenvergoedingen door de Stichting Bestuursassistentie aan [appellante], in strijd zijn met artikel 99 Gemeentewet en om die reden nietig.

3.3 Het hof oordeelt hierover als volgt.

Artikel 99 Gemeentewet, dat hierboven bij punt 2.12 is aangehaald, houdt in, zakelijk weergegeven, dat (onder meer) gemeenteraadsleden geen geldelijke vergoedingen of tegemoetkomingen mogen ontvangen ten laste van de gemeente, dan die hen bij of krachtens de wet zijn toegekend. De vergoedingen of tegemoetkomingen die gemeenteraadsleden bij of krachtens de wet zijn toegekend, zijn de vergoedingen die geregeld zijn in de Verordening vergoedingen raads- en commissieleden. Derhalve heeft te gelden dat de Gemeentewet niet toestaat dat buiten deze Verordening om vergoedingen worden toegekend aan raadsleden ten laste van de gemeente.

3.4 Hoewel de betalingen die [appellante] heeft ontvangen niet rechtstreeks afkomstig zijn van de gemeente maar van de Stichting Bestuursassistentie, moet worden geoordeeld dat het hier wel gaat om vergoedingen die ontvangen zijn ten laste van de gemeente. De middelen waaruit de Stichting Bestuursassistentie de betalingen heeft voldaan, zijn haar immers verstrekt door de gemeente, zulks op grond van de Verordening op de fractieondersteuning.

Voor zover [appellante] betoogt dat de betalingen niet kunnen worden aangemerkt als ‘vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente’ kan het hof dit derhalve niet onderschrijven. In zoverre faalt grief II (punt 21) en grief IV.

3.5 Voorts is het hof van oordeel dat de betalingen in strijd zijn met het in artikel 99 Gemeentewet vervatte verbod tot het toekennen van geldelijke vergoedingen of tegemoetkomingen aan raadsleden ten laste van de gemeente, anders dan die hen bij of krachtens de wet zijn toegekend. Dit verbod houdt immers in dat aan gemeenteraadsleden geen geldelijke vergoedingen of tegemoetkomingen mogen worden toegekend ten laste van de gemeente, anders dan op grond van de Verordening vergoedingen raads- en commissieleden 2003. Nu de onderhavige betalingen niet berusten op die Verordening, zijn zij niet verboden door artikel 99 Gemeentewet.

3.6 Het hof neemt bij het voorgaande in aanmerking dat de betalingen een forfaitair karakter hadden en mede om die reden zonder meer als een geldelijke vergoeding of tegemoetkoming in de zin van artikel 99 Gemeentewet moeten worden gekwalificeerd. Vanwege dit forfaitaire karakter is verder ook niet relevant of, achteraf beschouwd, [appellante] de betreffende kosten wellicht zou hebben kunnen declareren op grond van de Verordening op de fractieondersteuning. Van het declareren van kosten is immers geen sprake geweest.

3.7 Hierbij komt nog dat de stelling van [appellante] dat zij de betreffende kosten had kunnen declareren en derhalve (op andere wijze) aanspraak had op de betalingen, berust op haar uitgangspunt dat het hier ging om kosten die zij niet uit hoofde van haar raadslidmaatschap, maar uit hoofde van haar lidmaatschap van de fractie heeft gemaakt, zodat deze op grond van de Verordening op de fractieondersteuning voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen.

Het hof kan dit uitgangspunt echter niet onderschrijven. De Verordening op de fractieondersteuning ziet op kosten die door de fractie als geheel worden gemaakt, dat wil zeggen kosten die verband houden met de werkzaamheden van de groepering, zoals de Verordening op de fractieondersteuning aangeeft. Het gaat dus niet om kosten die individuele gemeenteraadsleden (tevens fractieleden) maken. Bij kosten van de groepering is te denken aan de kosten van een fractiemedewerker of kosten die door het fractiebureau worden gemaakt. De door [appellante] opgevoerde kosten betreffen echter geen kosten van de groepering, maar individuele kosten.

Overigens acht het hof ook het door [appellante] gemaakte onderscheid tussen kosten die zij gemaakt heeft uit hoofde van haar raadslidmaatschap en kosten die zij gemaakt heeft uit hoofde van haar fractielidmaatschap, onhoudbaar. De werkzaamheden – en daarmee ook de kosten die met die werkzaamheden gepaard gaan – uit hoofde van het fractielidmaatschap vinden immers plaats in het kader van het raadslidmaatschap. Voor zover zij kosten maakt in verband met haar partijlidmaatschap die geen verband houden met haar raadslidmaatschap, kunnen die niet worden aangemerkt als kosten in verband met fractieondersteuning.

Hiermee falen grief V en in zoverre ook grief VI. Het in punt 57 van de memorie van grieven vervatte bewijsaanbod wordt door het hof gepasseerd, nu hetgeen [appellante] hier te bewijzen aanbiedt, in het licht van het hiervoor gegeven oordeel, niet relevant is. Hetgeen [appellante] overigens nog heeft aangevoerd ter toelichting van de grieven V en VI, behoeft geen bespreking meer.

3.8 Gelet op de omstandigheid dat de betalingen aan [appellante] in strijd zijn met het verbod van artikel 99 Gemeentewet, moet naar ’s hofs oordeel worden aangenomen dat de betalingen op grond van artikel 3:40 lid 2 BW nietig zijn.

Het hof overweegt hierbij dat naar zijn oordeel artikel 99 Gemeentewet de strekking heeft de geldigheid van de betalingen (besluiten) als hier aan de orde zijn, aan te tasten. Het is immers de rechtshandeling zelf die in strijd is met de wet, en niet enkel de uitvoering daarvan. Anders dan [appellante] meent, is derhalve geen sprake van een rechtshandeling die (enkel) tot een verboden prestatie verplicht. Dat de betalingen afkomstig waren van de Stichting Bestuursassistentie en niet rechtstreeks van de gemeente, maakt dit niet anders, nu, zoals is overwogen in r.o. 3.4, de middelen waaruit de Stichting Bestuursassistentie de betalingen heeft gedaan, haar zijn verstrekt door de gemeente.

Grief I en grief II falen.

3.9 Voorts is naar ’s hofs oordeel geen sprake van strekkingsverlies van artikel 99 Gemeentewet, in die zin dat zich maatschappelijke ontwikkelingen zouden hebben voorgedaan die ertoe hebben geleid dat het artikel niet meer de strekking heeft dat de geldigheid van de betreffende rechtshandelingen wordt aangetast. Het hof heeft geen steekhoudende argumenten aangetroffen, die wijzen op een dergelijk strekkingsverlies. Niet is in te zien dat de Wet dualisering gemeentebestuur tot een dergelijk strekkingsverlies zou hebben geleid.

Voor zover [appellante] bij grief IV (memorie van grieven, punt 38 tot en met 42) dit strekkingsverlies verdedigt, faalt deze grief.

3.10 Nu sprake is van een verboden rechtshandeling, kan verder buiten bespreking blijven of partijen zich ten tijde van de betalingen (c.q. de besluiten) bewust waren van de verboden strekking.

Grief III en ook dit deel van grief IV (memorie van grieven punt 35 tot en met 37) falen derhalve eveneens.

3.11 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de betalingen aan [appellante] zonder rechtsgrond zijn geschied. Derhalve is zij in beginsel gehouden tot terugbetaling daarvan.

Gelet hierop hoeft geen behandeling meer de subsidiaire grondslag van de vordering, namelijk strijdigheid van de betalingen met de statuten van de Stichting Bestuursassistentie en/of doeloverschrijding. Evenmin komt meer aan de orde of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door [appellante].

3.12 Vervolgens is aan de orde of de vorderingen van de Stichting Bestuursassistentie zijn verjaard, zoals door [appellante] is aangevoerd.

Voor zover zij dit argument heeft gegrond op de stelling dat geen sprake is van nietigheid van de betalingen maar slechts van vernietigbaarheid, zodat een verjaringstermijn van drie jaar geldt, gaat het argument in ieder geval niet op. Het hof heeft immers geoordeeld dat sprake is van nietigheid.

Grief VI faalt, voor zover in de toelichting bij de grief het bedoelde argument van [appellante] is neergelegd.

3.13 Nu het gaat om nietigheid van de betalingen, geldt een verjaringstermijn van vijf jaar.

Naar ’s hofs oordeel moet bij de berekening van de verjaringstermijn worden uitgegaan van 11 november 2005, nu de Stichting Bestuursassistentie zich bij brief van die datum (zie hierboven bij r.o. 2.20) ondubbelzinning haar vorderingsrecht heeft voorbehouden, zodat met die brief de verjaring is gestuit. Het hof overweegt hierbij nog dat onvoldoende feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken om aan te nemen dat het beroep op deze stuitingsbrief tardief zou zijn en/of in strijd met de goede procesorde.

Dit betekent dat het vorderingsrecht van de Stichting Bestuursassistentie is verjaard, voor zover dit ziet op betalingen die aan [appellante] zijn gedaan vóór 11 november 2000. Nu geen betalingen worden teruggevorderd die vóór 11 november 2000 aan [appellante] zijn gedaan, kan reeds hierom het beroep op verjaring niet slagen. Het hof overweegt hierbij nog dat de dagvaarding is uitgebracht binnen de na de stuitingsbrief nieuw aangevangen verjaringstermijn, zodat geen sprake is van het verstrijken van een termijn ná die stuitingsbrief.

Grief VII faalt.

3.14 Ten slotte is nog aan de orde het bezwaar van [appellante] tegen de toewijzing van de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag van € 10.000,-- vanaf 21 november 2005. Daartoe voert [appellante] aan dat de brief van de Stichting Bestuursassistentie van 11 november 2005 niet als een sommatiebrief is aan te merken en dat zij in haar brief van 21 november 2005 niet onomwonden heeft geweigerd te betalen.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de Stichting Bestuursassistentie uit de brief van [appellante] van 21 november 2005 (zie hierboven bij r.o. 2.21) redelijkerwijs kon afleiden dat zij tekort zou schieten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot terugbetaling van het bedrag van € 10.000,--. Om deze reden is het verzuim van [appellante] ingetreden zonder dat daarvoor een ingebrekestelling vereist was en is [appellante] derhalve de wettelijke rente verschuldigd vanaf die datum.

Grief VIII faalt.

Slotsom

3.15 De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Haarlem van

2 september 2009;

veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Stichting Bestuursassistentie op € aan verschotten en € voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, R.H. de Bock en G.C.C. Lewin en in het openbaar uitgesproken op

5 april 2011 door de rolraadsheer.