Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5678

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
23-05-2011
Zaaknummer
200.079.467-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoekers wensen – ten behoeve van het aanhangige hoger beroep tussen partijen – een voorlopig getuigenverhoor te doen houden. Zij wensen door middel van het horen van getuigen te bewijzen dat de airconditioninginstallatie reeds in het appartement aanwezig was op het moment dat zij het pand kochten. De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek stellende dat verzoekers geen belang hebben. Het hof wijst het verzoek toe omdat voldoende aannemelijk is geworden dat verzoekers belang hebben bij een nader onderzoek naar de aanwezigheid van de airconditioninginstallatie ten tijde van de koop van het appartement. Dat de getuigen mogelijk zullen verklaren overeenkomstig zij reeds schriftelijk gedaan hebben in eerste aanleg, doet hier niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

1. [APPELLANT 1],

wonende te [woonplaats],

2. [APPELLANT 2],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS,

advocaat: mr. B.S. Friedberg, te Amsterdam,

t e g e n

de vereniging

VERENIGING VAN EIGENAREN VAN HET FLATGEBOUW STADIONWEG-MINERVAPLEIN-MURILLOSTRAAT TE AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. N. de Vos, te Amsterdam.

1. Het verloop van het geding

Partijen worden hierna [appellanten] en de VvE genoemd.

[appellanten] hebben bij verzoekschrift met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 27 december 2010, het hof verzocht te bevelen dat – in het kader van een bij dit hof tussen [appellanten] en de VvE onder zaaknummer 200.080.583/01 aanhangige appelprocedure - een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden.

Van de zijde van [appellanten] heeft het hof op 17 januari 2011 nog de appeldagvaarding ontvangen.

Op 30 maart 2011 hebben [appellanten] het hof nog aanvullende producties doen toekomen.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaats-gevonden op 7 april 2011. Bij die gelegenheid heeft namens [appellanten] mr. Friedberg voornoemd het woord gevoerd. Namens de VvE heeft mr. De Vos voornoemd het woord gevoerd.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en meegedeeld dat vandaag uitspraak zal volgen.

2. De beoordeling

2.1. Samengevat en – voor zover in deze procedure van belang - gaat het in deze zaak om het volgende.

(i) [appellanten] zijn eigenaar van het appartementsrecht rechtgevend op het uitsluitend gebruik van de bedrijfsruimte aan het [adres] te [plaats] (hierna: het appartement) en daarmee lid van de VvE.

(ii) Blijkens artikel 4 van het huishoudelijk reglement van de VvE is het niet toegestaan om zonder toestemming van de VvE wijzigingen aan te brengen in, op of aan de buitenzijde van het appartement.

(iii) Bij besluit van 28 november 2006 is genoemd huishoudelijk reglement gewijzigd en is in artikel 20 lid 1 onder meer opgenomen dat het gebruiken c.q. vervangen van airconditioninginstallaties uitsluitend is toegestaan ingeval daarvoor specifieke toestemming is verleend door de VvE, en onder de door de VvE vast te stellen voorwaarden.

(vi) De bijlage van het in 2006 gewijzigde huishoudelijk reglement vermeldt onder meer de voorwaarde dat een airconditioninginstallatie geheel inpandig dient te zijn.

(v) [appellanten] hebben het appartement gekocht van Woningstichting Rochdale. In de leveringsakte d.d. 14 september 2007 is onder het kopje “Airconditioning” voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“In verband met de verwijdering vóór de levering van de airconditioning in het verkochte zijn partijen een verlaging van de koopprijs met vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00) overeengekomen. Koper zal voor zijn rekening en in overleg met verkoper een nieuwe airconditioning doen installeren. Op basis van nacalculatie zal tussen partijen alsnog worden verrekend hetgeen deze installatie meer of minder dan vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00) zal gaan kosten.”

(vi) [appellanten] hebben twee split-unit airconditioninginstallaties in een tuinkast van het appartement geplaatst. In de boven- en onderkant van de tuinkastdeur hebben [appellanten] roosters geplaatst.

(vii) Bij brief van 1 juli 2009 heeft de advocaat van de VvE [appellanten] laten weten dat de VvE geen toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van een airconditioninginstallatie en [appellant 1] gesommeerd deze te verwijderen.

(viii) Bij e-mail van 18 augustus 2009 heeft [X] aan [appellanten] onder meer het volgende geschreven.

“(…) Als voormalig directeur/ eigenaar van het Makelaarskantoor Capelle B.V. kan ik hierbij verklaren dat wij de aanwezige airco-installatie hebben overgenomen van de ABN-AMRO Bank N.V. inclusief de aanwezige ventilatoren die in de tuin waren opgesteld. Deze ventilatoren waren niet in een geluidarme kast geplaatst. (…)

Na verkoop van de zaak heeft mijn rechtsopvolger, U bekend, het gebruik van de kantoorruimte voortgezet inclusief de aanwezige airco-installatie. (…)”

(ix) Bij e-mail van 9 november 2009 heeft [Y] aan een lid van het bestuur van de VvE onder meer het volgende geschreven.

“(…) ik ben bewoner sinds 1985 van het appartement dat grenst aan en uitzicht heeft op de achterkant/ tuin van [adres]. In die hoedanigheid kan ik de volgende waarnemingen voorleggen.

Omdat geluidsoverlast in dit appartementencomplex met gesloten binnentuin nu eenmaal een voortdurend thema van zorg is, heeft de VvE de reglementen uiteindelijk aangepast. Een van de nieuwe elementen werd dat uitpandige airco’s niet meer zijn toegestaan. In dat kader is op verzoek van de VvE in de periode dat Capelle al uit het pand was door de toenmalige eigenaar – naar ik meen Rochdale – de grote uitpandige beige airco verwijderd. De leidingen in de plafonds voor die airco binnen in het pand werden niet verwijderd.

--Het pand heeft daarna een tijd leeggestaan (…)

--Toen het pand van de huidige eigenaar [appellant 1] eindelijk een huurder kreeg werd er verbouwd. Toen de plafonds open gingen, vermoedde ik al dat er weer een airco zou komen. Dat was ook het geval. Waarschijnlijk werden de leidingen in het plafond gewoon gehandhaafd resp. wat aangepast. Maar het airco-apparaat zelf was geheel nieuw en werd uitpandig in de balkonkast geplaatst. (..)”

2.2. De VvE heeft bij dagvaarding van 11 augustus 2009 en na eiswijziging - kort samengevat - gevorderd voor recht te verklaren dat de VvE geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik c.q. vervangen van een airconditioninginstallatie alsmede geen toestemming heeft gegeven voor het plaatsen van roosters in de tuinkastdeuren en voorts om [appellanten] te veroordelen de uitpandige airconditioninginstallatie en de roosters te verwijderen. [appellanten] hebben zich verweerd en zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat er op het moment dat zij eigenaar van het appartement werden reeds een airconditioninginstallatie aanwezig was, waarvan het uitpandige gedeelte in de tuin van het appartement stond. Verder hebben [appellanten] aangevoerd dat slechts onderhoud aan de al aanwezige airconditioninginstallatie is gepleegd en zij niet gehouden waren daarvoor toestemming aan de VvE te vragen.

2.3. De rechtbank heeft de vorderingen van de VvE bij vonnis van 3 november 2010 grotendeels toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank - zakelijk weergegeven - en voor zover in deze procedure van belang – onder meer overwogen dat, gelet op hetgeen in de leveringsakte is bepaald, [appellanten] onvoldoende hebben betwist dat er geen (uitpandige) airconditioninginstallatie meer aanwezig was ten tijde van de koop van het appartement. Van deze beslissing en de gronden waarop zij berust zijn [appellanten] bij dagvaarding van 10 januari 2011 in beroep gekomen.

2.4. [appellanten] verzoeken thans – ten behoeve van het aanhangige hoger beroep tussen partijen – een voorlopig getuigenverhoor te doen houden. Zij wensen door middel van het horen van twee getuigen te bewijzen dat de airconditioninginstallatie reeds in het appartement aanwezig was op het moment dat zij het pand kochten. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben [appellanten] hun verzoek nader toegelicht en naar voren gebracht dat de rechtbank aan de verklaringen van [Y] en [X] een onjuiste waardering heeft gegeven waardoor het noodzakelijk is dat zij zullen worden gehoord.

2.5. De VvE verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Zij stelt dat [appellanten] geen belang hebben bij het verzoek omdat de rechtbank op grond van de leveringsakte reeds heeft geoordeeld dat de airconditioninginstallatie niet meer aanwezig was op het moment dat [appellanten] eigenaar van het pand werden. Bovendien zullen [Y] en [X] volgens de VvE in een voorlopig getuigenverhoor niet anders verklaren dan hetgeen in eerste aanleg naar voren is gebracht.

2.6. Het hof oordeelt als volgt.

2.7. Mede gelet op de toelichting die [appellanten] tijdens de mondelinge behandeling op het verzoek hebben gegeven, is voldoende aannemelijk geworden dat zij belang hebben bij een nader onderzoek naar de aanwezigheid van de airconditioninginstallatie ten tijde van de koop van het appartement. Het betreft feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de beslissing van de zaak en die eveneens kunnen dienen bij de beoordeling of het raadzaam is de procedure voort te zetten. Dat [Y] en [X] als getuigen mogelijk zullen verklaren overeenkomstig zij reeds schriftelijk gedaan hebben in eerste aanleg, doet hier niet aan af.

2.8. Het vorenstaande brengt mee dat het verzoek van [appellanten] toewijsbaar is. Het hof zal de beslissing over de kosten van de onderhavige procedure aanhouden tot de beslissing in de hoofdzaak.

2.9. Het hof wijst erop dat het bij het verzoek voorlopig getuigenverhoor nog niet zijn overgelegd:

- de producties bij de inleidende dagvaarding;

- de eventueel in hoger beroep na de appeldagvaarding gewisselde stukken.

3. De beslissing

Het hof:

beveelt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden met betrekking tot de in het verzoekschrift genoemde, onder 2.4 weergegeven feiten ten overstaan van mr. G.C.C. Lewin, die daartoe wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, op 26 mei 2011 om 13.30 uur in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam;

bepaalt dat als getuigen zullen worden gehoord:

- De heer [X], wonende te [adres en woonplaats];

- de heer [Y], wonende te [adres en woonplaats];

bepaalt dat, indien een van de partijen en/of de getuige op genoemde datum verhinderd is/zijn, zij dit binnen drie weken na de datum van deze beschikking schriftelijk zullen laten weten aan het enquêtebureau van de civiele griffie van het gerechtshof onder opgave van de verhinderdata van beide partijen en de getuigen in de maanden mei en juni 2011;

bepaalt dat [appellanten] uiterlijk veertien dagen voor de datum van het voorlopig getuigenverhoor afschriften van (nog niet in deze procedure overlegde) stukken waarvan zij zich bij dat verhoor wensen te bedienen, aan het enquêtebureau van dit hof ter attentie van de raadsheer-commissaris en aan de wederpartij zullen doen toekomen

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Noordhuizen, G.C.C. Lewin en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 april 2011.

Beschikking van 26 april 2011

Van de Derde Burgerlijke kamer

[appellant 1] - VvE

3. De beslissing

Het hof:

beveelt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden met betrekking tot de in het verzoekschrift genoemde, onder 2.4 weergegeven feiten ten overstaan van mr. G.C.C. Lewin, die daartoe wordt benoemd tot raadsheer-commissaris, op 26 mei 2011 om 13.30 uur in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht 436 te Amsterdam;

bepaalt dat als getuigen zullen worden gehoord:

- [X], wonende te [gemeente] , [land], aan de [adres];

- [Y], wonende te [gemeente], aan het [adres];

bepaalt dat, indien een van de partijen en/of de getuige op genoemde datum verhinderd is/zijn, zij dit binnen drie weken na de datum van deze beschikking schriftelijk zullen laten weten aan het enquêtebureau van de civiele griffie van het gerechtshof onder opgave van de verhinderdata van beide partijen en de getuigen in de maanden mei en juni 2011;

bepaalt dat [appellanten] uiterlijk veertien dagen voor de datum van het voorlopig getuigenverhoor afschriften van (nog niet in deze procedure overlegde) stukken waarvan zij zich bij dat verhoor wensen te bedienen, aan het enquêtebureau van dit hof ter attentie van de raadsheer-commissaris en aan de wederpartij zullen doen toekomen

Deze beschikking is gegeven door mrs. W.J. Noordhuizen, G.C.C. Lewin en C.C. Meijer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 april 2011.