Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5313

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.079.526
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing in netwerkpleeggezin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.079.526

(zaaknummer rechtbank 291657 / JE RK 10-1994)

beschikking van de familiekamer van 22 maart 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. M.J.P. Leenders te Nieuwegein,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de moeder”,

advocaat: mr. E.N. Mulder te Nijkerk,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Utrecht,

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de stichting”.

Als overige belanghebbende zijn aangemerkt:

[belanghebbende sub 1] en [belanghebbende sub 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de pleegouders van [kind 1]”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 december 2010, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 2] in een voorziening voor verblijf voor pleegouders 24 uurs, netwerk, wordt verlengd voor de duur van een jaar met ingang van 14 oktober 2010, dan wel met ingang van een datum als het hof juist acht, kosten rechtens.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 januari 2011, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 januari 2011, heeft de stichting verzocht de vader ten aanzien van zijn verzoek in hoger beroep primair niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2011 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, de vader bijgestaan door zijn advocaat en de moeder bijgestaan door mr. D.G. Nagel. Namens de stichting zijn [...] (gezinsvoogd) en [...] (gedragsdeskundige) verschenen. Tevens is de pleegmoeder verschenen.

3. De vaststaande feiten

3.1 Uit de relatie van de vader en de moeder zijn geboren:

- [kind 1], op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], verder te noemen “[kind 1]”, en

- [kind 2], op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats], verder te noemen “[kind 2]”.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2].

3.2 Bij beschikkingen van 15 juli 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht, op verzoek van de raad, [kind 1] en [kind 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting met ingang van 15 juli 2009 voor de duur van drie maanden en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] met ingang van 15 juli 2009 tot 12 augustus 2009.

3.3 Bij beschikking van 27 juli 2009 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] en [kind 2] verlengd met ingang van 12 augustus 2009 voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

3.4 Bij beschikking van 14 oktober 2009 heeft de kinderrechter [kind 1] en [kind 2] onder toezicht gesteld van de stichting met ingang van 14 oktober 2009 voor de duur van een jaar.

3.5 Bij beschikking van 14 oktober 2009 heeft de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van zowel [kind 1] als [kind 2] in een voorziening voor verblijf pleegouder 24 uurs als bedoeld in de indicatiebesluiten van 1 oktober 2009 verlengd met ingang van 14 oktober 2009 voor de duur van 12 maanden.

3.6 De stichting heeft op 5 augustus 2010 ten aanzien van [kind 2] een indicatiebesluit genomen als bedoeld als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”). Op 6 augustus 2010 heeft de stichting een dergelijk besluit genomen ten aanzien van [kind 1].

3.7 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in voornoemde indicatiebesluiten in een verblijf pleegouder 24 uurs, netwerk, met ingang van 14 oktober 2010 voor de duur van een jaar verlengd.

3.8 [kind 1] en [kind 2] zijn op 15 juli 2009 in afzonderlijke crisispleeggezinnen geplaatst. [kind 1] woont sinds september 2010 bij zijn pleegouders, tevens oom en tante vaderszijde.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

4.2 De vader kan zich met de verlenging van uithuisplaatsing van de [kind 2] bij een regulier pleeggezin niet verenigen. Hij voert aan dat een netwerkplaatsing mogelijk is. Door [kind 2] niet ook bij de pleegouders te plaatsen, wordt zij onnodig van haar broer gescheiden. De stichting stelt dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat de vader niet kan verzoeken om een machtiging uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin.

In de literatuur(Doek/Vlaardingerbroek, Jeugdrecht en jeugdzorg, 6e druk 2009, p. 349/350) is onder verwijzing naar Hof ’s-Gravenhage 25 september 1998, FJR 1999, p.85 bepleit dat de kinderrechter de vrijheid heeft het verzoek van ouders te honoreren door te bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing zich beperkt tot plaatsing in een met name genoemd pleeggezin en dat het te ver gaat om aan te nemen dat de kinderrechter in absolute zin aan het indicatiebesluit gebonden is als het gaat om de keuze voor een bepaald pleeggezin. Daarbij is aangehaald dat het juist de taak van de kinderrechter is om bij het afgeven van een machtiging het belang van het kind de eerste, zo niet een beslissende overweging te doen zijn (artikel 3 Verdrag inzake de Rechten van het Kind). Het hof acht gelet op vorenstaande in samenhang met artikel 8 EVRM de vader ontvankelijk in zijn verzoek.

4.3 Het hof is met de vader van oordeel dat het ideaal zou als [kind 2] en [kind 1] als broer en zus zouden kunnen opgroeien in één gezin. Het hof is echter van oordeel dat uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het nu nog te vroeg is om [kind 2] in het pleeggezin bij [kind 1] te plaatsen.

Uit de overgelegde civiele rapportage blijkt dat [kind 2] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt. Zij heeft hechtingsmogelijkheden en een eigen leeftijdsadequate identiteitsontwikkeling. Wel reageert zij bij spanningen door zich terug te trekken. Voor [kind 2], die normaal onderwijs kan volgen, is geen individuele behandeling geïndiceerd.

Bij [kind 1] is sprake van een vertraagde ontwikkeling. Dit betreft alle ontwikkelingsgebieden; er is sprake van een moeilijk lerend niveau. Op sociaal gebied is sprake van een angstig kind met mogelijk in het verleden een traumagerelateerde angststoornis. Gezien zijn ontwikkelingsniveau en bijkomende problematiek is [kind 1] afhankelijk van externe structuur. Er is nog nader onderzoek nodig naar de problematiek van [kind 1].

De pleegmoeder heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat, sinds zij en haar man op een lijn zitten, het beter gaat met [kind 1]. Hij loopt goed mee in de structuur van het gezin en hij kan zelf spelen en zich goed vermaken. [kind 1] gaat naar een medisch kinderdagverblijf. Indien nodig, kan door het pleeggezin hulp worden ingeschakeld. Het pleeggezin is bereid om ook [kind 2] op te nemen in het gezin.

De stichting heeft verklaard dat het op dit moment samenbrengen van [kind 1] en [kind 2] in een pleeggezin voor beide kinderen niet goed is. [kind 1] kan ondergesneeuwd raken doordat [kind 2] makkelijk veel aandacht vraagt. Aan de andere kant kan [kind 2] ondergesneeuwd raken door alle tijd en zorg die [kind 1] nodig heeft. Daar komt bij dat het risico wordt gelopen dat het pleeggezin overvraagd wordt indien de pleegouders tevens worden belast met de zorg voor [kind 2]. De stichting erkent dat het belangrijk is dat het summiere contact tussen [kind 1] en [kind 2] wordt uitgebreid en heeft hiervoor reeds een plan opgesteld.

Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij op dit moment niet bij elkaar worden geplaatst. Het gaat goed met [kind 2] in het huidige pleeggezin; het is niet verantwoord risico’s te nemen door haar thans te plaatsen in het gezin waarin ook haar broer is geplaatst. Er is nog nader onderzoek nodig naar [kind 1] en de resultaten daarvan moeten worden afgewacht. In de tussentijd acht het hof het goed dat het contact tussen [kind 1] en [kind 2] wordt uitgebreid.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking dient te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Utrecht van 1 oktober 2010.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, J.H. Lieber en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2011.