Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5297

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.075.522
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie, limitering oud geval, uitsluiting wettelijke indexering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.075.522

(zaaknummer rechtbank 270599 / FA RK 09-4034)

beschikking van de familiekamer van 22 maart 2011

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats], feitelijk verblijvende te [plaatsnaam] (USA),

verzoeker in hoger beroep, verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. G.W.A. de Groot-Op den Brouw te Delft,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep, verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. E.G.S.N. Asselbergs te Den Haag.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 14 juli 2010, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 11 oktober 2010, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende alsnog zijn verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting jegens de vrouw toe te wijzen, subsidiair de verplichting te beëindigen in een afbouwende reeks gedurende 4 jaar van telkens ¼, meer subsidiair de wettelijke indexering over de alimentatieverplichting uit te sluiten vanaf het moment dat de man een pensioenuitkering is gaan ontvangen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 november 2010, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. De vrouw verzoekt het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel zijn grieven ongegrond te verklaren, dan wel zijn mogelijke zelfstandige verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

II. de man te veroordelen in de proceskosten.

2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 16 februari 2011 een brief van mr. De Groot van 15 februari 2011 met bijlagen;

- op 18 februari 2011 een brief van mr. Asselbergs van diezelfde datum met bijlage.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 22 februari 2011 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen bijgestaan door hun advocaten.

2.5 Mr. Asselbergs heeft tijdens de mondelinge behandeling een stuk met als aanhef “Rekening en verantwoording inzake de nalatenschap van mevrouw [A.]” overgelegd.

2.6 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.7 Desgevraagd hebben mr. De Groot en mr. Asselbergs verklaard dat zij hebben kennis genomen van de inhoud van de in 2.3 vermelde brief van de ander, dat zij zich voorbereid hebben op een verweer hiertegen en dat zij geen bezwaar maken tegen overlegging hiervan. Desgevraagd heeft mr. De Groot verklaard, nadat zij tijdens een ingelaste leespauze kennis heeft genomen van de inhoud van het door mr. Asselbergs ter zitting overgelegde stuk, dat zij geen bezwaar heeft tegen overlegging hiervan. Het hof slaat daarom acht op deze brieven met bijlagen en het overgelegde stuk.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 22 maart 1968 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 8 april 1994 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 10 mei 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Uit het huwelijk van partijen zijn drie -thans meerderjarige- zoons geboren, [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. [kind 3], geboren op [geboortedatum] 1986, is thans 25 jaar. [kind 3] studeert, is bezig met zijn bachelor en woont in de woning van de man in [woonplaats].

3.3 Bij voormelde echtscheidingsbeschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 4.000,- (€ 1.815,12) per maand zal voldoen.

3.4 Bij beschikking van 20 december 2000 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheidingsbeschikking in die zin gewijzigd dat de man met ingang van 1 januari 2001 ƒ 1.700,- (€ 771,43) per maand dient te betalen voor het levensonderhoud van de vrouw.

3.5 Bij beschikking van 30 mei 2002 heeft het gerechtshof Amsterdam de beschikking van de rechtbank van 20 december 2000 vernietigd en de man in zijn verzoek alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3.6 Bij beschikking van 13 september 2006 heeft de rechtbank Utrecht de echtscheidingsbeschikking gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2006 € 735,- per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dit bedrag bedraagt na wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2009 € 748,25 per maand en met ingang van 1 januari 2010 € 812,78 per maand.

3.7 Bij verzoekschrift gedateerd 3 juli 2009 heeft de man de rechtbank Utrecht verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad de alimentatieverplichting jegens de vrouw te beëindigen (het hof begrijpt) met ingang van 10 mei 2009.

3.8 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de man afgewezen en de termijn van de alimentatieverplichting met ingang van de datum van de uitspraak vastgesteld voor de duur van vijf jaren, bepaald dat verlenging van deze termijn mogelijk is, de kosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.9 De man, geboren op [geboortedatum] 1940, is op 13 november 2003 gehuwd met [B.], die in eigen levensonderhoud voorziet. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] 2004 [C.] geboren. [B.] woont en werkt in de Verenigde Staten (de VS). [C.] woont bij haar. De man is ingeschreven in [woonplaats] en woont hoofdzakelijk bij zijn gezin in de VS.

Blijkens de overgelegde fiscale rapporten over de jaren 2007 - 2009 bedroeg het belastbaar (pensioen)inkomen van de man in Nederland in die jaren:

- € 40.500,- in 2007 (ABP € 32.303,-, SvB € 8.197,-),

- € 53.405,- in 2008 (ABP € 32.988,-, SvB € 8.454,- en Metalelektro € 11.963,-) en

- € 45.110,- in 2009 (ABP € 32.303,-, SvB € 8.843,- en Metalelektro € 3.964,-).

De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de ouderenkorting.

3.10 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 717,91 aan hypotheekrente waarvan € 520,83 fiscaal aftrekbaar is;

- € 308,90 aan contributie Vereniging van Eigenaren.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 2.365,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.11 De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1942, is alleenstaand. De vrouw woonde in 2009 in de VS. Zij had toen de volgende inkomsten:

* Social Security administration van $ 340,- netto per maand;

* Teachers retirement $ 114,- per maand;

* AOW-uitkering van € 522,04 netto per maand;

* ABP pensioen van € 822,24 bruto per jaar;

* aan lesgelden in dat jaar van het Enigmacollege $ 2.092,56 netto en $ 828,40 netto, voor Tai Chi lessen $ 684,90 netto en voor Engelse les $ 240,-, hetgeen neerkomt op gemiddeld $ 320,48 netto per maand.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man verzoekt zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw te beëindigen op grond van de overgangsregeling van de Wet Limitering Alimentatie (WLA) en met ingang van 10 mei 2009, zo heeft de man desgevraagd ter mondelinge behandeling bevestigd.

4.2 Op grond van artikel II van die wet beëindigt de rechter op verzoek van degene die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de desbetreffende verplichting indien deze op of na dat tijdstip 15 of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van deze uitkering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van diegene die tot de uitkering is gerechtigd kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn vast. De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is.

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat de man op 10 mei 2009 vijftien jaar heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek van de man tot beëindiging in beginsel toewijsbaar is.

4.4 Nu de vrouw stelt dat beëindiging van de uitkering zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd, dient het hof eerst te beoordelen of beëindiging voor de vrouw ingrijpend is. Ter beantwoording van de vraag of beëindiging voor de alimentatiegerechtigde ingrijpend is, moet de situatie waarin de vrouw als alimentatiegerechtigde zal komen te verkeren als gevolg van de beëindiging worden vergeleken met de situatie waarin zij verkeert onmiddellijk voorafgaand aan de beëindiging.

4.5 De rechtbank heeft berekend dat de in 3.11 vermelde inkomsten van de vrouw omgerekend neer kwamen op circa € 1.200,- netto per maand. Beëindiging van de alimentatie, die in 2009 € 748,25 bruto per maand bedroeg, betekent volgens de rechtbank dat het bedrag waarvan de vrouw per maand moet leven met ruim een derde wordt verminderd. De man stelt in zijn toelichting op grief III dat het inkomen van de vrouw in 2009 gemiddeld € 1.200,- netto per maand bedroeg maar ook dat de rechtbank niet kon concluderen hoe hoog de werkelijk inkomsten van de vrouw netto zijn geweest omdat de rechtbank bij een tweetal uitkeringen niet heeft vermeld of dit bruto dan wel netto inkomen was. Voor zover de man heeft willen betogen dat het inkomen van de vrouw in 2009 zonder rekening te houden met de alimentatie hoger was dan de rechtbank heeft aangenomen, is het hof van oordeel dat de man die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat een dergelijke teruggang ingrijpend is. Dat de vrouw ten tijde van de mondelinge behandeling in eerste aanleg in april 2010 geen woonlast had omdat zij in een appartement van een vriendin woonde, maakt dat oordeel niet anders omdat aannemelijk is dat dit een tijdelijke situatie betrof en de vrouw heeft verklaard dat zij op zoek was naar eigen woonruimte, die zij inmiddels ook heeft.

4.6 Dan komt het hof toe aan de vraag of beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden. Bij de beoordeling van die vraag dient de rechter in ieder geval rekening te houden met: a. de leeftijd van de vrouw;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de vrouw geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man.

Voorts dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, niet alleen aan de zijde van de vrouw maar ook aan die van de man, waarbij op de vrouw alleen de stelplicht en de bewijslast rust van de omstandigheden aan haar zijde.

4.7 Aan de zijde van de vrouw houdt het hof rekening met het volgende.

De vrouw was in mei 2009 67 jaar oud. Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren. Het huwelijk is gesloten op 22 maart 1968, de vrouw studeerde toen nog sociale geografie, de man was al afgestudeerd in Nederland als geoloog. Het huwelijk heeft ruim 26 jaar geduurd. De vrouw was toen de kinderen klein waren meer dan de man belast met de opvoeding en verzorging van de kinderen. Toen de man een jaar zonder werk zat was de vrouw kostwinner. De man heeft ook in de VS gestudeerd en is bij verschillende universiteiten werkzaam geweest. Partijen hebben niet alle jaren van het huwelijk bij elkaar gewoond, er was een periode waarin de man in de VS woonde en studeerde en/of werkte en de vrouw met de kinderen in Nederland woonde. De vrouw is tijdens het huwelijk afgestudeerd in de sociale geografie en heeft daarna gedurende twee of drie jaar lesgegeven, in de jaren 1972-1974. In de VS had de vrouw (aanvankelijk) geen werkvergunning maar zij heeft toch gewerkt om het gezin (mede) te onderhouden. Haar inkomen is altijd laag geweest. De stelling van de man dat de vrouw tijdens het huwelijk andere keuzes had kunnen en moeten maken door bijvoorbeeld de man niet naar de VS te volgen maar met de kinderen in Nederland te blijven en carrière te maken, passeert het hof als niet ter zake doende. Het hof is van oordeel dat de keuzes die partijen in het huwelijk hebben gemaakt, het werk van de man en de zorg voor de kinderen de verdiencapaciteit van de vrouw negatief hebben beïnvloed.

Dat de vrouw zich na de scheiding onvoldoende heeft ingezet om voor een groter deel in eigen inkomen te voorzien dan zij feitelijk heeft gedaan, heeft de man niet aannemelijk gemaakt. Zo heeft de man niet duidelijk gemaakt welke concrete functies toen voor de vrouw beschikbaar waren. Bovendien geldt dat de vrouw ten tijde van de echtscheiding 52 jaar was en zij aanvankelijk nog de zorg voor twee van de drie kinderen van partijen had. Dat de vrouw tegen de zin van de man in 1997 weer terug is gegaan naar de VS omdat zij dacht dat zij daar meer mogelijkheden voor werk had kan de vrouw niet worden tegengeworpen omdat niet vaststaat dat de vrouw daarin ongelijk had. De stellingen van de man dat de vrouw met opzet geen gebruik heeft gemaakt van haar academische opleiding en dat de vrouw als lerares aardrijkskunde voldoende werk had kunnen krijgen in Nederland en in de VS, heeft de vrouw genoegzaam bestreden. Omdat er zowel in Nederland als in de VS weinig werk was op haar vakgebied, de sociale geografie, heeft de vrouw zich omgeschoold tot lerares Tai Chi. Zoals is vermeld in de beschikking van dit hof van 30 mei 2002 bedroeg het inkomen van de vrouw in 2001 volgens de jaaropgaven $ 16.022,-. De vrouw werkte toen in het onderwijs als “teaching assistent” voor 30 uur per week en gaf daarnaast Tai Chi les en Engelse les. Zij werkte toen meer dan 40 uur per week. De inkomsten van de vrouw uit arbeid zijn in 2009 en 2010 teruggelopen omdat de vrouw minder lessen heeft kunnen geven. De vrouw is in februari 2011 in Nederland teruggekeerd omdat zij liever dichtbij haar kinderen en kleinkinderen in Nederland woont. Zij heeft volgens haar verklaring een flat gehuurd in [woonplaats] voor een huur van € 603,86 per maand. De vrouw heeft een betalingsbewijs van de waarborgsom ter grootte van een maand huur overgelegd bij brief van 18 februari 2011. De vrouw hoopt in Nederland weer les te kunnen geven in Tai Chi.

De vrouw heeft geen recht op een deel van het ouderdomspensioen van de man, niet omdat zij daarvan heeft afgezien, zoals de man oppert, maar omdat partijen met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd hetgeen tot gevolg had dat de vrouw geen recht heeft op pensioenverrekening.

Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat inmiddels duidelijk is geworden dat zij uit de nalatenschap van haar ouders aanspraak heeft op € 36.471,09 (€ 22.383,12 en € 14.087,97) waarvan zij in de vorm van sieraden € 4.075,- heeft ontvangen en in de vorm van een aandelenpakket Fortis € 15.488,-, zodat na aftrek van successierecht van € 837,- contant te ontvangen resteert € 16.071,09, een en ander volgens een opstelling van notaris Delahaije te Voorschoten die de vrouw ter zitting heeft overhandigd. De vrouw heeft verklaard dat zij het aandelenpakket in 2010 heeft verkocht en dat van de opbrengst na aftrek van de verhuiskosten en dergelijk nog circa € 3.000,- resteert.

Gelet op alle omstandigheden waaronder de leeftijd van de vrouw, de recente verhuizing naar Nederland en de arbeidsmarkt in Nederland, is niet te verwachten dat de vrouw naast haar AOW-uitkering, pensioeninkomsten en rente-inkomsten van haar resterend vermogen van circa € 19.000,- nog voor een belangrijk deel in eigen levensonderhoud kan voorzien door te werken. Het hof oordeelt het gelet op haar leeftijd en de familieomstandigheden niet onredelijk dat de vrouw heeft besloten naar Nederland te verhuizen, ook al heeft zij daarmee enige arbeidsinkomsten in de VS prijsgegeven.

4.8 Aan de zijde van de man houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de man belang heeft bij beëindiging van de bijdrage en met de volgende financiële omstandigheden van de man. Het hof maakt daartoe een berekening van de draagkracht van de man.

4.9 Bij de vaststelling van de draagkracht van de man in 2009 houdt het hof rekening met het in 3.9 vermelde inkomen van de man in dat jaar en de in 3.10 vermelde lasten, en voorts de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60.

De kosten van de man voor [C.] neemt het hof als last in aanmerking. Het hof begroot deze kosten evenals de rechtbank op € 200,- per maand. De man heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zijn aandeel in de kosten van [C.] hoger is en € 1.000,- per maand bedraagt. De vrouw heeft - onbestreden door de man - gesteld dat de echtgenote van de man een inkomen heeft van $ 200.000,- per jaar, zodat het redelijk is dat die echtgenote een aanzienlijk groter deel van de kosten van [C.] draagt dan de man. Dat de kosten van opleiding van [C.] hoog zijn en mogen zijn omdat de kinderen van partijen internationale scholen hebben bezocht, heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, die stelt dat de kinderen van partijen naar een gewone openbare school gingen, niet aannemelijk gemaakt.

Aan woonlasten houdt het hof rekening met de hypotheekrente van de woning van de man in Nederland en de bijdrage die de man volgens zijn opgaaf betaalt aan de vereniging van eigenaren van € 308,70 per maand. Met woonlasten van de man in de VS houdt het hof geen rekening omdat de man de noodzaak voor een dubbele woonlast niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat de man [kind 3] in zijn woning in [woonplaats] laat wonen maakt dit oordeel niet anders.

De man stelt dat hij de premie ziektekosten van [kind 3] van € 140,- per maand en een bijdrage in zijn kosten van € 200,- per maand betaalt. De vrouw stelt dat de premie te hoog is en dat deze kosten geen voorrang mogen hebben boven haar alimentatie omdat de man niet meer onderhoudsplichtig is jegens [kind 3]. Het hof is met de vrouw van oordeel dat de man niet meer onderhoudsplichtig is jegens [kind 3] gelet op de leeftijd van [kind 3]. Voorts geldt dat de vrijwillige bijdragen van de man aan [kind 3] geen voorrang hebben boven de onderhoudsplicht jegens de vrouw, zodat het hof met deze uitgaven geen rekening houdt.

Wat betreft de ziektekosten van de man houdt het hof rekening met de premie ZVW van 4,8% over maximaal € 32.269,- in 2009, € 1.548,91 per jaar, € 129,07 per maand nu de man deze premie wettelijk verschuldigd is, alsmede met de gemiddelde nominale premie voor een basisverzekering en aanvullende verzekering van samen € 125,- per maand, nu de man geen deugdelijk bewijsstuk van zijn werkelijke premie heeft overgelegd maar hij wel verzekerd dient te zijn. Op deze last strekt in mindering een bedrag van € 43,- dat in de bijstandsnorm is begrepen.

Op grond van het bovenstaande en rekening houdend met de fiscale gevolgen heeft de man voldoende draagkracht voor de geldende bijdrage aan de vrouw, die in 2009 € 748,25 per maand bedroeg.

4.10 De omstandigheid dat partijen kort voor de datum van invoering van de WLA en de overgangsregeling zijn gescheiden legt naar het oordeel van het hof geen gewicht in de schaal.

4.11 Tegenover het belang dat de man heeft bij beëindiging van de alimentatieverplichting, staat het belang dat de vrouw heeft bij voortzetting daarvan. Gezien de in 4.7 - 4.9 vermelde feiten en omstandigheden, is het hof na afweging van alle betrokken belangen van oordeel dat het belang van de vrouw bij voortzetting van de onderhoudsbijdrage gelet onder meer op haar beperkte financiële middelen zozeer groter is dan het belang van de man bij beëindiging van zijn bijdrage, die zijn draagkracht niet te boven gaat, dat beëindiging van de alimentatieverplichting ingaande 10 mei 2009 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden.

4.12 De rechtbank heeft een termijn vastgesteld van 5 jaar met de mogelijkheid van verlenging. De man verzoekt in hoger beroep een kortere termijn van 4 jaar, zonder verlenging en met afbouw van de uitkering. De vrouw voert aan dat dit een zelfstandig verzoek van de man is dat niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Het hof passeert dit verweer. De man is ontvankelijk in deze wijziging van zijn verzoek in hoger beroep nu hij dit verzoek schriftelijk heeft gedaan en de vrouw zich heeft kunnen verweren. Het hof ziet gelet op hiervoor in 4.7 - 4.9 vermelde omstandigheden van beide partijen geen aanleiding voor het vaststellen van een kortere termijn dan 5 jaar en evenmin voor uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging met afbouw van de alimentatie in 4 jaar, nu niet te verwachten is dat zich in de financiële situatie van de vrouw binnen 4 jaar nog zodanige wijzigingen zullen voordoen dat een beëindiging op een termijn van 4 jaar, dus per 10 mei 2012, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw gevergd kan worden. Dat ook de overgangsregeling WLA tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren (HR 5 september 2003, LJN AF8274, NJ 2003, 618) maakt dat oordeel niet anders. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank wat betreft de termijn en de mogelijkheid van verlenging daarvan in stand blijft.

4.13 Gelet op de draagkracht van de man zoals in 4.9 vastgesteld en de nog steeds aanwezige behoefte van de vrouw ziet het hof geen aanleiding de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw af te bouwen.

4.14 De man heeft in hoger beroep verzocht de wettelijke indexering uit te sluiten. Het hof verwerpt het verweer van de vrouw dat dit een zelfstandig verzoek van de man in hoger beroept betreft. Het betreft wederom een schriftelijke wijziging van het verzoek, waartoe de man gerechtigd is. De man stelt dat zijn inkomen geen gelijke tred houdt met de wettelijke indexering en dat het in 3.9 vermelde pensioen van Metalelektro dat is uitgekeerd in 2008 betrekking had op twee jaar, de jaren 2007 en 2008. Gemiddeld bedraagt het inkomen van de man in 2007 en 2008 € 46.952,50. Ook bij middeling is het naar het oordeel van het hof duidelijk dat het inkomen van de man in 2009 is gedaald ten opzichte van 2008. Nu de vrouw voorts de stelling van de man dat de aanpassing van zijn pensioeninkomen geen gelijke tred houdt met de wettelijke indexering onvoldoende heeft bestreden, oordeelt het hof het redelijk de wettelijke indexering voor de toekomst met ingang van 1 januari 2010 uit te sluiten.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en ten aanzien van de wettelijke indexering te beslissen als na te melden.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 14 juli 2010;

wijzigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 13 september 2006 en bepaalt dat de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2010 niet meer van toepassing is op de uitkering van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.M. Mens, G.J. Rijken en A.E.F. Hillen en is op 22 maart 2011 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.