Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ5283

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
200.074.334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Agentuurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.074.334

(zaaknummer rechtbank 661383)

arrest van de vijfde civiele kamer van 3 mei 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Best Sellers B.V.,

gevestigd te Veenendaal,

appellante,

advocaat: mr. P.G. Broekman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.A.M. Konings.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 januari 2010 en 30 juni 2010 de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) tussen appellante (hierna ook te noemen: Best Sellers ) als gedaagde en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde] ) als eiseres heeft gewezen; van het vonnis van 30 juni 2010 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Best Sellers heeft bij exploot van 20 augustus 2010, hersteld bij exploot van 21 september 2010, [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 30 juni 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft Best Sellers vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Zij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, zonodig onder verbetering van de gronden:

- [geïntimeerde] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, dan wel deze vorderingen als zijnde ongegrond en/of onbewezen zal afwijzen behoudens de terecht toegewezen wettelijke handelsrente over € 4.392,62 vanaf 1 juli 2009 tot 18 mei 2010 (zijnde € 309,05);

- [geïntimeerde] zal veroordelen om aan Best Sellers te restitueren het bedrag dat Best Sellers inmiddels -op 24 juli 2010- op grond van het bestreden vonnis en onder dreiging van executie daarvan ten onrechte aan geïntimeerde heeft voldaan, zijnde een bedrag groot € 24.210,09 - € 309,05 = € 23.901.94, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente daarover gerekend vanaf 24 juli 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft zij bewijs aangeboden en drie nieuwe producties (genummerd 9 tot en met 11) in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof Best Sellers niet-ontvankelijk zal verklaren, althans het appel ongegrond zal verklaren, het vonnis waarvan appel zal bekrachtigen en Best Sellers zal veroordelen in de kosten (bedoeld zal zijn:) van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald

3. De grieven

Best Sellers heeft de volgende grieven aangevoerd. Waar “de rechtbank” staat leest het hof “de kantonrechter”.

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter onder r.o. 4.1 van het bestreden vonnis geoordeeld, dat sprake is geweest van een eenzijdige rechtshandeling in de vorm van opzegging door Best Sellers.

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter onder r.o. 4.2 van het bestreden vonnis geoordeeld, dat door het niet in acht nemen van de juiste opzegtermijn Best Sellers schadeplichtig jegens [geïntimeerde] is geworden en een bedrag van € 3.139,35 aan [geïntimeerde] verschuldigd is.

Grief 3

Ten onrechte heeft de kantonrechter onder r.o. 4.3 van het bestreden vonnis geoordeeld [dat] is voldaan aan de criteria die zijn neergelegd in art. 7:442 lid 1 onder a en b BW en dat Best Sellers ingevolge het bepaalde in art. 7:442 lid 2 BW een klantenvergoeding aan [geïntimeerde] verschuldigd is van € 17.216,67.

Grief 4

Ten onrechte heeft de kantonrechter onder r.o. 4.5 van het bestreden vonnis geoordeeld dat de vordering ter zake van buitengerechtelijk kosten dient te worden toegewezen.

Grief 5

Ten onrechte heeft de kantonrechter Best Sellers veroordeeld om de in het dictum van het vonnis genoemde bedragen aan [geïntimeerde] te voldoen en heeft zij Best Sellers ten onrechte als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

4. De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1 a en 1b feiten vastgesteld. Nu daartegen geen grieven zijn gericht of bezwaren zijn geuit zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 [geïntimeerde] is bij overeenkomst van 27 juni 2005 voor onbepaalde tijd aangesteld als exclusief handelsagent van Best Sellers voor de in Frankrijk gevestigd klant Alinea tegen een provisie van 7,5% en eind 2007 eveneens voor onbepaalde tijd en tegen een zelfde provisie voor de in Frankrijk gevestigde klant Botanic. In beide gevallen gaat het om door [geïntimeerde] aan Best Sellers voorgedragen klanten.

5.2 Zakelijk weergegeven gaat het in deze zaak om twee vragen:

a. is Best Sellers aan [geïntimeerde] schadevergoeding verschuldigd wegens het niet regelmatig opzeggen van de agentuurovereenkomsten;

b. is Best Sellers aan [geïntimeerde] klantenvergoeding verschuldigd en zo ja, hoe hoog dient deze vergoeding te zijn.

5.3 Het hof is met de kantonrechter en partijen van oordeel dat op de rechtsverhouding tussen Best Sellers en [geïntimeerde] Nederlands recht van toepassing is.

5.4 Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat sprake is geweest van een eenzijdige beëindiging door Best Sellers in de vorm van een opzegging van de agentuurovereenkomst.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Op 29 april 2009 is door Best Sellers aan [geïntimeerde] een mailbericht (productie 9 in eerste aanleg) gestuurd met de volgende inhoud:

“(…)

Wij hebben op 21 januari jl. een meeting gehad waarin aan jou duidelijk is meegedeeld dat wij geen gebruik meer wilden maken van jouw diensten. Daarop volgend hebben wij jou de overeenkomst gestuurd waarin wij onze samenwerking hebben opgezegd (…)”.

Uit de inhoud van dit mailbericht maakt het hof de gevolgtrekking dat Best Sellers het initiatief heeft genomen om de agentuurovereenkomst te beëindigen.

5.5 Partijen hebben na dit initiatief tot beëindiging op 21 januari 2009 met elkaar gesproken over de financiële gevolgen van deze beëindiging en geprobeerd om hierover overeenstemming te bereiken. Best Sellers heeft daartoe aan [geïntimeerde] de overeenkomst gestuurd, waarnaar in het mailbericht van 29 april 2009 wordt verwezen. [geïntimeerde] heeft met de inhoud van deze overeenkomst niet ingestemd en de overeenkomst niet aan Best Sellers teruggestuurd.

Best Sellers heeft na 21 januari 2009 niet meer van de diensten van [geïntimeerde] gebruik gemaakt.

5.6 Naar het oordeel van het hof moet uit de hierna vermelde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien de conclusie worden getrokken dat de agentuurovereenkomst door Best Sellers per 21 januari 2009 zonder het in acht nemen van een opzegtermijn is beëindigd en dat van instemming van [geïntimeerde] met die beëindiging niet is gebleken. Aldus doet zich, nu van een dringende onverwijld meegedeelde reden geen sprake was, de in artikel

7: 439 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bedoelde situatie voor. Anders dan in eerste aanleg heeft Best Sellers in hoger beroep niet aangeboden om de inhoud van het gesprek op 21 januari 2009 door getuigen te bewijzen. Het hof ziet geen aanleiding om Best Sellers ambthalve hiertoe in de gelegenheid te stellen. Best Sellers heeft over de inhoud van dat gesprek enerzijds gesteld dat partijen in dat gesprek zijn overeengekomen om de agentuurovereenkomst met directe ingang met wederzijds goedvinden te beëindigen en heeft anderzijds betoogd dat zij in dat gesprek hooguit aan [geïntimeerde] te kennen heeft gegeven tot een beëindiging van de agentuurovereenkomst te willen geraken, zodat niet duidelijk is tot vaststelling van welk feit een bewijsopdracht zou kunnen leiden.

5.7 De stelling van Best Sellers dat uit de tekst van het mailbericht van [geïntimeerde] van 29 april 2009 zou blijken dat [geïntimeerde] het standpunt inneemt dat de agentuurovereenkomst nog steeds in stand zou zijn, wordt verworpen. Uitgangspunt is dat de opzegging het juridisch beoogde effect heeft gehad dat de overeenkomst eindigde. Bovendien blijkt uit de onweersproken inhoud van mailverkeer in de periode maart/april 2009 tussen Best Sellers enerzijds en Alinea en Botanic anderzijds dat Best Sellers zonder tussenkomst van [geïntimeerde] met deze bedrijven zaken is gaan doen, waardoor bevestigd wordt dat aan de agentuurovereenkomst een einde is gekomen. Grief 1 faalt.

5.8 Ook grief 2, die niet de hoogte van de schadevergoeding aan de orde stelt, maar voortborduurt op de stelling dat van opzegging geen sprake is, wordt in het verlengde van hetgeen hieromtrent bij de bespreking van grief 1 is overwogen, wordt verworpen.

5.9 Gelet op hetgeen hierboven is overwogen snijdt grief 3 geen hout voor zover het betreft de in deze grief gehanteerde premisse dat van beëindiging van de agentuurovereenkomst nog geen sprake is. In de grief betoogt Best Sellers voorts dat na 21 januari 2009 door Botanic en Alinea slechts sporadisch iets bij Best Sellers is besteld en dat geen sprake is van een waardestijging van de onderneming van Best Sellers.

Gelet op het feit dat het hier gaat om klanten die door [geïntimeerde] zijn aangebracht en gelet op de aanmerkelijke voordelen die Best Sellers daaruit nog heeft, gelet op de overgelegde onweersproken orderbevestigingen uit maart en mei 2009 (producties 6 en 7) en maart 2010 (productie 10), heeft [geïntimeerde], recht op een klantenvergoeding. De betaling van deze klantenvergoeding is billijk in aanmerking genomen de provisie die voor [geïntimeerde] verloren gaat door beëindiging van de overeenkomst door Best Sellers. Een en ander leidt ertoe dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat de klantenvergoeding dient te worden vastgesteld op de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de door [geïntimeerde] gedurende de looptijd ontvangen provisie. Onweersproken is dit een bedrag van € 17.216,67.

5.10 Grief 4 is gericht tegen de door de kantonrechter toegewezen buitengerechtelijke kosten. Ter toelichting op deze grief stelt Best Sellers dat [geïntimeerde] geen kosten heeft gemaakt die niet vallen onder een eventuele proceskostenveroordeling. Kosten van enkele telefoongesprekken en het verzenden van een (eventueel herhaalde aanmaning) komen, aldus Best Sellers, niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking. Deze grief faalt. Best Sellers heeft de door [geïntimeerde] overgelegde specificaties van de werkzaamheden van haar toenmalige advocaat niet weersproken. Met deze werkzaamheden in de maanden juni en juli 2009, bestaande uit correspondentie met Best Sellers en haar advocaat en telefoongesprekken waren 6 uur en 30 minuten gemoeid. De kosten daarvan dienen naar het oordel van het hog beschouwd te worden als buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW

5.11 Grief 5 heeft geen zelfstandige betekenis en kan onbesproken blijven.

5.12 De slotsom is dat, nu de grieven 1 tot en met 4 falen en grief 5 geen zelfstandige betekenis heeft, het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Best Sellers dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep te worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort) van 30 juni 2010;

veroordeelt Best Sellers in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 263,- voor griffierecht;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. Frankena, H. Wammes en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.