Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4450

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2011
Datum publicatie
16-05-2011
Zaaknummer
200.012.962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige beslaglegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.012.962

(zaaknummer rechtbank 230547)

arrest van de derde civiele kamer van 3 mei 2011

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. R.F. de Jong,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Combi Hypotheken B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bouwfonds Hypotheken B.V.,

gevestigd te Hoevelaken,

3. de naamloze vennootschap

Generali Levensverzekeringsmaatschappij N.V.,

gevestigd te Diemen,

4. de naamloze vennootschap

Direktbank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

5. de stichting

Stichting Bedrijfstak Pensioenfonds Metalelektro,

voorheen genaamd Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie,

gevestigd te Amsterdam

6. de vennootschap naar Duits recht

Hypo Real Estate Bank AG,

voorheen genaamd Westfälische Hypotheek Bank AG,

gevestigd te Dortmund, Duitsland,

7. de naamloze vennootschap

Aegon Levensverzekering N.V.,

gevestigd te Den Haag,

8. de naamloze vennootschap

Interbank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

9. de coöperatie

Coöperatieve Rabobank Amstel en Vecht U.A.,

voorheen genaamd Coöperatieve Rabobank Ouder-Amstel B.A.,

gevestigd te Ouderkerk aan de Amstel,

10. de naamloze vennootschap

Ohra Bank N.V.,

gevestigd te Arnhem,

11. de naamloze vennootschap

ING Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. B. ten Doesschate.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 augustus 2007 en 7 mei 2008 die de rechtbank Utrecht tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser en geïntimeerden (hierna gezamenlijk: de instellingen) als gedaagden heeft gewezen; van dat laatste vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 9 juli 2008,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord,

- de ter gelegenheid van het pleidooi aan de zijde van [appellant] bij brief van 16 februari 2011 ingediende producties 30 en 31,

- de pleitnota's van de op 23 februari 2011 gehouden pleidooien.

2.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het door [appellant] overgelegde dossier.

3. De vaststaande feiten

De rechtbank heeft in haar vonnis van 7 mei 2008 onder 2.1 tot en met 2.3 feiten vastgesteld. Aangezien tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd zal het hof in het hoger beroep van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak kort gezegd over het volgende. Op 21 oktober 1997 is [appellant] als verdachte aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van - samengevat - betrokkenheid bij fraude waarbij de instellingen met onder meer valse taxatierapporten zijn bewogen om hypothecaire leningen te verstrekken, ook wel genoemd "de hypotheekfraude". Op 22 oktober 1997 heeft het openbaar ministerie een persbericht doen uitgaan waarin de initialen van [appellant] en het feit dat hij makelaar te [plaatsnaam] is, zijn vermeld. [appellant] is op 24 oktober 1997 in vrijheid gesteld. Nadat de uitslag van een daartoe gehouden handtekeningonderzoek bekend was geworden, heeft de officier van justitie op 13 oktober 1998 de zaak tegen [appellant] geseponeerd. Anderen zijn in verband met de hypotheekfraude veroordeeld.

De instellingen hebben op 29 oktober 1997 en in januari 1998 ten laste van [appellant] conservatoir (derden)beslagen doen leggen. Het beslag onder de ABNAmro Bank heeft gekleefd voor een bedrag van NLG 174.737.04. De beslagen zijn op 14 oktober 1998 opgeheven. Bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 16 juni 2005 (hierna: het arrest van 16 juni 2005) is, onder meer, beslist dat het beslag onrechtmatig is gelegd, waarbij de instellingen zijn veroordeeld tot vergoeding van de schade die [appellant] ten gevolge van dit beslag heeft geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2 [appellant] heeft in 2007 bij de rechtbank Utrecht op grond van die onrechtmatige beslaglegging een schadestaatprocedure ingesteld en vergoeding gevorderd van zijn schade, door hem begroot op een bedrag van € 12.747.000,00, vermeerderd met rente. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure. In hoger beroep heeft [appellant] vier grieven aangevoerd tegen de afwijzing van zijn vorderingen. De instellingen hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

4.3 Tijdens het pleidooi heeft [appellant] nog aangevoerd dat de beslaglegging door de instellingen ook te maken heeft met een geschil in verband met de aanleg van het Arena-complex te Amsterdam waarbij [appellant] was betrokken. [appellant] betoogt dat hem door de opstelling van de instellingen de kans is ontnomen succesvol te procederen tegen de gemeente Amsterdam over het niet (langer) betrekken van [appellant] bij dat project. Het hof stelt vast dat [appellant] met betrekking tot die beweerdelijke schade in de memorie van grieven geen grief heeft aangevoerd en voor zover de stellingen van [appellant] tijdens het pleidooi als een nieuwe grief hebben te gelden deze als tardief moet worden aangemerkt en in strijd met de twee-conclusieregel in artikel 347 lid1 Rv. Tijdens het pleidooi heeft de raadsman van de instellingen niet ondubbelzinnig ermee ingestemd dat deze grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken. Naar het oordeel van het hof leidt onverkorte toepassing van deze "in beginsel strakke regel" niet tot strijdigheid met een goede procesorde. Ook voor een vermeerdering van eis door [appellant] is er rechtens geen ruimte.

4.4 Het hof merkt in dit verband tevens op dat het de bij memorie van grieven als productie 4 overgelegde verklaring van [appellant] in de zin begrijpt zoals onder punt 2 van de memorie van grieven staat vermeld, zoals ook de instellingen dit hebben begrepen, namelijk als een verklaring waarin [appellant] zijn verhaal kan doen. De in die verklaring als "grieven" gepresenteerde uitingen, zal het hof niet opvatten als afzonderlijke grieven, maar slechts als een toelichting op de grieven zoals deze in de memorie van grieven zijn geformuleerd.

4.5 Het hof stelt voorop dat de verdenking van [appellant] van betrokkenheid bij de hypotheekfraude voor hem persoonlijk ingrijpend is geweest. In de onderhavige procedure heeft het hof echter louter te beoordelen of de schade die [appellant] stelt geleden te hebben het gevolg is van het - op grond van het arrest van 16 juni 2005 als onrechtmatig te kwalificeren - gelegde beslag, voor vergoeding in aanmerking komt en, zo dit het geval is, wat de omvang daarvan is. Deze vraag dient beantwoord te worden volgens het in artikel 6:98 BW neergelegde uitgangspunt dat voor vergoeding in aanmerking komt de schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem - mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade - als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.

Het voornaamste bezwaar van [appellant] tegen deze (terecht) door de rechtbank (r.o. 4.4) gehanteerde maatstaf komt - samengevat - erop neer dat de rechtbank bij de toepassing van deze maatstaf er geen rekening mee heeft gehouden dat [appellant] als gevolg van de door de banken gelegde beslagen op grond van de gestelde fraude - ook indien de strafrechtelijke verdenking en de publiciteit daaromtrent zou worden "weggedacht" - zijn functie als arbiter en rechtbankdeskundige heeft moeten neerleggen en als projectontwikkelaar niet meer kon functioneren (grief IV). Deze - tijdens het pleidooi uitvoerig besproken - stelling van [appellant] laat onverlet dat bij de beoordeling van de diverse door [appellant] gevorderde schadeposten eerst zal moeten worden beoordeeld of voor de in artikel 6:98 BW bedoelde toerekening een condicio sine qua non-verband aanwezig is tussen de normschending van de instellingen (het gelegde beslag) en de door hem gestelde geleden schade. Om te bepalen welke schade als gevolg van het onrechtmatige beslag is geleden dient de werkelijk ontstane situatie te worden vergeleken met de fictieve situatie waarin het onrechtmatig handelen achterwege was gebleven. Derhalve moet het gelegde beslag worden "weggedacht", maar niet de strafrechtelijke opsporing en vervolging en de daarmee samenhangende publiciteit. Eventuele schade die [appellant] daardoor zou hebben geleden, kan immers niet aan de instellingen worden toegerekend.

4.6 [appellant] heeft gesteld dat naar aanleiding van de tekst van het beslagrekest (productie 5c bij memorie van grieven), waarin met zoveel woorden naar de hypotheekfraude wordt verwezen, zodanige publiciteit is ontstaan, dat deze ertoe heeft geleid dat de projecten waarbij [appellant] was, geen doorgang hebben gevonden dan wel hem is verzocht zich uit het project terug te trekken. [appellant] heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. Niet gesteld of gebleken is dat het beslagrekest op zodanige wijze is verspreid, dat daaraan een zelfstandige publicitaire betekenis kan worden toegekend. In de overgelegde stukken zijn hiervoor geen aanknopingspunten te vinden. Hierbij heeft ook te gelden dat het ten onrechte leggen en handhaven van een conservatoir beslag als onrechtmatig heeft te gelden, maar de mededeling dat men een vordering pretendeert, die veelal in het leggen van een beslag of in de begeleidende formaliteiten besloten ligt, in beginsel niet als onrechtmatig kwalificeert.

De bezwaren van [appellant] lijken zich vooral ook te richten op het feit dat de financiële instellingen onder wie de beslagleggers (de instellingen) hun (beoogde) derdenbeslagen wilden leggen, door het beslag werden ingelicht over de vordering die de instellingen pretendeerden op [appellant] te hebben. Dit laatste levert in beginsel geen grond op om de beslaglegger onrechtmatig gedrag aan te rekenen, maar dat kan onder omstandigheden anders zijn. Dit zou het geval kunnen zijn als de instellingen op excessieve en ontoelaatbare wijze ruchtbaarheid zouden hebben gegeven aan hun pretense vordering op [appellant]. Dit is echter niet gesteld of gebleken. Van het geven van enige ruchtbaarheid door de instellingen, anders dan voor het leggen van het beslag noodzakelijk is, is niet gebleken.

4.7 Het hof merkt op dat [appellant] in het geheel geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie tijdens het beslag, waardoor ook niet kenbaar is geworden of, en zo ja welke (financiële) belemmeringen hij ten gevolge van de beslagen, in het bijzonder het enige klevende beslag, gedurende die periode heeft ondervonden. De door [appellant] in het geding gebrachte verklaringen van de heren [A.], [B.] en [C.] (productie 28 bij memorie van grieven) zijn daartoe onvoldoende, nu hun verklaringen slechts in algemene bewoordingen de situatie van [appellant] beschrijven en niet door enige (financiële) bescheiden worden ondersteund. Zo heeft [appellant] geen afwijzingen van financieringsaanvragen overgelegd, waaruit bijvoorbeeld zou kunnen volgen dat het beslag een rol bij de afwijzing heeft gespeeld. Grief IV faalt.

Terugtreden als lid van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven en niet meer kunnen fungeren als rechtbankdeskundige

4.8 Grief I is gericht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.6 dat de door [appellant] aangevoerde feiten of omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat hij zich in november 1997 als gevolg van het gelegde beslag heeft teruggetrokken als lid van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland (hierna: Raad van Arbitrage).

Het hof stelt vast dat [appellant] in hoger beroep geen nadere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat de schade die [appellant] stelt geleden te hebben door zijn terugtreden als lid van de Raad van Arbitrage alsook door het niet meer kunnen vervullen van zijn functie als rechtbankdeskundige het gevolg is van het door de instellingen gelegde beslag. Uit de overgelegde brief van [appellant] van 18 november 1997 aan de Raad van Arbitrage (productie 6 b bij memorie van grieven) volgt immers dat [appellant] niet het beslag als motief voor zijn terugtreden heeft aangevoerd, maar het lopende onderzoek van het openbaar ministerie. Ten aanzien van het niet meer uitoefenen van zijn functie als rechtbankdeskundige heeft [appellant] geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat het beslag daarvan de oorzaak is. De enkele stelling, geuit tijdens het pleidooi, dat het ondenkbaar is dat iemand die wordt beschuldigd van fraude, naar aanleiding waarvan de instellingen het beslag hebben gelegd, nog wordt benoemd als rechtbankdeskundige is daartoe onvoldoende. [appellant] heeft derhalve - ook in hoger beroep - onvoldoende gesteld om een causaal verband te kunnen aannemen tussen het beslag en zijn terugtreden als arbiter dan wel als rechtbankdeskundige. Grief I faalt.

Projecten

4.9 De grieven II en III zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat - samengevat - geen causaal verband bestaat tussen het gelegde beslag en de door [appellant] gevorderde schade in verband met de projecten waarbij hij aanvankelijk betrokken was, dan wel dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel heeft betrokken dat de projecten uiteindelijk niet zijn gerealiseerd. Het hof zal per project de bezwaren van [appellant] beoordelen.

- Megasportpaleis Brielle

4.10 [appellant] was in 1997 betrokken bij plannen voor de ontwikkeling van een megasportpaleis in Brielle. Bij brief van 14 december 1999 (verzonden 15 december 1999) hebben Burgemeester en Wethouders van Brielle (hierna: B&W) [appellant] geïnformeerd dat wordt afgezien van verdere ontwikkeling en realisering van het project.

Het hof constateert dat uit de brief van 14 december 1999 blijkt dat de projectontwikkelaars eerst in beeld zouden brengen of het project kans van slagen heeft, dat er voor het project nog geen haalbaarheidstudie is verricht en dat als uit die studie mocht blijken dat het project haalbaar is pas vervolgstappen zouden worden gemaakt. Gelijk de rechtbank heeft geoordeeld, blijkt niet uit deze brief of uit andere processtukken dat het besluit van B&W om af te zien van de realisatie van het project verband houdt met het door de instellingen gelegde beslag. Evenmin blijkt dit uit de brief van B&W aan [appellant] van 31 juli 1998. Daarin is vermeld dat het gemeentebestuur onder voorwaarden instemt met de verdere ontwikkeling van het project. Kennelijk vormde het toen reeds vele maanden eerder gelegde beslag daarvoor voor B&W geen belemmering.

In de verklaring van [C.] van [C] Partners bureau voor bouwproces beheersing B.V. (productie 28 bij memorie van grieven) wordt door hem weliswaar verklaard dat [C] Partners door [appellant] was aangetrokken voor het verrichten van ontwikkelings-werkzaamheden voor het project in Brielle en haar werkzaamheden heeft moeten staken omdat [appellant] zijn financiële verplichtingen jegens [C] Partners niet meer kon nakomen, maar dit verklaart niet dat het beslag heeft geleid tot het niet doorgaan van het project. [appellant] heeft immers niet uitgelegd waarom hij, in de periode nadat het beslag was opgeheven (14 oktober 1998) en het besluit van B&W om van de realisatie van het project af te zien (bekend gemaakt per brief van 14 december 1999), door het beslag niet in staat zou zijn geweest om bijvoorbeeld de haalbaarheidsstudie (mede) te financieren of althans gefinancierd te krijgen. Ook is door [appellant] geen enkel stuk overgelegd, zoals een offerte of een begroting voor het (doen) uitvoeren van een haalbaarheidstudie. Daardoor is ook onduidelijk gebleven of de kosten daarvan een reële drempel hebben gevormd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in het licht van voornoemde correspondentie [appellant] onvoldoende heeft gesteld om het bestaan van een verband tussen het beslag en het besluit van B&W om van het project af te zien te kunnen aannemen, zodat om die reden aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

- Prinsenhoeve Den Dolder

4.11 Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat hij een - op 17 december 1996 van de (toenmalige) eigenaar van de grond van de Prinsenhoeve in Den Dolder verkregen - koopoptierecht niet heeft kunnen uitoefenen als gevolg van het beslag en daardoor schade heeft geleden, onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de processtukken volgt louter dat na het overlijden van de eigenaar in 2000, de grond is ondergebracht in een stichting. [appellant] heeft niet gesteld dat het beslag ertoe heeft geleid dat hij niet tot aankoop van het onroerend goed kon overgaan, laat staan dat hij die stelling deugdelijk heeft onderbouwd. Enig causaal verband tussen het beslag en de gestelde schade kan dan ook niet worden aangenomen.

- Roermondse Poort Venlo

4.12 In r.o. 4.14 heeft de rechtbank geoordeeld dat de door [appellant] overgelegde brief van 10 maart 1998 van Palterre Nederland B.V. de stelling van [appellant] niet onderbouwt, dat hij een samenwerkingsovereenkomst met Palterre Nederland B.V. was aangegaan in verband met het project Roermondse Poort Venlo, waarbij hij gerechtigd was in de opbrengst van 3% van de investering. Bovendien wordt in de brief geen relatie gelegd tussen het beslag en het verzoek aan [appellant] om terug te treden, aldus de rechtbank.

Het hof stelt vast dat ook in hoger beroep niet is gebleken of nader is onderbouwd dat [appellant] recht had op de door hem als schade gevorderde misgelopen vergoeding voor dit project, zodat ook in hoger beroep de schade niet is vast komen te staan.

- Makkerstraat Schiedam

4.13 Volgens [appellant] heeft de rechtbank (r.o. 4.10) ten aanzien van dit project tevens ten onrechte in haar oordeel betrokken dat het project niet is gerealiseerd.

Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat tussen een vennootschap van [appellant] en Creon B.V. op 11 september 1997 een samenwerkingsovereenkomst is gesloten in het kader van de ontwikkeling van een bouwlocatie te Schiedam en dat bij brief van 17 februari 1998 Creon B.V. de samenwerkingsovereenkomst heeft beëindigd omdat, onder meer, "de beslagen op uw financiële middelen nog niet zijn opgeheven". Vast staat ook dat het project uiteindelijk niet aan Creon B.V. is gegund en dat het project na 10 jaar nog niet is gerealiseerd. Het hof is van oordeel dat dit laatste een belangrijke aanwijzing vormt voor de kans dat het project, ook indien de instellingen geen beslag hadden gelegd, niet verwezenlijkt zou zijn, zodat kan worden aangenomen dat [appellant] geen schade heeft geleden als gevolg van de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst vanwege het beslag.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven II en III falen.

4.14 [appellant] heeft bewijs aangeboden van zijn stellingen. Het hof gaat daaraan voorbij, nu hij geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden.

Het hof merkt in dit verband nog op dat de door [appellant] overgelegde verklaring van Ir. [D.] (productie 3 bij inleidende dagvaarding), waar [appellant] in hoger beroep uitdrukkelijk naar heeft verwezen, hierin geen verandering brengt. In deze verklaring verklaart [D.] dat de schadeopstelling van [appellant] geen "luchtfietserij" is en "in het algemene beeld van de projectontwikkeling een redelijke opstelling is". Wat hier ook verder van zij, de verklaring geeft louter een inschatting van [D.] over de omvang van de door [appellant] berekende schade indien de projecten zouden zijn gerealiseerd. Enige onderbouwing van het bestaan van een condicio sine qua non-verband tussen het beslag en de door [appellant] berekende schade geeft de verklaring echter niet.

5. Slotsom

De slotsom luidt dat de grieven alle falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 7 mei 2008;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de instellingen begroot op € 13.740,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 5.981,00 voor griffierecht;

- verklaart de veroordeling in de kosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Ch.E. Bethlem, L.M. Croes en J.J. Makkink en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2011.