Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ4023

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
200.043.995-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wederpartij mocht onderhandelingen slechts afbreken onder vergoeding van gemaakte kosten. Kosten van monster bedrijfskleding bedragen ruim € 26.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

1 februari 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHOONMAAKBEDRIJF WESTERVELD B.V.,

gevestigd te Hilversum,

APPELLANTE,

advocaat: mr. R.M. Dessaur, te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OOSTERBEEK’S SPORTPRIJZEN BUNSCHOTEN B.V.,

gevestigd te Bunschoten,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. D. van Loon, te Soest.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft in deze zaak op 21 september 2010 een

tussenarrest gewezen waarnaar wordt verwezen voor het verloop van het geding tot aan dat arrest en waarbij wordt volhard.

1.2 Vervolgens hebben beide partijen nog een akte

genomen.

1.3 Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding

overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 Bij genoemd tussenarrest van 21 september 2010 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de akte van de tegenpartij die deze genomen heeft naar aanleiding van het arrest van 11 mei 2010.

2.2 Bij arrest van 11 mei 2010 is partijen de mogelijkheid geboden zich uit te laten over “wat in deze redelijke kosten kunnen worden genoemd”.

Het gaat dus om het antwoord op de vraag welke kosten geïntimeerde, Oosterbeek, in dit geval, gelet op alle specifieke omstandigheden, appellante, Westerveld, in rekening mag brengen.

In dat verband spelen de volgende omstandigheden een rol:

- Westerveld wilde een monster zien in de definitieve kleuren;

- medewerkers van Westerveld, onder wie [medewerker K.], wisten, gelet op de verklaring van [medewerker K.] als getuige in het voorlopig getuigenverhoor, dat, teneinde een model te kunnen tonen, alle stoffen moesten worden ingeverfd;

- de tijdsdruk was erg groot: op 17 augustus 2006 vond er een eerste bespreking plaats en ruim vóór 1 november 2006 diende de bedrijfskleding gereed te zijn;

- op 17 oktober 2006 zijn de monsters en de door Westerveld te ondertekenen offerte door [S.] aan [medewerker K.] overhandigd. [S.] werd toen medegedeeld dat de directie van Westerveld besloten had “het idee van de huisstijl in de koelkast te zetten”;

- de onderhandelingen werden door Westerveld afgebroken in verband met een beleidswijziging binnen haar bedrijf en dus niet in verband met handelen of nalaten van Oosterbeek.

2.3 Bij akte van 22 juni 2010 heeft Westerveld als productie in het geding gebracht een verklaring van haar huidige leverancier van bedrijfskleding, [H. BV], gevestigd te [vestigingsplaats].

Deze verklaring houdt, voor zover van belang, in:

“Beste [L.],

Onderstaand antwoord op je vraag van deze week.

Vraag: Wat kost het om 1 monster aan te maken in 3 pantonekleuren?

Uitgaande van het bestaande Vebego model (of Westerveld model):

- in 3 andere pantonekleuren

- inclusief 2 borduursels

Prijs inclusief transport tot Hilversum: € 345,00.

Er zal uiteraard stof overblijven in de 3 kleuren, hiervan kunnen uiteraard meer shirts gemaakt worden.

Hoe meer shirts er gemaakt worden hoe goedkoper het produkt. Nu zijn alle vaste kosten berekend op 1 shirt.

Met vriendelijke groet,

[M.]

Sales Manager (…)”.

2.3.1 Volgens Westerveld zijn in deze als redelijke kosten te aanvaarden een bedrag van € 345,-- exclusief BTW (R. en S.] zie akte van 22 juni 2010 pag. 3 onder 10).

In deze door Westerveld overgelegde en door haar gevolgde berekening van de kosten van het vervaardigen van een model is echter, naar het hof vaststelt, op geen enkele wijze rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval: deze verklaring houdt niet meer in dan dat het vervaardigen van een shirt in drie pantonekleuren, inclusief transportkosten € 345,-- bedraagt.

Hiermee heeft Westerveld dus niet gereageerd op de door het hof voorgelegde vraag wat in deze redelijke kosten zijn zodat aan die verklaring geen betekenis kan worden toegekend.

2.3.2 Oosterbeek heeft er – andermaal – op gewezen dat alles onder grote tijdsdruk diende te geschieden en dat Westerveld monsters in de definitieve kleuren wilde zien, waardoor zij niet anders kon dan opdracht geven de stoffen voor de sweaters en polo’s in te verven.

2.3.3 Dit is door Westerveld niet weersproken.

2.3.4 Nu Westerveld voorts de onderhandelingen heeft afgebroken om haar moverende – niet in het handelen of nalaten van Oosterbeek gelegen – redenen, is het redelijk dat Westerveld de netto kosten die Oosterbeek heeft gemaakt, vergoed.

2.3.5 Dat betekent dat Westerveld de kosten die Oosterbeek in rekening zijn gebracht door de door haar ingeschakelde leverancier, Badge, minus de vergoeding voor de stof voor schorten die zij, Oosterbeek, van Cotton Textiles Enschede B.V. heeft aangeboden gekregen - € 525,-- -, zijnde in totaal € 26.736,40, dient te vergoeden.

2.3.6 Oosterbeek heeft voorts aanspraak gemaakt op een winsttoeslag van 7,25 % ter dekking van haar eigen kosten.

2.3.7 Deze opslag wordt afgewezen nu Oosterbeek niet heeft aangetoond kosten tot dat bedrag te hebben gemaakt waarvan het redelijk is dat deze voor rekening van Westerveld komen.

2.4 Ingevolge artikel 6:119a BW is wettelijke handelsrente verschuldigd in het geval van een handelsovereenkomst schadevergoeding verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.

In casu is juist geen handelsovereenkomst gesloten en is Westerveld gehouden kosten te vergoeden – ten titel van schadevergoeding - omdat het haar niet vrijstond de onderhandelingen af te breken zonder de kosten van Oosterbeek te vergoeden. Reeds hierom moet de gevorderde wettelijke handelsrente worden afgewezen. Het hof zal – als niet bestreden - de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 15 november 2006.

Grief VII slaagt dus.

2.5 Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat – op de gronden zoals door de rechtbank overwogen – het beroep van Westerveld op matiging van de schadevergoeding op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden afgewezen.

Grief VIII faalt dus.

2.6 Ook grief IX, gericht tegen de veroordeling van Westerveld in de proceskosten faalt. De rechtbank heeft terecht Westerveld als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld,

2.7 Grief X heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen bespreking.

2.8 Het bewijsaanbod van Westerveld wordt als onvoldoende gespecificeerd gepasseerd.

3. Slotsom

Uit het vorenstaande en het in het tussenarrest van 11 mei 2010 overwogene volgt dat grief VII slaagt en de overige grieven falen. Het vonnis waarvan beroep dient vernietigd te worden voor zover daarbij de vordering van Oosterbeek integraal is toegewezen. De vordering van Oosterbeek zal worden toegewezen tot een bedrag van € 26.736,40 in de zin als hierna vermeld en voor het overige worden afgewezen. Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.

Westerveld dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de kosten van het geding in hoger beroep te dragen.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vordering van Oosterbeek tot een bedrag van € 34.792,63 vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 15 november 2006 tot de dag der algehele voldoening is toegewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Westerveld om aan Oosterbeek te voldoen een bedrag van € 26.736,40;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt Westerveld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van Oosterbeek tot aan dit arrest begroot op € 1.045,-- aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.P. van Achterberg en A.S. Arnold en is in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 1 februari 2011.