Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3978

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
23-002342-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY9713, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:BY9713
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het opzettelijk in een hulpeloze toestand brengen of laten van zijn echtgenote, waardoor zij is overleden als bedoeld in artikel 255 jo 257 Sr. Gelet op de door deskundigen geconstateerde cognitieve functiestoornissen en vasculaire schade in de hersenen bij de verdachte is het hof van oordeel dat de verdachte in mindere mate dan een gemiddelde persoon in staat is tot het op adequate wijze inschatten van een situatie en het vervolgens daarop op passende wijze reageren. Het hof acht mede gelet daarop niet bewezen dat bij de verdachte opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) aanwezig is geweest op het in hulpeloze toestand laten van zijn echtgenote.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 255
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002342-10

datum uitspraak: 14 april 2011

TEGENSPRAAK (PROMIS)

ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-401220-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

GBA-adres: [adres 1],

feitelijk wonende te [adres 2].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 april 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 31 maart 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op 26 juli 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer], tot wiens onderhoud, verpleging of verzorging hij (als haar wettelijke echtgenoot) krachtens wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten, door:

- niet direct het alarmnummer '112' te bellen nadat verdachte bemerkte dat genoemde [slachtoffer] een (gapende vlees)wond (rafelige huidklieving van circa 8 cm met uitpuilen van weke delen met huidflapjes) in haar linkerarm had en/of

- [slachtoffer] niet te helpen en/of niet het alarmnummer "112" te bellen nadat [slachtoffer] verdachte wakker maakte en tegen hem zei: "[voornaam verdachte], ik zit helemaal onder het bloed, ik zit helemaal onder het bloed" en/of

- (vervolgens) tegen haar te zeggen dat ze moest gaan slapen en te zeggen dat hij er later naar zou kijken, maar dat (op geen enkel moment van de dag) (niet) heeft gedaan en ook toen heeft nagalaten het alarmnummer "112" te bellen en/of

- de arm van [slachtoffer] niet opnieuw te verbinden, nadat verdachte had geconstateerd dat de (door hem eerder aangebrachte) lap niet meer om de arm zat, danwel enige andere maatregel(en) te treffen om het bloeden te stelpen en/of

- niet het alarmnummer 112 te bellen nadat hij had geconstateerd dat de bloedvlek op het bed om [slachtoffer] heen steeds groter werd en/of

- [slachtoffer] niet (op enig moment) (met kracht) wakker te schudden en/of op enige andere manier te controleren of zij nog leefde en/of

- pas na (ongeveer) 18 uren, nadat verdachte constateerde dat [slachtoffer] (ernstig) gewond was, het alarmnummer '112' heeft gebeld,

in elk geval door (in zeer hoge mate) onzorgvuldig te handelen, waardoor [slachtoffer] voornoemd zwaar lichamelijk letsel (te weten (onder meer) een gapende (vlees)wond (rafelige verklieving) van circa 8 centimeter met uitpuilen van weke delen met huidflapjes aan de voor/buitenzijde van de linker bovenarm en/of (min of meer) scherprandige huidverklieving van 1,4 cm met uitpuilen van vetweefsel aan de binnenzijde van de linkerbovenarm en/of een doorsnijding van verschillende kleine vaatjes waaronder een rechtstreekse aftakking van een der armslagaders) heeft bekomen en/of (door hevig bloedverlies) is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, namelijk een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht.

Vrijspraak

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hierbij het volgende.

De verdachte wordt, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij opzettelijk zijn echtgenote [slachtoffer] op 26 juni 2009 in een hulpeloze toestand heeft gebracht of gelaten waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en/of door hevig bloedverlies is overleden.

Bevindingen uit het politieonderzoek

De verdachte heeft het alarmnummer 112 gebeld op 26 juli 2009 te 22.17 uur.

De politie is op 26 juli 2009 om 22.20 uur naar de woning van de verdachte en zijn echtgenote gegaan, na een melding dat daar een vrouw onwel was geworden en mogelijk was gevallen in glas. [slachtoffer] werd op bed aangetroffen, met haar hoofd en linkerbovenarm boven een deken die doordrenkt was met bloed. Om medische zorg te bieden werd de deken van haar afgetrokken. De politiebeambten zagen dat er (het hof begrijpt: om) haar heen bloed lag. Zij zagen dat het beddengoed onder en rondom haar doordrenkt was met bloed. Toen zij [slachtoffer] van het bed af wilden halen om haar te reanimeren, voelden zij dat zij koud en stijf was. Enkele ogenblikken later hebben zij de medische zorg overgedragen aan de bemanning van de zojuist ter plaatse gekomen ambulance. Voorts is geconstateerd dat zich naast het bed een afgebroken wijnglas bevond.

Onderzoek doodsoorzaak en tijdstip overlijden

Bij de sectie op het lichaam van [slachtoffer] door arts-patholoog F.R.W. van de Goot is gebleken dat zij is overleden door bloedverlies en verwikkelingen daarvan ten gevolge van een snijdend/klievend mechanisch geweld aan de linkerbovenarm. Het letsel kan veroorzaakt zijn door “ongelukkig” vallen in glas, hoewel andere vormen van geweldsinwerking beslist niet uitgesloten zijn. C. Das, verbonden aan de GGD Amsterdam stelt in het rapport van 15 maart 2010 eveneens dat ernstig bloedverlies als gevolg van de verwonding in de bovenarm vrijwel zeker de doodsoorzaak is geweest, en ook, dat het ontstaan van de wond minder duidelijk is. Dat een glas tegelijkertijd breekt en op zijn voet blijft staan en een arm van circa 10 tot 15 centimeter doorklieft is een onwaarschijnlijk scenario, maar uitgesloten is het niet, aldus evengenoemde deskundige.

Voorts stelt Das dat het slachtoffer wanneer er in het geheel geen behandeling was ingesteld binnen één à twee uur zou zijn doodgebloed. In het rapport van 15 maart 2010 is voorts vastgesteld dat, gelet op het tijdstip waarop de dood is geconstateerd (22.45 uur) de omgevingstemperatuur, de lichaamstemperatuur van [slachtoffer] en de verklaringen van de verdachte, [slachtoffer] mogelijk tussen 12.00 uur (of iets eerder) en 18.00 uur is overleden.

Op 27 juli 2009 om 01.15 uur hebben brigadier [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2], ambtenaar van politie, dienstdoende bij het Bureau Recherche Expertise, een onderzoek ingesteld in de woning. Zij hebben geconcludeerd dat gelet op de aangetroffen bebloede glasscherven van een wijnglas in een concentratie dicht bij elkaar op de vloer naast het bed van het slachtoffer, waarbij na NFI-onderzoek menselijk weefsel werd aangetroffen, gesteld kan worden dat een persoon op de plaats van dit aantreffen in aanraking moet zijn geweest met dit wijnglas, door vallen of rollen. Het gooien dan wel het steken met een glas geeft een ander sporenbeeld, aldus genoemde verbalisanten.

Heeft de verdachte [slachtoffer] in een hulpeloze toestand gebracht?

Met de advocaat en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte zijn echtgenote (opzettelijk) in een hulpeloze toestand heeft gebracht. Daarbij overweegt het hof dat niet is komen vast te staan op welke wijze [slachtoffer] letsel aan haar arm heeft opgelopen. Mede gelet op de hierboven vermelde deskundigenrapporten en genoemd proces-verbaal, kan zeker niet worden uitgesloten dat, zoals ook de verdachte stelt, deze verwondingen zijn ontstaan doordat zij in een naast het bed staand glas is gevallen zonder dat de verdachte hierbij op enigerlei wijze betrokken is geweest.

Heeft de verdachte [slachtoffer] in een hulpeloze toestand gelaten?

De verklaring van de verdachte komt er in de kern op neer dat hij op enig moment –mogelijk om 3.00 uur - in de nacht heeft bemerkt dat zijn vrouw uit bed was gevallen, heeft geconstateerd dat zijn echtgenote een verwonding aan haar arm had opgelopen waarbij sprake was van bloedverlies, dat hij zelf ook enige hulp heeft geboden door het aanbrengen van een theedoek om haar arm, dat hij overdag af en toe naar haar is toegegaan en vanaf de drempel van de slaapkamer naar het bed heeft gekeken, maar niet onmiddellijk medische hulp heeft ingeroepen nu hij in onvoldoende mate was doordrongen van de acute noodzaak hiertoe.

Het hof is er niet van overtuigd dat deze lezing van de verdachte als volstrekt onaannemelijk van de hand moet worden gewezen en overweegt hiertoe het volgende.

Gelet op voormeld rapport van C. Das houdt het hof rekening met de mogelijkheid dat [slachtoffer] op 26 juli 2009 reeds omstreeks 12.00 uur is overleden. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, is daarom uitsluitend het doen en/of laten van de verdachte vóór dit tijdstip relevant.

In het deskundigenrapport d.d. 14 december 2009 van I. Maksimovic, psychiater, welk rapport door de deskundige is toegelicht ter zitting van de rechtbank d.d. 29 april 2009, wordt gesteld dat de verdachte -voor zover hier van belang- lijdt aan een mild cognitive impairment (MCI) als gevolg van hersenschade door vasculair lijden en door excessief en langdurig alcoholgebruik. Als gevolg van deze MCI is hij gedesoriënteerd in tijd, waardoor hij moeite heeft gehad om het tijdsbeloop ten tijde van het ten laste gelegde in te schatten en dus ook de duur van de bloeding van zijn echtgenote. Voorts heeft hij problemen met het omzetten van de kennis van bepaalde feiten (dat zijn echtgenote gemakkelijk bloedingen krijgt of dat een open wond tot een fatale bloeding kan leiden) in adequaat gedrag (op tijd 112 bellen). De verdachte is door zijn MCI in zijn gedrag geremd waardoor hij de aansporing van een ander nodig heeft om actie te ondernemen.

Uit het deskundigenrapport d.d. 27 november 2009 van prof. dr. C. Jonker, gedragsneuroloog, en diens toelichting daarop ter zitting bij het hof d.d. 31 maart 2011 blijkt dat deze deskundige mede aan de hand van de bevindingen van een neuroradioloog en een neuropsycholoog, aanwijzingen aanwezig acht voor zowel cognitieve functiestoornissen als vasculaire schade in de hersenen bij de verdachte. Neuropsycholoog S.N.M.T. Schouws heeft blijkens het rapport van Jonker onder meer de volgende cognitieve stoornissen bij de verdachte vastgesteld:

- matige aandacht, vertraagd werktempo, verhoogde interferentiegevoeligheid;

- moeizaam aanleren en ophalen van informatie;

- verminderde executieve functies (mentale flexibiliteit, plannen en overzicht).

Ook deskundige Jonker is tot het oordeel gekomen dat sprake is van MCI, veroorzaakt door hersenschade, bij de verdachte.

Het hof leidt uit de hierboven vermelde deskundigenadviezen af dat de verdachte in mindere mate dan een gemiddelde persoon in staat is tot het op adequate wijze inschatten van een situatie en het vervolgens daarop op passende wijze reageren.

Het hof overweegt hier, naar aanleiding van het verhandelde ter zitting, voorts dat niet met voldoende zekerheid is komen vast te staan dat de verdachte ter gelegenheid van een aantal incidenten waarbij medische hulp was vereist die tot kort voor 26 juli 2009 zijn voorgevallen, er wel blijk van heeft gegeven in de praktijk zonder hulp en sturing van een derde alert te kunnen reageren. Er is derhalve geen reden op die grond te komen tot de vaststelling dat de ten laste gelegde gedraging de verdachte (in meer of mindere mate) kan worden verweten.

Ook was de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde fysiek gehandicapt. Hij verplaatste zich in een rolstoel. Het was voor hem niet mogelijk deze naast het bed aan de zijde waarop zijn echtgenote zich bevond te positioneren. Het hof acht het niet geheel uitgesloten dat de verdachte zich, later op de dag af en toe kijkend van een afstand, in onvoldoende mate heeft gerealiseerd hoe ernstig het bloedverlies van zijn echtgenote was.

Daar komt nog bij dat uit het dossier blijkt dat het slachtoffer alcoholist was, zodat ook de verklaring van de verdachte inhoudende dat zijn echtgenote wel vaker in een comateuze slaap verkeerde na overmatig drankgebruik, het hof niet onaannemelijk voorkomt. De omstandigheid dat zijn echtgenote in de ochtend niet op roepen of schudden van de verdachte reageerde kan daarom evenmin bijdragen aan het oordeel dat de verdachte bewust de kans heeft aanvaard dat zij in een hulpeloze toestand verkeerde waarbij hulp benodigd was.

Dat de verdachte bij verschillende gelegenheden verklaringen heeft afgelegd die op onderdelen onderling afwijken voor wat betreft het tijdstip waarop hem bekend is geworden dat zijn echtgenote gewond was geraakt, het tijdstip waarop zij hem heeft verteld dat zij bloedde en de hoeveelheid bloed die hij heeft gezien rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat deze daarom in de kern als volstrekt ongeloofwaardig van de hand moeten worden gewezen, nu niet geheel onaannemelijk is dat de hierboven aangeduide cognitieve beperkingen het afleggen van een chronologische en consistente verklaring bemoeilijken. Daarnaast kunnen in het dossier en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten worden gevonden dat de gang van zaken een geheel andere moet zijn geweest, dan door de verdachte geschetst.

Naar het oordeel van het hof is, mede gelet op het vorenstaande niet gebleken dat de situatie zich dusdanig manifest en kenbaar levensbedreigend aan de verdachte heeft voorgedaan dat het niet anders kan zijn dat hij er, zich welbewust van de risico’s, willens en wetens voor heeft gekozen zich te onthouden van levensreddende activiteiten.

Hoewel bepaald niet is uitgesloten dat de verdachte enige onverschilligheid heeft betoond voor het lot van zijn echtgenote acht het hof –anders dan de advocaat-generaal- met name gelet op de hierboven weergegeven bevindingen van de deskundigen derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat bij de verdachte opzet dan wel voorwaardelijk opzet aanwezig is geweest op het in hulpeloze toestand laten van zijn echtgenote.

Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte welbewust zijn echtgenote in een hulpeloze toestand als bedoeld in de ten laste legging heeft gelaten, noch dat hij willens en wetens de aanzienlijke kans dat hij zijn echtgenote in een hulpeloze toestand zou laten heeft aanvaard. Dat, zoals de deskundige Maksimovic ter terechtzitting in eerste aanleg te kennen heeft gegeven, het vermogen tot adequaat handelen niet geheel afwezig is geweest bij de verdachte doet aan die conclusie niet af. Anders dan de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. E. Mijnsberge en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van A.M.M. van Gorp, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 april 2011.