Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3940

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-05-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
200.048.828/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hebben de uitgevoerde sloopwerkzaamheden schade veroorzaakt aan een buurpand? Het hof acht een deskundigenbericht nodig en acht dit ondanks de reeds opgelopen vertraging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde, omdat in dit geval het belang van een goede instructie zwaarder weegt dan het belang van een voortvarende afdoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.048.828/01

10 mei 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT IN HET PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN DE VOORWAARDELIJKE INCIDENTELE APPELLEN,

advocaat: mr. R.B. van Heijningen te Den Haag,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[GEÏNTIMEERDE SUB 1],

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTE IN VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. R.J.G. Abeln te Amsterdam,

2. het publiekrechtelijke lichaam

DE GEMEENTE HAARLEMMERMEER,

gevestigd te Hoofddorp,

GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTE IN VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. M. Griffiths te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellant], [geïntimeerde sub 1] en de gemeente genoemd.

Bij dagvaarding van 22 september 2009 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam, van 13 juni 2007 en 24 juni 2009, in deze zaak onder

zaak-/rolnummer 326389/HA ZA 05-2866 gewezen tussen hem als eiser en [geïntimeerde sub 1] en de gemeente als gedaagden.

Bij memorie heeft [appellant] negen grieven tegen de vonnissen aangevoerd, zijn eis gewijzigd, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vonnissen zal vernietigen en voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde sub 1] en de gemeente hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de ten processe bedoelde schade en hen hoofdelijk zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 60.507,67 met rente, en een nader bij staat op te maken bedrag en in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie heeft [geïntimeerde sub 1] de grieven bestreden, voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, haar bezwaren tegen het vonnis van 24 juni 2009 toegelicht, bewijs aangeboden en geconcludeerd, in het principaal appel: dat het hof de vonnissen zal bekrachtigen, en in het voorwaardelijk incidenteel appel: dat het hof de vordering van [appellant] zal afwijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het principaal appel en van het voorwaardelijk incidenteel appel.

Bij memorie heeft de gemeente de grieven bestreden, voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, een grief tegen het vonnis van 24 juni 2009 aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, in het principaal appel: dat het hof de vonnissen zal bekrachtigen en, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] zal veroordelen in de kosten van het principaal appel, met rente, en in het voorwaardelijk incidenteel appel: dat het hof het vonnis van 24 juni 2009 zal vernietigen, [appellant] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen de gemeente op basis van dat vonnis heeft voldaan, met rente, en hem zal veroordelen in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel appel, met rente, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

[appellant] heeft, nadat de rolrechter op 12 oktober 2010 en

26 oktober 2010 gedingstukken die [appellant] wilde indienen, had geweigerd, op 16 november 2010 een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel met veroordeling van [geïntimeerde sub 1] en de gemeente in de kosten.

Op 7 april 2011 hebben partijen de zaak doen bepleiten door hun advocaten. De daarbij gebruikte pleitnotities zijn overgelegd. De gemeente heeft bij die gelegenheid producties in het geding gebracht. [appellant] heeft dvd-beelden getoond.

Ten slotte is arrest gevraagd op basis van de stukken van het geding in eerste aanleg, het bij arrest van 2 juni 2009 berechte hoger beroep en het onderhavige hoger beroep.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het vonnis van 13 juni 2007 onder rov. 2.1 tot en met 2.10 feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

2.2 Kort samengevat betreft deze zaak het volgende.

In de periode van 17 januari 2000 tot eind maart 2000 heeft [geïntimeerde sub 1] in opdracht van de gemeente sloopwerkzaamheden verricht op het terrein van het

Oude Raadhuis aan de [adres] te Hoofddorp. [appellant] is eigenaar van het daarnaast gelegen perceel aan de

[adres] met daarop zijn woonhuis en de praktijkruimte voor zijn huisartsenpraktijk.

In dit geding heeft [appellant] vorderingen ingesteld op grond van zijn stelling dat [geïntimeerde sub 1] en de gemeente onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld in verband met de sloopwerkzaamheden en dat [appellant] daardoor schade heeft geleden, met name constructieve schade aan zijn gebouwen en waterschade op zijn perceel.

De rechtbank heeft, kort gezegd, voor recht verklaard dat [geïntimeerde sub 1] en de gemeente onrechtmatig hebben gehandeld en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van

€ 2.625,-, met rente.

Het principaal appel is gericht tegen de afwijzing van het meer of anders gevorderde, de voorwaardelijke incidentele appellen zijn gericht tegen de toewijzingen.

2.3 Partijen zijn verdeeld over de vraag of de in opdracht van de gemeente door [geïntimeerde sub 1] verrichte sloopwerkzaamheden de door [appellant] gestelde schade hebben veroorzaakt. Het hof acht het voor de beoordeling van dit geschil nodig dat een deskundigenbericht wordt bevolen. Mede gelet op het stadium waarin het geding zich bevindt, acht het hof dat niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. In dit geval weegt het belang van een goede instructie van de zaak zwaarder dan het belang van een voortvarende afdoening. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat het hoger beroep er mede toe strekt de appellerende partij de gelegenheid te bieden tot het verbeteren en aanvullen van hetgeen zij zelf bij de procesvoering in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten, terwijl van een louter op vertraging gerichte proceshouding van [appellant] in eerste aanleg niet is gebleken. Voorts is het hof nog niet eerder in de gelegenheid geweest enig inhoudelijk oordeel over dit geschil te geven.

2.4 Het hof stelt zich voorshands het volgende voor. Een deskundige wordt benoemd die zich nog niet met deze zaak heeft beziggehouden. Aan deze deskundige worden de vragen gesteld die in de beschikking van de rechtbank Haarlem van

20 augustus 2002 zijn geformuleerd, aangevuld met de nadere vragen die in het bestreden vonnis van 13 juni 2007 zijn geformuleerd. De te benoemen deskundige krijgt de beschikking over het gehele procesdossier, dus inclusief de diverse reeds uitgebrachte rapportages, en kan desgewenst nader onderzoek ter plaatse doen en verdere gegevens opvragen.

2.5 De zaak zal naar de rol worden verwezen om partijen (eerst [appellant]) in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over het aantal en de persoon/personen van de te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen. Partijen wordt verzocht met elkaar in overleg te treden om te bezien of eenstemmigheid kan worden bereikt, in elk geval over de persoon/personen van de benoemen deskundige(n).

Het hof merkt alvast op dat het hof de vraag die [appellant] op p. 8 van zijn pleitnoties in hoger beroep heeft geformuleerd, niet aan de te benoemen deskundige(n) zal voorleggen, omdat het hof die vraag hooguit slechts indirect van belang acht voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering.

2.6 Het hof houdt in dit stadium ieder oordeel aan over de gegrondheid van de grieven en geeft derhalve thans ook geen oordeel over de bewijslastverdeling. Mede in het licht daarvan is het hof van oordeel dat elk van de drie partijen eenderde deel van het voorschot zal dienen te betalen. Indien een partij daaraan niet voldoet, kan het hof daaraan de gevolgtrekking verbinden die het geraden voorkomt. Het hof merkt op dat de vraag wie het voorschot dient te voldoen, los staat van de vraag wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenbericht zal dienen te dragen. Die vraag zal aan het einde van de procedure worden bezien in het kader van de uit te spreken proceskostenveroordeling(en).

3. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 7 juni 2011 voor een akte aan de zijde van [appellant] als bedoeld in rechtsoverweging 2.5;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C. Toorman, C.C. Meijer en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 10 mei 2011.