Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3780

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
200.070.364/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Conclusie van repliek in eerste aanleg terecht geweigerd vanwege eerdere (kennelijke) beslissing van de kantonrechter op grond van art. 81 Rv. Die conclusie wordt echter wel bij de beoordeling in hoger beroep betrokken. Loonvordering na einde dienstverband. Beroep op verrekening verworpen op grond van art. 6:136 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.070.364/01

5 april 2011 (bij vervroeging)

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANT ],

wonend te [ C ], [ Land ],

APPELLANT,

advocaat: mr. R.R.F. van der Mark te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TRESSUNT BOUW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.C.J. Nettenbreijers te Veenendaal.

Partijen worden hierna [ Appellant ] en Tressunt genoemd.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

[ Appellant ] is bij exploot van 14 juli 2010 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 5 oktober 2009 en 17 mei 2010 van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (verder: de kantonrechter), onder kenmerk 1068633 CV EXPL 09-24933 respectievelijk CV 09-24933 tussen partijen gewezen. Het exploot bevat – kennelijk - één grief.

[ Appellant ] heeft op de dienende dag overeenkomstig de appeldagvaarding geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen en de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van [ Appellant ] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Tressunt in de kosten van het geding in beide instanties.

Bij memorie van antwoord heeft Tressunt de grief van [ Appellant ] bestreden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis van 17 mei 2010 zal bekrachtigen, met veroordeling van [ Appellant ] in de kosten van – naar het hof begrijpt – het hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. De beoordeling in hoger beroep

2.1. Tussen partijen staat vast dat [ Appellant ] in ieder geval in de periode van september 2008 tot half december 2008 als uitzendkracht werkzaamheden voor Tressunt heeft verricht in de functie van tegelzetter.

2.2. In dit geding vorderde en vordert [ Appellant ] van Tressunt:

- de betaling van een bedrag van € 3.013,50 bruto, bestaande uit € 2.009,= aan achterstallig salaris en de wettelijke verhoging van 50% daarover,

- de betaling van vakantiegeld over 2008 en

- de afgifte van loonspecificaties over de weken 50, 51 en 52 van 2008 en week 1 van 2009, alsmede van een jaarafrekening over 2008,

alles met veroordeling van Tressunt in de proceskosten.

2.3. Nadat Tressunt had geantwoord, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis van 5 oktober 2009 bepaald dat de zaak schriftelijk wordt voortgezet en de zaak voor repliek naar de rol verwezen. Reeds hier wordt opgemerkt dat [ Appellant ] in zijn beroep tegen dat vonnis niet kan worden ontvangen, omdat hij daartegen geen grieven heeft gericht.

2.4. Nadat was gerepliceerd en gedupliceerd heeft de kantonrechter in het bestreden vonnis van 17 mei 2010 (verder ook: het eindvonnis) onder meer als volgt overwogen:

“4. Ambtshalve is vastgesteld dat de gemachtigde van [ Appellant ] (mr. J.W. Vermeer, te Amsterdam; hof) bij beslissing van

17 augustus 2009 is geschrapt als gemachtigde. Dat betekent dat hij vanaf die datum niet gerechtigd was om handelingen te verrichten en dat brengt met zich mee dat de na deze datum, op

2 november 2009, ingediende conclusie van repliek niet rechtsgel-dig is ingediend. Vervolgens is [ Appellant ] bij brief daarvan op de hoogte gesteld en is [ Appellant ] in de gelegenheid gesteld een andere gemachtigde te zoeken, dan wel te bekrachtigen dat hij de onbevoegd ingediende conclusie van repliek voor zijn rekening neemt. Hierop is door of namens [ Appellant ] niet meer gereageerd.

5. Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot het oordeel dat slechts de stellingen in de dagvaarding en de conclusie van antwoord bij de beoordeling kunnen worden betrokken.”

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en [ Appellant ] in de proceskosten veroordeeld.

2.5. Tegen de zojuist weergegeven overwegingen is de grief gericht. Volgens [ Appellant ] heeft zijn gemachtigde zich op

17 augustus 2009 weliswaar laten uitschrijven als advocaat, maar betekent dat niet dat deze niet langer bevoegd was om als zijn gemachtigde op te treden. De kantonrechter heeft dan ook, nu hij de gemachtigde niet om een schriftelijke volmacht heeft gevraagd noch een beschikking heeft gegeven als bedoeld in artikel 81 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de conclusie van repliek ten onrechte niet toegelaten, aldus [ Appellant ].

2.6. Uit de zojuist geciteerde overwegingen, met name uit de woorden “bij beslissing van 17 augustus 2009” valt onmiskenbaar af te leiden dat de kantonrechter, anders dan [ Appellant ] stelt, wel degelijk op de voet van art. 81 Rv de bijstand of vertegenwoordiging van de (toenmalige) gemachtigde van [ Appellant ] heeft geweigerd. Het hof heeft geen aanleiding aan de juistheid van die overweging te twijfelen. Bij die stand van zaken moet worden geconcludeerd dat de kantonrechter de conclusie van repliek terecht heeft geweigerd en dat de grief dus faalt.

2.7. Echter, uit de stellingen van [ Appellant ] in hoger beroep blijkt dat hij wenst dat meergenoemde conclusie alsnog bij de beoordeling wordt betrokken. Omdat het hoger beroep mede dient tot verbetering en aanvulling van hetgeen in eerste aanleg is gedaan of nagelaten, zal het hof ondanks het falen van de grief overgaan tot een beoordeling van de zaak op basis van alle zich thans in het dossier bevindende stukken, waaronder de door [ Appellant ] overgelegde conclusie van repliek.

2.8. Tressunt heeft op zichzelf niet weersproken dat [ Appellant ] in week 51 van 2008 en in week 1 van 2009 bij haar in dienst was en daarom recht heeft op loon. Volgens haar betreft het een bedrag van € 794,38, maar zij beroept zich in dat verband ten onrechte op de door haar overgelegde loon-strook over week 52 van 2008. Het hof zal het aan [ Appellant ] in beginsel toekomende bruto loon daarom vaststellen op – als door [ Appellant ] gesteld en door Tressunt onvoldoende gemotiveerd weersproken - € 502,25 voor week 51 van 2008 en

– als blijkend uit de desbetreffende door Tressunt overgelegde loonstrook - € 424,80 voor week 1 van 2009, totaal derhalve

€ 927,05. Ook het door [ Appellant ] gevorderde vakantiegeld over 2008 is – als door Tressunt niet weersproken – in beginsel toewijsbaar. [ Appellant ] heeft niet gesteld dat hij (ook) over de weken 50 en 52 van 2008 geen loon van Tressunt heeft ontvangen, zodat zijn loonvordering in zoverre geen deugdelijke grondslag heeft en niet toewijsbaar is.

2.9. Uit de – in zoverre onweersproken gebleven - stellingen van Tressunt volgt dat [ Appellant ] een door hem aan Tressunt gedane toezegging heeft herroepen om vanaf 5 januari 2009 wederom voor haar te gaan werken, dat hij toen echter wel voor een andere werkgever op dezelfde bouwplaats en voor dezelfde opdrachtgever als die van Tressunt heeft gewerkt en dat Tressunt als gevolg daarvan een opdrachtgever is kwijtgeraakt. Het hof ziet in een en ander aanleiding de door [ Appellant ] gevorderde wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te matigen tot nihil. Het hof verwerpt echter het door Tressunt te dezen gedane beroep op verrekening van het [ Appellant ] toekomende loon en vakantiegeld met een aantal tot de vergoeding van schade strekkende tegen-vorderingen, omdat de gegrondheid van laatstbedoelde vorderin-gen niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (art. 6:136 BW). Te dien aanzien is immers te veel onduidelijk gebleven.

2.10. De door [ Appellant ] gevorderde afgifte van loonspecifica-ties over de weken 50 en 51 van 2008, alsmede van een jaarop-gaaf over 2008, is toewijsbaar, omdat Tressunt de vordering in zoverre niet (gemotiveerd) heeft weersproken. Nu Tressunt de loonstroken over week 52 van 2008 en week 1 van 2009 reeds in het geding heeft gebracht, heeft [ Appellant ] – bij gebreke van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen – geen belang bij (herhaalde) afgifte van die loonstroken. In zoverre zal zijn vordering dan ook worden afgewezen.

2.11. De slotsom is dat het eindvonnis van 17 mei 2010 zal worden vernietigd en dat de vorderingen van [ Appellant ] - onder afwijzing van het meer of anders gevorderde – zullen worden toegewezen als na te melden. Omdat partijen over en weer ten dele in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten in beide instanties geheel tussen hen compenseren.

3. Beslissing

Het hof:

verklaart [ Appellant ] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het bestreden vonnis van 5 oktober 2009;

vernietigt het bestreden vonnis van 17 mei 2010 en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Tressunt om aan [ Appellant ] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- een bedrag van € 927,05 bruto wegens achterstallig loon over de weken 51 van 2008 en 1 van 2009,

- vakantiegeld over 2008;

veroordeelt Tressunt tot afgifte aan [ Appellant ] van:

- loonspecificaties over de weken 50 en 51 van 2008;

- een jaaropgaaf over 2008;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen in beide instanties aldus dat zij ieder de eigen kosten dragen;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, W.J. van den Bergh en A.R. Sturhoofd, en is in het openbaar uitgesproken op

5 april 2011 door de rolraadsheer.