Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
200.075.468-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Letselschade ten gevolge van mishandeling binnen affectieve relatie. Eigen schuld? Kosten van huishoudelijke hulp afgewezen voor zover het betreft de periode van samenwoning, in welke periode de schadeveroorzaker alle huishoudelijke werkzaamheden verrichtte. Smartengeld toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2011/77
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.075.468/01

5 april 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[ APPELLANTE ],

wonend te [ L ],

APPELLANTE in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.A.M. Koorn-Harkema te Leiden,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

wonend te [ L ], gemeente [ K ] en [ B ],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. H. Blaauw te Velsen-Zuid.

Partijen worden hierna [ Appellante ] en [ Geïntimeerde ] genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 30 september 2010 is [ Appellante ] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Haarlem van 30 juni 2010, met zaak-/rolnummer 163622/HA ZA 09-1633 gewezen tussen haar als gedaagde en [ Geïntimeerde ] als eiseres. De appeldagvaarding bevat (niet genummerde) grieven tegen het bestreden vonnis.

Op 19 oktober 2010 heeft [ Appellante ] overeenkomstig de appeldagvaarding van grieven gediend, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, zal bepalen dat [ Appellante ] niet aansprakelijk is voor de resterende schade van [ Geïntimeerde ], althans dat [ Appellante ] maximaal tot een bedrag van € 4.301,= daarvoor aansprakelijk is. Voor het geval het hof het eigen schuld verweer van [ Appellante ] zou passeren en zou oordelen dat [ Appellante ] een hoger bedrag aan [ Geïntimeerde ] verschuldigd is, vordert [ Appellante ] dat het hof [ Geïntimeerde ] zal veroordelen tot betaling aan haar – [ Appellante ] – van een bedrag van € 17.280,28, met wettelijke rente, en daarbij zal vastleggen dat deze veroordeling in mindering strekt op de door [ Appellante ] aan [ Geïntimeerde ] te betalen schadevergoeding. [ Appellante ] heeft ten slotte gevorderd dat [ Geïntimeerde ] zal worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

[ Geïntimeerde ] heeft bij memorie de grieven bestreden, bewijs aangeboden, een productie in het geding gebracht, harerzijds vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, haar vordering vermeerderd en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het principaal hoger beroep van [ Appellante ] ongegrond zal verklaren en in incidenteel hoger beroep het bestreden vonnis zal vernietigen en [ Appellante ] alsnog zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 164.684,=, met wettelijke rente, en tot betaling van € 1.500,= ter zake van buitengerechtelijke kosten.

[ Appellante ] heeft bij memorie de grieven in incidenteel hoger beroep bestreden, met conclusie dat het hof het incidenteel hoger beroep ongegrond zal verklaren en [ Geïntimeerde ] zal belasten met de kosten van het incidenteel hoger beroep.

Ten slotte is gevraagd arrest te wijzen.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vastgesteld. Daarover bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

3. Behandeling van het hoger beroep

3.1 Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende.

[ Appellante ] en [ Geïntimeerde ] hebben vanaf oktober 2004 tot en met december 2006 een affectieve relatie gehad en van begin 2005 tot en met eind 2006 samengewoond.

Bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 3 december 2007 is [ Appellante ] onherroepelijk veroordeeld tot een (deels voorwaardelijke) werkstraf wegens mishandeling van [ Geïntimeerde ] in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2006, alsmede wegens mishandeling van [ Geïntimeerde ] op 23 september 2005. De politierechter heeft de vordering tot betaling van smartengeld van [ Geïntimeerde ] als benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 1.000,=. Tijdens de mishandeling op 23 september 2005 heeft [ Appellante ] [ Geïntimeerde ] door de ruit van een woning geduwd, waarna [ Geïntimeerde ] per ambulance naar het LUMC is vervoerd met verwondingen aan hoofd en handen. Bij brief van 10 november 2008 aan de raadsman van [ Geïntimeerde ] heeft haar behandelend plastisch chirurg, [ plastisch chirurg ], onder meer geschreven dat [ Geïntimeerde ] een handtrauma (rechts) heeft opgelopen, dat zij daarvoor onder meer operatief is behandeld, dat zij in 2006 nog problemen had ‘bij flexie van de pols met flexie van de vingers’ en ‘[v]eel klachten van pijn in de hand pols thv litteken’ had, alsmede dat [ Geïntimeerde ] 28 augustus 2008 is teruggekomen voor verdere behandeling, omdat zij ‘steeds meer problemen [heeft] met de hand functie’ en dat haar is uitgelegd dat er geen verdere behandelingsopties zijn.

3.2 [ Geïntimeerde ] heeft [ Appellante ] in rechte betrokken en gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [ Appellante ] door de mishandelingen onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en aansprakelijk is voor alle door haar geleden en te lijden schade. Verder heeft [ Geïntimeerde ] gevorderd dat [ Appellante ] wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ter grootte van € 162.095,08, met rente en kosten.

3.3 De rechtbank heeft de gevorderde verklaring voor recht gegeven en [ Appellante ] ter zake van huishoudelijke kosten en (restant) smartengeld veroordeeld tot betaling van € 39.925,=, met rente vanaf 23 september 2005, en de gedingkosten gecompenseerd.

3.4 [ Appellante ] maakt in principaal hoger beroep bezwaar tegen de omvang van het door de rechtbank toegewezen bedrag met betrekking tot zowel de huishoudelijke kosten als het smartengeld en doet een beroep op eigen schuld/uitlokking aan de zijde [ Geïntimeerde ]. [ Geïntimeerde ] grieft in incidenteel hoger beroep tegen de afwijzing van haar vordering tot vergoeding van arbeidsvermogenschade en buitengerechtelijke kosten, de gedeeltelijke afwijzing van haar vordering tot vergoeding van huishoudelijke kosten en de compensatie van de kosten van het geding.

3.5 Bij de behandeling van het hoger beroep wordt vooropgesteld dat de aansprakelijkheid van [ Appellante ] voor de gevolgen van de mishandeling in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2006 en de mishandeling op 23 september 2005 van [ Geïntimeerde ], ter zake waarvan zij – [ Appellante ] - onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld, niet ter discussie staat. [ Appellante ] heeft in principaal hoger beroep ook niet gegriefd tegen de door de rechtbank in dit verband uitgesproken verklaring voor recht. Wel heeft [ Appellante ] in hoger beroep aangevoerd dat [ Geïntimeerde ] eigen schuld heeft aan de mishandelingen. Op dat verweer zal worden ingegaan na bespreking van de diverse schadeposten van [ Geïntimeerde ] en de respectieve grieven van partijen daarover.

3.6 Arbeidsvermogenschade

3.6.1 [ Geïntimeerde ] heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van een bedrag van € 87.475,29 ter zake van verlies aan arbeidsvermogen in verband met (volledige) arbeidsongeschikt-heid wegens blijvend letsel aan haar rechterhand. [ Geïntimeerde ] heeft in dat verband informatie verschaft over de werkzaamheden die zij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 6 september 2005 had verricht in een dienstverband van 33,33 procent, waarmee zij € 471,36 netto per maand verdiende.

3.6.2 De rechtbank heeft vastgesteld dat [ Geïntimeerde ] ten tijde van de procedure in eerste aanleg een WIA-uitkering ontving van € 922,42 netto en dat [ Appellante ] heeft aangevoerd dat [ Geïntimeerde ] ‘vrijwel geen arbeidsverleden’ heeft. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat op grond van de door [ Geïntimeerde ] aangedragen gegevens moet worden geoordeeld dat zij geen schade heeft geleden wegens verlies aan arbeidsvermogen omdat de uitkering die zij ontvangt hoger is dan hetgeen zij in 2005 verdiende.

3.6.3 Tegen dit oordeel heeft [ Geïntimeerde ] grief 1 in incidenteel hoger beroep gericht. Zij heeft aangevoerd dat zij vóór - naar het hof begrijpt - 23 september 2005 niet fulltime werkte omdat zij gezien de agressie binnen haar relatie met [ Appellante ] niet in staat was om langer te werken. Wanneer zij niet arbeidsongeschikt zou zijn, zou zij thans zeker in een volledig dienstverband hebben gewerkt, in verband met de kosten van verzorging en opvoeding van inmiddels vier kinderen, de grote schuldenlast die zij heeft en de bestaande sollicitatieplicht, aldus [ Geïntimeerde ].

3.6.4 Het hof is van oordeel dat [ Geïntimeerde ] op geen enkele wijze concreet heeft gemaakt dat zij zonder het blijvende letsel aan haar rechterhand fulltime zou hebben gewerkt, althans dat zij zonder dat letsel méér zou hebben verdiend dan het bedrag dat zij thans als uitkering ontvangt. Tegenover het verweer van [ Appellante ] dat zij vrijwel geen arbeidsverleden heeft, heeft [ Geïntimeerde ] (ook) in hoger beroep niets anders gesteld dan haar (zeer bescheiden) parttime werkzaamheden in het jaar 2005. Dat biedt onvoldoende aanknopingspunten om enig verlies aan arbeidsvermogen aan te nemen. Dat betekent dat de grief faalt.

3.7 Kosten van huishoudelijke hulp

3.7.1 [ Geïntimeerde ] heeft in eerste aanleg betaling gevorderd van een bedrag van € 53.655,79 wegens kosten voor huishoudelijke hulp vanaf 23 september 2005 tot haar zeventigste levensjaar. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij wegens het letsel aan haar rechterhand niet in staat is zelfstandig (alle) huishoudelijke taken te verrichten en dat het redelijk is dat [ Appellante ] de kosten vergoedt voor de zwaardere, periodiek terugkerende schoonmaakwerkzaamheden waarvoor gewoonlijk professionele hulp wordt ingeschakeld (zoals stofzuigen, dweilen en ramen zemen).

3.7.2 De rechtbank heeft, gelet op de aard van het letsel, voldoende aannemelijk geacht dat [ Geïntimeerde ] kosten voor huishoudelijke hulp dient te maken en deze kosten geschat op € 20,= per week, oftewel € 1.040,= per jaar, vanaf 1 januari 2006 (de maand na haar verhuizing) tot en met augustus 2046 (de maand waarin zij 70 jaar wordt), in totaal (en contant gemaakt) € 28.425,=.

3.7.3 In principaal hoger beroep heeft [ Appellante ] erop gewezen dat de rechtbank bij deze overwegingen abusievelijk heeft aangenomen dat [ Geïntimeerde ] in december 2005 is verhuisd – en de samenwoning van partijen toen is geëindigd – terwijl dat pas in december 2006 is gebeurd. [ Appellante ] heeft verder tegen de overweging van de rechtbank aangevoerd dat [ Geïntimeerde ] vanaf juli 2007 samenwoont met haar huidige partner en dat deze partner deels in de huishoudelijke hulp kan voorzien en voorts dat [ Geïntimeerde ] in ieder geval vanaf haar vijfenvijftigste levensjaar gebruik zal kunnen maken van thuiszorg.

In incidenteel hoger beroep heeft [ Geïntimeerde ] ter toelichting op grief 2 aangevoerd dat de rechtbank de periode onmiddellijk na het incident op 23 september 2005 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, dat zij wat betreft de periode van de eerste drie maanden na dat incident aanspraak heeft op een vergoeding van totaal € 1.300,= en daarna op € 2.350,= per jaar.

3.7.4 Het hof zal als eerste de in essentie door beide partijen opgeworpen vraag beantwoorden of [ Appellante ] is gehouden tot betaling van schadevergoeding ter zake van huishoudelijke kosten over de periode dat partijen nog met elkaar samenwoonden. Het gaat daarbij om de periode van 23 september 2005 (de datum waarop het letsel werd toegebracht) tot eind december 2006 (onbestreden het einde van de samenwoning).

3.7.5 Deze vraag wordt ontkennend beantwoord. [ Geïntimeerde ] heeft niet betwist de reeds in eerste aanleg door [ Appellante ] geponeerde stelling dat zij - [ Appellante ] - na 23 september 2005 alle huishoudelijke taken verrichtte (cva, randnummer 16). [ Geïntimeerde ] heeft slechts gesteld dat dit niet van wezenlijk belang is omdat de schade abstract moet worden berekend. Dit betoog van [ Geïntimeerde ] snijdt geen hout. Dat de schadevergoeding ter zake van kosten van huishoudelijke hulp in letselschadezaken in beginsel abstract wordt berekend, wil niet zeggen dat degene die de schade heeft veroorzaakt kan worden aangesproken tot betaling van schadevergoeding, wanneer hij de desbetreffende huishoudelijke werkzaamheden zelf heeft verricht. In feite heeft [ Appellante ] door het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden die [ Geïntimeerde ] niet kon uitvoeren, de desbetreffende schade van [ Geïntimeerde ] in natura voldaan en zou veroordeling tot betaling van een financiële vergoeding met betrekking tot dezelfde periode betekenen dat [ Appellante ] twee keer schadevergoeding zou betalen. Dit leidt ertoe dat [ Geïntimeerde ] jegens [ Appellante ] geen aanspraak kan maken op betaling van schadevergoeding voor kosten van huishoudelijke hulp in de periode van 23 september 2005 tot 1 januari 2007. Grief 2 in incidenteel beroep faalt derhalve voor zover deze is gericht tegen de afwijzing door de rechtbank van de vergoeding voor huishoudelijke hulp met betrekking tot de periode van 23 september 2005 tot en met 31 december 2005. Het principaal hoger beroep slaagt voor zover daarmee wordt opgekomen tegen de veroordeling tot betaling van kosten voor huishoudelijke hulp over het jaar 2006.

3.7.6 [ Appellante ] kan in principaal beroep niet worden gevolgd in haar stelling dat zij niet tot vergoeding van schade is gehouden omdat de huidige partner van [ Geïntimeerde ] een deel van de huishoudelijke taken van haar kan overnemen. Indien de partner (niet zijnde de schadeveroorzaker) huishoudelijke werkzaamheden van het slachtoffer overneemt die het slachtoffer niet meer kan verrichten en het daarbij gaat om werkzaamheden waarvan het in de situatie waarin het slachtoffer verkeert normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele, voor hun diensten gehonoreerde hulpverleners, heeft het slachtoffer aanspraak op vergoeding van kosten van huishoudelijke hulp. Daaraan staat niet in de weg dat deze werkzaamheden feitelijk worden verricht door personen die daarvoor geen kosten in rekening (kunnen) brengen (Hoge Raad 5 december 2008, LJN BE9998). Voor zover [ Appellante ] met haar principaal beroep is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat zij ook na 1 juli 2007 (de datum waarop [ Geïntimeerde ] is gaan samenwonen met haar huidige partner) de desbetreffende schade dient te vergoeden is het principaal beroep dus vergeefs ingesteld.

3.7.7 Ook het betoog van [ Appellante ] in principaal hoger beroep dat het voldoende is om de desbetreffende schade toe te wijzen tot het vijfenvijftigste levensjaar in plaats van tot het zeventigste levensjaar van [ Geïntimeerde ], faalt. In zijn algemeenheid kan niet worden volgehouden dat iedere gezonde oudere vanaf zijn vijfenvijftigste behoefte heeft aan huishoudelijke hulp en dat dit vanaf dat moment eenvoudig kan worden geregeld via thuiszorg. Iets anders heeft [ Appellante ] in dit verband niet gesteld. Derhalve bestaan geen aanknopingspunten om af te wijken van het oordeel van de rechtbank dat [ Geïntimeerde ] aanspraak heeft op vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp tot haar zeventigste levensjaar.

3.7.8 Grief 2 in incidenteel hoger beroep van [ Geïntimeerde ] faalt voor zover daarmee wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat [ Geïntimeerde ] aanspraak kan maken op kosten voor huishoudelijke hulp gebaseerd op een behoefte van twee uur per week. [ Geïntimeerde ] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij thans behoefte heeft aan huishoudelijke hulp gedurende vier uur per week en nadat de pols is gefixeerd aan zes uur per week. Deze - door [ Appellante ] bestreden – stellingen zijn op geen enkele wijze gestaafd. Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard van het letsel en de werkzaamheden die [ Geïntimeerde ] niet kan verrichten (stofzuigen, dweilen en ramen zemen) vergoeding op basis van een behoefte van twee uur per week redelijk is. Met een eventuele fixatie van de rechterpols in de toekomst kan geen rekening worden gehouden.

3.7.9 Gelet op het voorgaande heeft [ Geïntimeerde ] aanspraak op vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp vanaf 1 januari 2007 tot en met augustus 2046 (de maand waarin zij 70 jaar wordt), op basis van een behoefte van twee uur per week. Tussen partijen is niet in geschil dat daarbij een vergoeding van € 10,= per uur in aanmerking moet worden genomen en dat het, daarvan uitgaande, gaat om een bedrag van € 1.040,= per jaar. Contant gemaakt komt dat neer op een bedrag van € 27.383,=. Voor zover de rechtbank ter zake een hoger bedrag heeft toegewezen zal het bestreden vonnis worden vernietigd.

3.8 Smartengeld

3.8.1 [ Appellante ] heeft in principaal hoger beroep aangevoerd dat de toegekende immateriële schadevergoeding van € 12.500,= niet in verhouding staat tot twee door haar genoemde vergelijkbare gevallen. Zij meent dat een vergoeding van € 2.180,= volstaat. Bovendien heeft [ Appellante ] bestreden dat causaal verband bestaat tussen de door [ Geïntimeerde ] gestelde verergering van haar klachten in 2008 en de mishandeling op 23 september 2005.

3.8.2 De bezwaren van [ Appellante ] tegen (de hoogte van) het toegekende smartengeld treffen geen doel. Het hof acht de door haar genoemde gevallen niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In het bijzonder is in die gevallen geen sprake van letsel ten gevolge van mishandeling. Daarbij komt dat het smartengeld niet slechts is toegekend in verband met het bij de mishandeling van 23 september 2005 opgelopen letsel én de gevolgen daarvan, maar ook in verband met de herhaalde mishandelingen door [ Appellante ] gedurende een aantal jaren. Het hof is voorts van oordeel dat [ Appellante ], in het licht van de bevindingen van de behandelend plastisch chirurg – als hiervoor onder 3.1 genoemd - geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat [ Geïntimeerde ] ten gevolge van de mishandeling géén blijvend handletsel heeft opgelopen. Niet gebleken is dat het resterend letsel, zoals door de behandelend plastisch chirurg is omschreven, verband houdt met de omstandigheid dat [ Geïntimeerde ] in 2006 niet is verschenen op enige vervolgafspraken bij deze chirurg. Ook overigens heeft [ Appellante ] geen argumenten aangevoerd die tot het oordeel kunnen leiden dat een lager smartengeld dan toegekend door de rechtbank in de gegeven omstandigheden op zijn plaats is.

3.9 Eigen schuld van [ Geïntimeerde ]

3.9.1 [ Appellante ] heeft in principaal hoger beroep verder aangevoerd dat partijen elkaar over en weer mishandelden en dat [ Appellante ] daarbij ook verwondingen heeft opgelopen, zoals een wond aan haar arm doordat [ Geïntimeerde ] haar met een mes te lijf ging, een blauw oog en diverse blauwe plekken op haar benen. Ook heeft [ Appellante ] door de mishandelingen door [ Geïntimeerde ] een aantal malen een klaplong opgelopen, waardoor [ Appellante ] in de periode van november 2005 tot november 2007 arbeidsongeschikt is geweest. [ Appellante ] heeft door een en ander schade geleden ter grootte van € 17.280,28. Zij is primair van mening dat ieder van partijen de eigen schade moet dragen. Indien dat anders zou zijn meent [ Appellante ] dat [ Geïntimeerde ] 75 procent van haar eigen schade dient te dragen. [ Appellante ] baseert zich daarbij op de verklaringen van derden, de verhouding tussen het letsel van beide partijen en het gegeven dat het letsel is toegebracht binnen de relatie van partijen.

3.9.2 Het hof is van oordeel dat [ Appellante ] onvoldoende heeft gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat de schade van [ Geïntimeerde ] mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [ Geïntimeerde ] kan worden toegerekend.

Uit de stellingen van [ Appellante ] blijkt immers niet van feiten of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [ Geïntimeerde ] (eigen) schuld heeft aan de mishandeling die op 23 september 2005 heeft plaatsgevonden. Voor zover de schade van [ Geïntimeerde ] het gevolg is van die mishandeling is reeds op deze grond geen aanleiding voor vermindering van de vergoedingsplicht aan de zijde van [ Appellante ] op de voet van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Ook indien er met [ Appellante ] vanuit zou worden gegaan dat [ Geïntimeerde ] in de jaren dat partijen hebben samengewoond bij gelegenheid geweld tegen [ Appellante ] heeft gebruikt, is het hof van oordeel dat daaruit nog niet volgt dat [ Geïntimeerde ] eigen schuld heeft aan het door [ Appellante ] jegens haar gepleegde geweld in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2006. Dat kan ook niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de buren van partijen volgens [ Appellante ] hebben verklaard dat [ Geïntimeerde ] het bloed onder de nagels van [ Appellante ] vandaan haalde’. Bovendien blijkt noch uit de door [ Appellante ] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van [ Appellante ] en [ naam moeder Appellante ], noch uit het door [ Appellante ] in het geding gebrachte medische dossier dat [ Geïntimeerde ] een rechtens relevant verwijt treft van de omstandigheid dat [ Appellante ] in de periode van 2005 tot en met april 2007 enige keren een klaplong heeft gehad.

3.9.3 Het beroep van [ Appellante ] op eigen schuld van [ Geïntimeerde ] treft derhalve geen doel.

3.10 Tegenvordering van [ Appellante ]

3.10.1 [ Appellante ], voor het geval haar beroep op eigen schuld van [ Geïntimeerde ] niet zou worden gehonoreerd, gevorderd dat [ Geïntimeerde ] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 17.280,28 op grond van onrechtmatige daad.

3.10.2 Deze vordering komt reeds niet voor toewijzing in aanmerking omdat het op grond van artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) niet mogelijk is om in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. [ Appellante ] kan daarom niet in deze vordering worden ontvangen.

3.11 Buitengerechtelijke kosten en proceskosten

3.11.1 Met grief 3 in incidenteel hoger beroep is [ Geïntimeerde ] opgekomen tegen de afwijzing van haar vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten.

Deze grief faalt, omdat [ Geïntimeerde ] ook in hoger beroep geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Zij heeft in dit verband volstaan met een herhaling van haar stellingen uit de eerste aanleg. Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dienaangaande en maakt dat tot het zijne.

3.11.2 Grief 4 in incidenteel hoger beroep is gericht tegen de compensatie van de proceskosten in eerste aanleg. Ook deze grief faalt. Een substantieel deel van de vordering van [ Geïntimeerde ] is immers afgewezen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld en de kosten op die grond gecompenseerd.

3.12 [ Appellante ] en [ Geïntimeerde ] hebben weliswaar beiden bewijs aangeboden, maar zij hebben ieder voor zich geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een andere beoordeling van het geschil zouden kunnen leiden. Zowel het bewijsaanbod van [ Appellante ] als dat van [ Geïntimeerde ] wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.13 De slotsom is dat [ Geïntimeerde ] aanspraak heeft op betaling van een hoofdsom van totaal € 38.883,= (€ 27.383,= ter zake van huishoudelijke kosten en € 11.500,= ter zake van restant smartengeld) in plaats van het door de rechtbank toegewezen bedrag van totaal € 39.925,=. Het vonnis van de rechtbank in principaal hoger beroep zal dan ook worden vernietigd voor zover daarbij méér is toegewezen dan € 38.883,= en voor het overige worden bekrachtigd.

Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

3.14 Nu het principaal hoger beroep grotendeels faalt, is het hof van oordeel dat [ Appellante ] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij de kosten van het principaal hoger beroep dient te dragen. [ Geïntimeerde ] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen.

4. Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep

verklaart [ Appellante ] niet-ontvankelijk in haar vordering tot betaling van schadevergoeding door [ Geïntimeerde ];

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank voor zover [ Appellante ] daarbij is veroordeeld tot betaling aan [ Geïntimeerde ] van méér dan € 38.883,=, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 september 2005 tot de dag van voldoening,

en bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

veroordeelt [ Appellante ] tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van [ Geïntimeerde ] begroot op € 1.188,= aan verschotten en op € 1.158,= aan salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af

in incidenteel hoger beroep

verklaart het beroep ongegrond;

veroordeelt [ Geïntimeerde ] tot betaling van de kosten van het geding in hoger beroep, tot heden aan de zijde van [ Appellante ] begroot op € 1.316,= aan salaris van de advocaat;

in principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart dit arrest ten aanzien van de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, D.J. van der Kwaak en C. Uriot en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 april 2011.