Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ3724

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
09-05-2011
Zaaknummer
106.002.802-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht assurantietussenpersoon. Kredietverzekering.

Relevante schade Steel-Link aanvaard. IFR en CIU tot schadevergoeding veroordeeld. Bestuurder van IFR niet persoonlijk aansprakelijk.

ZIE OOK DE TUSSENARRESTEN IN DEZE ZAAK. LJN: BQ3719, BQ3687 en BN4101

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 106.002.802/01

(rolnummer 778/05)

8 maart 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RJH HOLDING B.V., voorheen genaamd STEEL-LINK B.V.,

gevestigd te Bleskensgraaf,

APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijk-

heid B.V. [ X ], CONSULTANT,

handelende onder de naam “International Financial Risks

Consultants (IFR)”,

gevestigd te [ B ], gemeente [ B ],

2. [ X ],

wonende te [ B ], gemeente [ B ],

3. de vennootschap naar vreemd recht COMPAGNIE D’INVESTIS-

SEMENTS UNIVERSELLE (BELGIUM) S.A.,

gevestigd te Brussel, België,

GEÏNTIMEERDEN IN HET PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANTEN IN INCIDENTEEL APPEL,

advocaat voor geïntimeerden 1 en 2:

mr. A.J. van Steenderen, te Rotterdam,

advocaat voor geïntimeerde 3:

mr. A. Knigge, te Amsterdam.

1. Het verdere geding in hoger beroep

1.1 De partijen worden hierna wederom Steel-Link, IFR, [ X ] en CIU genoemd. De geïntimeerden 1 en 2 worden tezamen IFR c.s. genoemd.

1.2 Het hof heeft op 27 april 2010 in deze zaak een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van de procedure tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

1.3 Daarna heeft CIU een akte genomen en daarbij haar conclusie gehandhaafd. CIU heeft bij die akte aanvullende producties in het geding gebracht.

1.4 IFR c.s. hebben vervolgens een akte genomen en eveneens hun standpunt gehandhaafd. Zij hebben daarbij een aanvullende productie in het geding gebracht.

1.5 Steel-Link heeft gereageerd met een antwoordakte en ook haar standpunt gehandhaafd. Zij heeft bovendien aanvullende producties in het geding gebracht.

1.6 Op dezelfde dienende dag hebben zowel IFR c.s. als CIU zich bij akte uitgelaten over de door Steel-Link in het geding gebrachte producties.

1.7 Ten slotte hebben de partijen het hof opnieuw gevraagd arrest te wijzen.

2. (Verdere) behandeling van het hoger beroep

2.1 Het hof blijft bij hetgeen het in zijn tussenarrest van 27 april 2010 heeft overwogen en beslist. Voor zover CIU en IFR c.s. door het hof gegeven eindbeslissingen opnieuw aan de orde hebben gesteld komt het hof daarop voor zover nodig hieronder nog terug.

Omdat de verweren van IFR c.s. en CIU in dit geding in hoge mate parallel lopen, zal het hof hun verweer tegelijkertijd behandelen.

2.2 Het hof heeft in zijn tussenarrest de aansprakelijkheid van IFR en CIU op verschillende grondslagen aanvaard. Het gaat tussen partijen, samengevat, thans nog om de vraag of Steel-Link relevante schade heeft geleden en meer in het bijzonder om de vraag of Steel-Link aan de met BIG gesloten kredietverzekering, tot uitdrukking gebracht in de Cover Note van 7 februari 2001, tot een bedrag groot USD 312.545,95 dekking had kunnen ontlenen voor het uitblijven van betaling door Aron Rabe.

Dekking?

2.3 IFR c.s. en CIU hebben elk in hun akte na het tussenarrest van 27 april 2010 betoogd dat het schade-evenement waarop Steel-Link zich beroept niet onder de dekking van de kredietverzekering valt. Ter ondersteuning van dit standpunt hebben zij aangevoerd dat de kredietverzekering slechts dekking bood voor zogenoemde commerciële risico’s en niet voor politieke risico’s. Zij putten steun voor deze uitleg van de verzekerings-overeenkomst uit de totstandkomingsgeschiedenis van de overeenkomst en de bewoordingen van de Cover Note van 7 februari 2001, waarin staat “TYPE: Protracted Default & Insolvency Insurance”.

Steel-Link heeft dit standpunt van IFR c.s. en CIU bestreden. In de eerste plaats heeft zij zich erop beroepen dat IFR c.s. en CIU dit argument pas voor het eerst bij de akte na het tussenarrest van 27 april 2010 en dus

te laat hebben aangevoerd. Voorts heeft zij betwist de door IFR c.s. en CIU gestelde beperkte dekking te hebben gewild, onder meer door te verwijzen naar haar wens het zogenoemde transferrisico mee te verzekeren, en de door IFR c.s. en CIU verdedigde uitleg van de verzekeringsovereenkomst bestreden. De bewoordingen van de Cover Note wijzen niet op de juistheid van de uitleg van IFR c.s. en CIU, omdat de Cover Note verwijst naar de NCM-voorwaarden waarin wordt voorzien in dekking van zogenoemde politieke risico’s. Met de door IFR c.s. en CIU gestelde beperkte betekenis van de bewoordingen van de Cover Note heeft Steel-Link bovendien geen rekening behoeven te houden, omdat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de verleende dekking in overeenstemming was met die genoemd in de NCM-voorwaarden. Tot slot heeft Steel-Link zich erop beroepen dat zich in dit geval een insolventierisico heeft verwezenlijkt.

Het hof overweegt hierover als volgt.

2.4 De hier toepasselijke NCM-voorwaarden bevatten in artikel 1 onder het kopje “Losses Covered” een opsomming van gebeurtenissen die onder de dekking vallen. In die opsomming komen, in de bewoordingen van partijen, zowel commerciële als politieke risico’s voor. Die opsomming is dus weinig geschikt om bij Steel-Link de indruk te doen postvatten dat de kredietverzekering zich niet uitstrekte tot politieke risico’s.

Hetgeen IFR c.s. en CIU hebben aangevoerd over de totstandkomingsgeschiedenis van de verzekeringsovereenkomst en met name over de bedoeling van Baltic Insurance Group (BIG) om slechts voor commerciële risico’s dekking te verlenen, biedt onvoldoende houvast om te oordelen dat Steel-Link dat ondanks de bewoordingen van de polisvoorwaarden had moeten begrijpen. De type-omschrijving in de Cover Note is daarvoor niet zonder meer geschikt, omdat gesteld noch gebleken is dat Steel-link van de betekenis van die uitdrukking op de hoogte was dan wel had behoren te zijn, laat staan dat zij wist dan wel had behoren te weten dat daarmee een afwijking werd beoogd van de in de NCM-voorwaarden omschreven dekkingsomvang. Verder is gesteld noch gebleken dat aan Steel-Link op dit punt op enig moment voor de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst een toereikende toelichting is verschaft.

De vraag of IFR c.s. en CIU in dit verband terzake dienende bewijsaanbiedingen hebben gedaan, kan blijven rusten in verband met hetgeen hierna volgt.

2.5 Onbestreden is gebleven dat Aron Rabe medio 2002 is opgehouden om aan haar crediteuren te betalen en dat Aron Rabe in staat van faillissement althans een daarmee vergelijkbare rechtstoestand is geraakt, zodat zonder toelichting die ontbreekt bezwaarlijk kan worden aanvaard dat zich hier slechts een politiek risico heeft verwezenlijkt. Het hof wil aannemen dat de toenmalige Argentijnse valutaproblematiek voor Aron Rabe gevolgen heeft gehad maar die constatering brengt niet zonder meer mee dat de financiële problemen en de daarop volgende insolventie van Aron Rabe buiten de dekking van de kredietverzekering vallen. De stellingen van IFR c.s. en CIU bieden weinig houvast voor een dergelijke verstrekkende gevolgtrekking, ze zijn in het bijzonder erg speculatief.

2.6 Doorslaggevend is evenwel dat het hof met Steel-Link van oordeel is dat het beroep van IFR c.s. en CIU op de beperkte omvang van de dekking tardief is. Noch in de correspondentie die is voorafgegaan aan de weigering om dekking te verlenen, noch in de weigering namens BIG door CIU bij brief van 5 december 2002 is een dergelijk standpunt van BIG voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht. In dit geding dat op 20 maart 2003 is aangevangen met een inleidende dagvaarding, hebben IFR c.s. en CIU zich evenmin eerder met voldoende helderheid op het standpunt gesteld dat het door Steel-Link gestelde schade-evenement buiten de dekking van de kredietverzekering met BIG zou vallen. Dat had wel op de weg van IFR c.s. en CIU gelegen. Dat geldt te meer, aangezien de invloed van de toenmalige politiek economische omstandigheden in Argentinië een grote rol heeft gespeeld in andere aspecten van het partijdebat.

2.7 Slotsom van deze overwegingen is dat het hof de door IFR c.s. en CIU bepleite beperkte uitleg van de in de verzekeringsovereenkomst beoogde dekking verwerpt. De claim van Steel-Link valt onder de in artikel 1 van de polisvoorwaarden voorziene dekking.

Verzekerd contract?

2.8 IFR c.s. en CIU hebben voorts aangevoerd dat onvoldoende is gebleken dat Steel-Link een onder de polis relevant koopcontract met Aron Rabe heeft gesloten, omdat er geen eenduidig document is overgelegd waaruit het bestaan van een overeenkomst blijkt. Steel-Link heeft zich daartegen verweerd door te stellen dat een schriftelijke koopovereenkomst niet bestaat maar dat aan allerhande schriftelijk materiaal bewijs voor het bestaan van de koopovereenkomst kan worden ontleend.

2.9 Het hof blijft in deze kwestie bij zijn oordeel dat van het bestaan van een verzekerd contract moet worden uitgegaan. Hetgeen IFR c.s. en CIU elk bij akte na het tussenarrest van 27 april 2010 hebben aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Wel wil het hof daaraan nog de volgende overwegingen toevoegen.

2.10 Dit onderdeel van het partijdebat ziet eraan voorbij dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.6 en 2.7 van het bestreden vonnis heeft vastgesteld dat Steel-Link op grond van met Aron Rabe gesloten overeenkomsten facturen aan haar heeft verzonden tot een bedrag groot

USD 710.502,53, welke facturen door Aron Rabe onbetaald zijn gelaten alsmede dat Steel-Link terzake van die facturen op 16 september 2002 een claim heeft ingediend bij CIU.

Het hof heeft in zijn tussenarrest van 12 april 2007 in het geding tussen Steel-Link en IFR c.s. geconstateerd dat de juistheid van die feiten niet in het geding is. Bij dit oordeel is het hof gebleven in zijn tussenarrest van 26 juni 2008, dat ook is gewezen tussen Steel-Link en CIU.

2.11 De stellingen van IFR c.s. en CIU waaraan zij willen ontlenen dat er geen verzekerd contract is, leggen verder onvoldoende gewicht in de schaal tegenover al hetgeen in andere richting wijst. Als cruciaal in dit verband merkt het hof in dit verband aan dat Steel-Link met het oog op de voor Aron Rabe lopende kredietverzekering bij faxbrief van 18 oktober 2001 aan IFR heeft laten weten, welke facturen zij in september 2001 aan Aron Rabe had gezonden, als volgt:

faktuur nr bedrag USD 0,92 % verz. vervaldatum

01/2109/0381 553.141,74 5.088,90 17.02.2002

01/2109/0382 127.416,24 1.172,23 17.02.2002

01/2609/0393 24.338,24 223,91 17.02.2002

01/2609/0394 5.606,31 51,58 17.02.2002

TOTAAl 710.502,53 6.536,62

Verder maakt Steel-Link er in deze faxbrief melding van dat ze een bedrag groot USD 6.536,62 aan verzekeringspremie aan IFR zal overmaken.

Deze gang van zaken heeft IFR noch CIU indertijd aanleiding gegeven om te onderzoeken of de facturen van doen hadden met bestaande contracten. De door Steel-Link betaalde premie is geïncasseerd. Dit gedrag van IFR en CIU in aanmerking genomen mocht Steel-Link gerechtvaardigd erop vertrouwen dat IFR en CIU niet alleen van het bestaan van de door Steel-Link gemelde facturen uitgingen maar ook van de koopovereenkomst die daaraan ten grondslag lag.

Terecht wijst Steel-Link in dit verband ook op de omstandigheid dat de wisselbrieven zijn geaccepteerd. In de brief van 12 juni 2002 van de Caja de Credito Cuenca C.L. wordt melding gemaakt van de wil van Aron Rabe om de hierboven en ook in die brief met zoveel woorden genoemde vier facturen te betalen en voorts vermeld (in een vertaling vanuit het Spaans): “The legal dispositions currently imposed by the Central Bank of the Republic of Argentina and other appropriate authorities, impeded the transfers (…).”

2.12 De verzekeringsovereenkomst houdt verder niets in dat erop wijst dat een contract alleen verzekerd als het schriftelijk is vastgelegd. Aan de inhoud van het claimformulier, zoals door CIU weergegeven op pagina 12 van haar akte van 6 juli 2010, komt in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe.

2.13 Tot slot komt, gelijk eerder overwogen, de handelwijze van de curator in het faillissement van Aron Rabe in dit verband betekenis toe.

2.14 Slotsom van deze overwegingen is dat hoe dan ook uitgangspunt mag zijn dat Steel-Link met Aron Rabe een contract heeft gesloten dat onder de dekking van de kredietovereenkomst valt.

Mocht BIG uitkering weigeren?

2.15 BIG heeft de verjaring van het vorderingsrecht dat Steel-Link wil ontlenen aan de verzekeringsovereenkomst niet ingeroepen. De stellingen van IFR c.s. en CIU houden verder niets in dat erop wijst dat BIG de verjaring van dit vorderingsrecht op goede grond had kunnen inroepen.

Aan het beroep dat IFR c.s. en CIU hebben gedaan op verjaring zal het hof dan ook voorbijgaan.

2.16 Het betoog dat Steel-Link in september 2001 had moeten afzien van verscheping van staal naar Argentinië althans er onder de toenmalige omstandigheden in Argentinië niet op mocht rekenen dat haar contract met Aron Rabe onder de dekking van de kredietverzekering zou vallen stuit af op de omstandigheid dat BIG bij Steel-Link het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij bereid was het contract onder de dekking van de kredietverzekering te accepteren door de betaling van de verzekeringspremie die in verband met dat contract in beginsel verschuldigd was, een bedrag groot USD 6.536,62, medio oktober 2001 te aanvaarden. Reeds toen deed zich immers de instabiele politieke situatie voor waarop IFR c.s. en CIU zich wensen te beroepen, met inbegrip van de consequenties van de elfde september 2001. Het moet ervoor worden gehouden dat het contract desalniettemin zonder enig protest onder de dekking is gebracht.

2.17 De omstandigheid dat Steel-Link pas bij brief van 18 oktober 2001 en dus te laat aan IFR (en CIU) heeft bericht dat zij onder de verzekeringsovereenkomst staal had verkocht en geleverd aan Aron Rabe, levert geen toereikende grond op om verzekeringsuitkering te weigeren. Gesteld noch gebleken is dat BIG door die vertraging op enigerlei wijze is geschaad in haar belang. Haar verplichtingen als verzekeraar zijn dan ook niet komen te vervallen.

2.18 IFR c.s. en CIU hebben hun stelling dat Steel-Link kan worden verweten dat zij de verplichtingen die voor haar besloten liggen in artikel 7 van de polisvoorwaarden uit het oog heeft verloren, ontoereikend toegelicht. Daarover overweegt het hof als volgt.

2.19 Artikel 7 heeft betrekking op de situatie die ontstaat, wanneer betaling van een vordering uit een verzekerd contract uitblijft dan wel dreigt uit te blijven. Zodra die situatie zich voordoet komen op de verzekerde zorgvuldigheidsverplichtingen jegens de verzekeraar te rusten.

Onderdeel G van artikel 7 van de toepasselijke NCM-voorwaarden luidt onder het kopje “Minimising Loss and Obtaining Recoveries” als volgt:

If you fail to comply with any of the provisions of this Article after we have made a payment, then you will be liable to refund the payment to us on demand.

Het hof begrijpt het standpunt van IFR c.s. en CIU aangaande de betekenis van genoemd artikel 7 van de polisvoorwaarden aldus dat aan het gedrag van Steel-Link in die mate ‘due care and diligence’ heeft ontbroken dat BIG gerechtigd zou zijn geweest de verzekeringsuitkering terug te vorderen in het geval zij zou hebben uitgekeerd. Onderzocht moet dus worden of zich een situatie heeft voorgedaan die een dergelijk terugvorderingsrecht voor BIG zou hebben opgeleverd.

2.20 Bij de bespreking van die kwestie stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden voorop:

- het door Steel-Link aan Aron Rabe verkochte staal is in de tweede helft van september 2001 vanuit Antwerpen met de Tiwai Maru verscheept naar Campana in Argentinië en daar medio oktober 2001 aangekomen;

- Steel-Link heeft IFR bij faxbrief van 18 oktober 2001 op de hoogte gebracht van de vier facturen die onder de verzekeringsdekking vielen; vervolgens is zij terzake van die facturen aan BIG verzekeringspremie verschuldigd geworden;

- de vordering van Steel-Link op Aron Rabe werd op 17 februari 2002 opeisbaar;

- Steel-Link heeft aan IFR bij faxbericht van 15 februari 2002 verzocht om aan BIG te verzoeken akkoord te gaan met uitstel van betaling door Aron Rabe met 60 dagen in verband met het verbod van de Centrale Bank van Argentinië om reeds toegezegde valuta-transfers uit te voeren; IFR heeft bij brief van 19 februari 2002 aan Steel-Link bericht dat de verzekeraar akkoord gaat met uitstel van betaling door Aron Rabe, een en ander tot nader order;

- bij faxbericht van 4 maart 2003 heeft Steel-Link aan IFR bericht dat zij, omdat dat dit de beste optie leek, na overleg met Aron Rabe met haar een betalingsregeling is overeengekomen, waarvan de eerste termijn van USD 200.000,- zou vervallen op 15 maart 2002;

- Banque Artesia, bij welke bank Steel-Link bankiert, heeft op 19 maart 2002 een faxbericht gezonden aan een medewerker van Caja de Credito Cuenca, de bank van Aron Rabe, met de volgende inhoud:

Re our doc. Collection for USD.710.502,63 due at february 17, 2002 drawn on Aron Rabe (…)

We are aware of the financial problems of your country, but despite these problems we hold you responsible for Ultimate payment of this collection.

De betreffende medewerker heeft daarop op 21 maart 2002 geantwoord dat zij in voortdurend contact staan met Aron Rabe;

- op 17 april 2002 heeft Steel-Link aan IFR bij faxbericht een overzicht van activiteiten met het door haar geleverde staal gestuurd;

- op 19 april 2002 heeft Steel-Link opnieuw een faxbericht aan IFR gestuurd, dit keer met een overzicht van de financiële situatie van Aron Rabe en haar pogingen haar vordering te incasseren; bovendien heeft Steel-Link medegedeeld dat haar contactpersoon bij Aron Rabe mogelijk vertrekt;

- op 26 april 2002 heeft CIU een faxbrief aan IFR gestuurd die een reeks vragen inhoudt alsmede de opvatting dat Steel-Link meer zou moeten doen;

- op 29 april 2002 heeft Steel-Link een faxbericht aan IFR gestuurd waarin zij mededeelt doende te zijn om de gestelde vragen te beantwoorden; verder heeft zij geïnformeerd of zij op 16 augustus 2002 (hof: wanneer de wachtperiode is verstreken) kan rekenen op een verzekeringsuitkering en heeft zij gevraagd waar zij aktie zou moeten nemen;

- IFR heeft daarop op 2 mei 2002 als volgt geantwoord:

Zoals wij u hebben trachten uit te leggen zal de Verzekeraar enige claim 180 dagen na datum van de fakturen in behandeling nemen (i.c. is immers geen sprake van Insolventie van de Debiteur); tot dat moment wordt van een Verzekerde verwacht dat hij alles in het werk stelt om de uitstaande vorderingen alsnog door de Debiteur betaald te krijgen. Tijdens dit incasso-proces wordt de Verzekeraar van de ontwikkelingen terzake op de hoogte gehouden, en bij nadere mogelijke betalingsregelingen om zijn voorafgaande fiat gevraagd. Zo ook indien beslagname en doorverkoop van de geleverde goederen zou kunnen worden gerealiseerd ter vermindering van de uitstaande vorderingen.

Verder zenden wij u bijgaand de Algemene Voorwaarden van de NCM-verzekering, welke van toepassing op deze verzekering zijn verklaard, en waarop Nederlands Recht van toepassing is.;

- bij faxbericht van 7 mei 2002 heeft Steel-Link daarop als volgt gereageerd:

Wij zijn vanzelfsprekend bereid alles in het werk te stellen om de uitstaande vorderingen alsnog betaald te krijgen; wij zouden echter gaarne, op basis van uw expertise en ervaring met dit soort problemen, van uw kant concrete instructies krijgen welke acties U van ons verlangt en via welke kanalen wij die kunnen/moeten uitvoeren en bewandelen??

In geval U het raadzaam acht dat wij een incasso-bureau inschakelen, gelieve ons te informeren of U ons iemand kunt aanbevelen?? Wij nemen aan dat alle hieraan verbonden kosten voor rekening van de crediet-verzekeraar zijn??

Wij menen echter via de NCM-condities te begrijpen dat het voortouw hierin door de verzekeraar zou worden genomen en wij hen alle rechten zouden moeten overdragen en desgevraagd ondersteunen in verdere acties richting de debiteur.

Wij vernemen gaarne op korte termijn van U welke stappen wij moeten ondernemen??

- een medewerker van Steel-Link heeft blijkens handgeschreven notities op het faxbericht van 7 mei 2002 uit de mond van [ X ] opgetekend dat het de eigen verantwoording van Steel-Link is en dat zij zich als een goed huisvader heeft te gedragen; verder is genoteerd dat BIG geen ervaring heeft met Argentinië, dat Steel-Link voor inschakeling van een advocaat de goedkeuring van BIG nodig heeft in verband met de kosten en dat doorverkopen niet zomaar mag, alleen via beslag leggen;

- op 14 mei 2002 heeft Steel-Link een faxbericht aan IFR gezonden waarin zij melding maakt van een verzoek om uitstel van betaling door een vertegenwoordiger van Aron Rabe; Steel-Link betrekt het standpunt dat uitstel haar niet veel verder brengt en vervolgt:

wij willen derhalve toestemming vragen om een incassobureau in te schakelen t.w. International Advisers in Amstelveen. Deze firma heeft ons aangegeven dat men over voldoende ervaring beschikt om al dan niet in goed overleg met Rabe te proberen ons materiaal terug te krijgen. Wij hebben inmiddels al stappen gezet om te kijken waar wij voor dit materiaal de beste prijs kunnen krijgen om eventueel door te kunnen verkopen.

Bovengenoemde firma werkt op basis “no cure no pay” maar vraagt op zich een forse beloning van ca 15 pct van de opbrengst. (Dit is een indikatie en wij hebben nog heden een gesprek met deze mensen) Wij nemen aan dat indien Baltic met deze procedure akkoord gaat men ook bereid is de kosten te accepteren. Gaarne uw bevestiging hiervan.

Overigens hebben wij inmiddels ook met advokaten gesproken (Nauta Dutilh) en hoewel men onze zaak zeker niet kansloos acht geeft men aan dat dit in Argentinië momenteel een langdurige/kostbare zaak zou kunnen worden.

Verder nog wat info welke wij deze week ontvingen: NCM heeft 2 claims lopen in Argentinië en hebben de incasso inmiddels zelf ter hand genomen (zonder resultaat overigens).

- op 15 mei 2002 heeft Steel-Link wederom een faxbericht aan IFR gestuurd en wel met de volgende inhoud:

Dank voor het doorsturen van de opmerkingen/vragen van C.I.U. S.A.

Belangrijk is dat wij morgen de incasso procedure in gang kunnen zetten en wachten dringend op uw akkoord op onze fax van 14/5.

(…)

Voor alle duidelijkheid naar onze info is het zo dat Rabe niet vrijwillig het door ons geleverde en niet betaalde materiaal terug wil teruggeven maar volgens zeggen misschien ander (voor hen minder courant materiaal maar met minder waarde dan de uitstaande vordering). Herhalen wij dat inmiddels van 2 advokaten hebben begrepen dat beslagleggen in Argentinië niet eenvoudig is en vooral langdurig/kostbaar kan zijn.

(…)

Is een ontmoeting met mensen van Baltic Insurance op korte termijn niet raadzaam?

Ter info: ik overweeg om volgende week naar Argentinië te gaan om met Rabe rond de tafel te gaan zitten dus alle acties zijn urgent. Gaarne uw mening.

- IFR heeft bij faxbrief van 15 mei 2002 aan Steel-Link een reactie van CIU op haar bericht van 1 mei daaraan voorafgaand gestuurd;

- bij faxbericht van 28 mei 2002 heeft Steel-Link onder verwijzing naar een telefoongesprek aan IFR geschreven dat zij op zoek is naar een “Legal partner” en daarvoor verschillende contacten heeft geraadpleegd, dat haar directeur [ K ] bereid is om naar Argentinië te vliegen maar dat dit slechts zin heeft met voldoende juridische steun, omdat Rabe weigert te betalen en weigert het onbetaalde staal terug te geven; verder staat in het bericht:

As informed we have instructed our bankers (Banque Artesia) to protest the outstanding unpaid “Rabe” drafts already on april 26th and a reminder of may 22nd but the bank in Argentina (Caja de Credito Cuenca, San Martin, Buenos Aires) sofar didnot reply to this.

We hear from lawyers of Thyssen/Germany (hof: een medecrediteur) that banks in Argentina apparently have some kind of moratorium till july 6th not to push client into bankruptcy but this has not been recfmd by our bankers.

As informed we rcvd info that Rabe have started to use our “unpaid” material so we need to move quickly now.

Again we ask you to obtain authorization to use the collection agency (…).

Also we would welcome to have a meeting with Baltic Insurance Group (as requested earlier) to clear any questions/doubts they may have abt this case.;

- uit een e-mailbericht van 28 mei 2002 van de Kamer van Koophandel “Argentino Holandesa” blijkt dat Steel-Link bij die kamer kort voordien advies heeft ingewonnen; de Kamer van Koophandel heeft Steel-Link aangeraden om contact op te nemen met een advocatenkantoor in Buenos Aires en daartoe namen van advocaten in Buenos Aires opgegeven;

- begin juni 2002 heeft Steel-Link contact gelegd met een advocaat in Buenos Aires, D.C. Bunge. Zij heeft onder meer doen onderzoeken of onder Rabe met succes beslag zou kunnen worden gelegd op het door haar verkochte staal. De advocaat berichtte dat snel zou moeten worden gehandeld;

- bij faxbericht van 5 juni 2002 heeft Steel-Link IFR op de hoogte gesteld van haar contact met de Argentijnse advocaat Bunge en diens voorlopige bevindingen. Voorts heeft zij aangekondigd dat haar directeur [ K ] naar Argentinië zal vertrekken en voorgesteld dat de verzekeraar akkoord zal gaan met deze advocaatkeuze en de daarvoor te maken kosten, zodat zij met de advocaat Bunge in contact kan treden. Verder doet zij verslag van hetgeen is voorgevallen rond de wisselbrieven;

- bij mailbericht van 5 juni 2002 heeft Steel-Link aan Bunge laten weten dat de verzekeraar haar had gevraagd om aan de Nederlandse rechter verlof voor beslaglegging te vragen maar haar Nederlandse advocaten haar hadden verzekerd dat een dergelijk verlof niet het beoogde gevolg kon hebben; zij verzoekt Bunge te bevestigen dat dit juist is;

- medio juni 2002 is [ K ] naar Argentinië gereisd. Hij heeft daar met verschillende personen overleg gevoerd teneinde de incasso van de vordering van Steel-Link op Rabe te bewerkstelligen;

- bij faxbericht van 26 juni 2002 heeft Steel-Link aan IFR verslag gedaan van de bevindingen van haar directeur [ K ] in Argentinië; de reis had geen succes: Rabe heeft niet betaald en is evenmin van plan om te betalen. Evenmin bleek Rabe bereid om het staal dat zij nog in voorraad had en afkomstig was van Steel-Link terug te geven. Er is gesproken met diverse personen, onder wie de ingeschakelde advocaat teneinde de positie van Steel-Link in kaart te brengen. Het faxbericht vervolgt:

The next and rather urgent step (…) seems to us what should we reply to the proposal. Should we go for the amicable way (…) Or any other suggestion by Baltic Insurance Company or their representative. (...)

Pls note that also the lawyer mr. Bunge has offered to make the effort for an improved offer in an amicable way.

Kindly let me know yr position urgently.;

- bij faxbericht van 28 juni 2002 heeft Steel-Link IFR laten weten dat verder wordt gewerkt aan een minnelijke regeling. Het faxbericht besluit met:

Meanwhile we await the position of the Insurance co in writing. Would like to add that if we would continue the amicable way it could be necessary to make a sacrifice but again we won’t move until we know what insurance believes in this respect.;

- op dezelfde dag heeft Steel-Link in een faxbericht aan IFR bevestigd dat haar, Steel-Link, door IFR is medegedeeld dat haar verzekeraar noch bereid is mee te werken aan een regeling noch bereid is advocaatkosten te dragen;

- blijkens daarop volgende berichten van Steel-Link aan IFR gaat het zoeken naar een minnelijke oplossing voort en wordt IFR daarover telkens geïnformeerd;

- bij faxbericht van 10 juli 2002 heeft Steel-Link aan IFR laten weten dat niet langer naar een minnelijke oplossing wordt gezocht. Het ligt in de bedoeling dat Rabe door Steel-Links advocaten wordt gesommeerd om de vordering vermeerderd met kosten te voldoen. Zou betaling uitblijven dan zal worden gestreefd naar beslaglegging;

- bij faxbericht van 15 juli 2002 heeft Steel-Link aan IFR bevestigd dat Rabe bij brief van 10 juli 2002 is gesommeerd en vervolgens bij faxbericht van 22 juli 2002 dat Rabe betwist heeft dat de Argentijnse advocaat over een toereikende volmacht beschikte. Ook maakt het laatste bericht er melding van dat “Rabe now have filed for a so-called creditors meeting (which acc to info rcvd) seems like a ‘chapter 11’situation”.;

- Aron Rabe is in augustus 2002 in staat van faillissement verklaard althans is in die maand tegen Aron Rabe een zogenoemde insolventieprocedure geopend;

- in de maanden augustus en september 2002 heeft Steel-link zich blijkens haar mailwisseling met het advocatenkantoor Bunge nog ingespannen om het door haar geleverde staal te achterhalen.

2.21 Gelet op alle inspanningen die Steel-Link zich heeft getroost ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat haar een tekort aan “due care and diligence” als bedoeld in artikel 7 van de toepasselijke voorwaarden kan worden verweten. Dat de handelwijze van Steel-Link als traag en inaccuraat kan worden gekenschetst, zoals IFR c.s. hebben gedaan, behoeft meer toelichting dan IFR c.s. hebben gegeven.

Hetgeen IFR c.s. en CIU in dit verband hebben aangevoerd heeft het hof er niet van overtuigd dat zich een dergelijk tekort heeft voorgedaan.

2.22 Steel-Link heeft IFR en, naar uit de stukken kan worden afgeleid en in zover niet bestreden is, via IFR ook CIU voortdurend op de hoogte gehouden van haar inspanningen om haar vordering te incasseren. Zij heeft er veelvuldig bij IFR en CIU op aangedrongen om haar bij haar inspanningen bij te staan en daarbij te kennen gegeven dat zij wilde profiteren van de kennis en kunde die zij aanwezig veronderstelde bij haar kredietverzekeraar BIG. Daarbij past niet thans op geleide van de stellingen van IFR en CIU te aanvaarden dat Steel-Link anders of meer had moeten doen dan zij heeft gedaan. Zo BIG en haar gevolmachtigd agent CIU van mening zouden zijn geweest dat de inspanningen van Steel-Link niet voldeden aan datgene wat zij mochten verwachten, hadden zij daarvan destijds meteen blijk behoren te geven. Dat hebben zij onvoldoende gedaan, zodat thans moet worden aangenomen dat van een dergelijk tekortschieten indertijd geen sprake is geweest.

2.23 Het verweer van IFR c.s. en CIU biedt meer in het bijzonder onvoldoende houvast voor het oordeel dat Steel-Link is tekortgeschoten in de van haar jegens BIG te verlangen zorg door geen beslag te leggen ten laste van Aron Rabe, bijvoorbeeld op haar banktegoed dan wel het geleverde staal.

In de eerste plaats is hier van belang dat Steel-Link zonder enig voorbehoud toestemming verkreeg van BIG om Aron Rabe zestig dagen betalingsuitstel te verlenen. De stellingen van IFR c.s. en CIU houden niet in dat Aron Rabe desalniettemin eerder in verzuim is geraakt. Verder houden de stellingen van IFR c.s. en CIU niets in waaruit kan worden afgeleid dat Aron Rabe vanaf de opening van haar insolventieprocedure in augustus 2002 haar vermogen naar eigen inzicht kon aanwenden om Steel-Link te betalen. Dat betekent dat Steel-Link een succesvolle (in de betekenis van tot een incasso leidende die bovendien in het “faillissement” onaantastbaar zou zijn) beslaglegging had moeten verwezenlijken in de periode van medio april 2002 tot medio augustus 2002. Dat dit redelijkerwijs mogelijk zou zijn geweest kan uit de stellingen van IFR c.s. en CIU niet worden afgeleid, mede in aanmerking genomen dat onbetwist is gebleven dat het op grond van de Argentijnse rechtsregels de nodige tijd kost om beslaglegging te verwezenlijken.

2.24 Het beroep van IFR c.s. en CIU op het ontbreken van een adequaat wisselprotest moet op soortgelijke gronden stranden. Ook hier heeft te gelden dat in overleg met IFR en CIU besloten was om een afbetalingsregeling af te spreken en dat de stellingen van IFR c.s. en CIU onvoldoende houvast bieden voor de veronderstelling dat tijdig wisselprotest tot incasso van de vordering zou hebben geleid.

De stelling van Steel-Link dat de te dezen geldende (Argentijnse) rechtsregels de nodige vertraging zouden hebben opgeleverd, is onvoldoende betwist.

Het moge verder zo zijn dat Aron Rabe ondanks de toentertijd in Argentinië geldende beperkingen Steel-Link voor haar staalleverantie had mogen betalen, dat alles neemt niet weg dat haar bank, Caja de Credito Cuenca, blijkens haar mailbericht van 12 juni 2002 de mening was toegedaan dat die vrijheid om de bedragen over te boeken er niet was. Die omstandigheid komt binnen de kredietverzekeringsrelatie van BIG en Steel-Link voor risico van BIG. Daar komt bij dat de valuta-problematiek had meegebracht dat de Argentijnse peso en de Amerikaanse dollar waren losgekoppeld, met alle gevolgen voor Aron Rabe van dien. Niet voor niets heeft Caja de Credito Cuenca in haar mailbericht van 12 juni 2002 genoteerd dat de banksaldi die Aron Rabe bij haar aanhield toereikend waren tegen een koers van één USD tegen één peso.

2.25 De omstandigheid dat Steel-Link Aron Rabe heeft bekend gemaakt met de kredietverzekering, een ten behoeve van risicobeheer toegepast instrument, kan evenmin zonder meer de conclusie rechtvaardigen dat zij zich jegens BIG onvoldoende zorgvuldig heeft gedragen. De stellingen van IFR c.s. en CIU lijken ervan uit te gaan dat Aron Rabe mocht menen dat zij niet meer voor het geleverde staal behoefde te betalen, althans dan daarmee weigerachtig zou worden, als de kredietverzekering aan Steel-Link een bedrag had betaald gelijk aan haar vordering op Aron Rabe. Dat kan zonder toelichting, die ontbreekt, bezwaarlijk worden aanvaard. Aron Rabe had er immers rekening mee te houden dat de uitkerend kredietverzekeraar zou worden gesubrogeerd in de rechten van Steel-Link en alsnog zou proberen de vordering te incasseren. De stellingen van IFR c.s. en CIU houden niets in dat in andere richting wijst.

2.26 De omstandigheid dat Steel-Link haar vordering op Aron Rabe in 2005 uiteindelijk buiten BIG om heeft verkocht en geleverd aan een ander tegen betaling van USD 256.455,- levert gelet op de toenmalige omstandigheden evenmin op dat haar een tekort aan zorg jegens BIG kan worden verweten dan wel handelen in strijd met artikel 11 van de NCM-voorwaarden.

Zowel IFR als CIU had het standpunt ingenomen dat de claim haar niet (meer) aanging. Geen van hen had belangstelling aan de dag gelegd voor de verdere afwikkeling van de claim, ook niet binnen het verband van dit geding dat in maart 2003 was aangevangen. Verder was Steel-Link met geen andere vertegenwoordiger van BIG bekend gemaakt dan CIU. Tegen die achtergrond mocht Steel-Link ervan uitgaan dat zij zelfstandig diende te beslissen over het innen dan wel te gelde maken van de claim en vermag het geen verbazing te wekken dat zij haar belang heeft gemeend te dienen door haar vordering te verkopen voor een bedrag van

USD 256.455,-. Zij mocht toentertijd ook menen daarmede het belang van BIG te dienen.

IFR c.s. en CIU hebben nog betoogd dat Steel-Link een ruimere betaling had kunnen tegemoet zien als zij meer geduld had opgebracht, gelet op de betalingsregeling die in het kader van de insolventieprocedure van Aron Rabe is aangeboden. In aanmerking genomen de onzekerheid die inherent is aan tijdsverloop en de - onbestreden gebleven – behoefte aan liquiditeit van Steel-Link valt haar keuze voor betaling van een lager bedrag op kortere termijn te billijken. Schending van haar verplichtingen jegens BIG levert die keuze niet op, ook niet als wordt aangenomen dat zij dusdoende niet heeft gewaarborgd dat het restant van de vordering niet zou verjaren en regres van het restant van de vordering voor BIG onmogelijk heeft gemaakt.

Het in het tussenarrest van 27 april 2010 in rechtsoverweging 2.22 gegeven voorlopige oordeel is hiermee definitief.

Overige verweren

2.27 Condition 3) uit de Cover Note van 7 februari 2001 luidt: “If there are substantial changes in the financial situation of the buyer, the Insured will need the written approval of the Company to proceed”. Deze bepaling heeft niet de door IFR c.s. en CIU ingeroepen rechtsgevolgen in de relatie tussen Steel-Link en BIG. Zij behoeft naast al hetgeen hierboven werd overwogen geen afzonderlijke bespreking meer.

2.28 Het beroep van IFR c.s. en CIU op artikel 12 van de NCM-voorwaarden faalt. In de stellingen van IFR c.s. en CIU vallen in het licht van al hetgeen het hof hierboven reeds heeft besproken geen feiten te ontwaren waarvan Steel-Link BIG gelet op deze bepaling ten onrechte onkundig heeft gelaten bij de totstandkoming van de verzekerings-overeenkomst.

2.29 IFR c.s. noch CIU kan rechten ontlenen aan de uitsluitingen die voor BIG waren voorzien in artikel 16 van de NCM-voorwaarden.

Wat betreft de uitsluiting onder A heeft te gelden dat gesteld noch gebleken is dat Steel-Link heeft gehandeld in strijd met een hier relevante wettelijke of contractsverplichting.

Deze stellingen houden in het bijzonder niet in dat Steel-Link verplicht was om tegen niet-betaling op de wisselbrieven te protesteren, ook niet naar Argentijns recht.

2.30 Steel-Link heeft ook na de verkoop en levering van haar vordering op Aron Rabe aan een derde belang bij haar vorderingen in deze procedure behouden, een belang als bedoeld in artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek. Dat zij zich genoodzaakt heeft gezien om in haar rechtsverhouding met Aron Rabe een deel van haar vordering prijs te geven betekent niet zonder meer dat zij ook haar vordering uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst respectievelijk haar schadevergoedingsvordering op IFR c.s. en CIU heeft prijsgegeven. De stellingen van IFR c.s. en CIU zijn niet toereikend om daarover in dit geval anders te denken.

2.31 Het beroep op artikel 7:962 Burgerlijk Wetboek behoeft geen afzonderlijke bespreking meer gelet op hetgeen hierboven al werd besproken.

2.32 In hetgeen het hof hierboven heeft behandeld ligt besloten dat niet aannemelijk is geworden dat de door Steel-Link gestelde schade is voortgekomen uit feiten en omstandigheden die in haar invloedsfeer liggen dan wel aan haar moeten worden toegerekend. Evenmin bestaat goede grond om aan Steel-Link het verwijt te maken dat zij onvoldoende heeft zorg gedragen voor schadebeperking.

2.33 Steel-Link heeft niet alleen een vergoeding gevorderd voor het deel van de vordering op Aron Rabe dat onbetaald is gebleven maar ook een vergoeding van de door haar gemaakte incassokosten.

In haar inleidende dagvaarding heeft zij dit gedeelte van haar vordering van toelichting voorzien.

Onder nummer 28 van de inleidende dagvaarding zet zij uiteen dat het gaat om incassokosten ten bedrage van

USD 190.491,38, die “ten laste van Steel-link komen met betrekking tot een tweede claim (dossier ‘DTS’) onder de met gedaagden gesloten verzekeringsovereenkomsten die op basis van de van toepassing verklaarde (NCM)polisvoorwaarden voor rekening van de verzekeraar komen”, welke vordering zij in punt 35 van haar antwoordakte van 10 november 2009 heeft gehandhaafd. Onder 30 van de inleidende dagvaarding zet zij uiteen aanspraak te maken op buitengerechtelijke incassokosten op grond van, kortweg, Voorwerk II zonder deze verder te begroten. Ook nadien is die begroting achterwege gebleven.

Op de voet van hetgeen het hof in zijn tussenarrest van 27 april 2010 onder 2.11 heeft overwogen over de DTS-claim is het bedrag van USD 190.491,38 niet voor toewijzing vatbaar.

De overige incassokosten zijn niet voldoende gesubstantieerd om voor toewijzing in aanmerking te komen.

2.34 Voor matiging van de door Steel-Link gevorderde schadevergoeding op de voet van het bepaalde in artikel 6:109 Burgerlijk Wetboek is geen plaats.

Deze bepaling van Nederlands recht is niet van toepassing op de rechtsverhouding tussen CIU en Steel-Link.

Bij de vraag of deze bepaling toepassing verdient op de rechtsverhouding tussen IFR c.s. en Steel-Link stelt het hof voorop dat volledige schadevergoeding de regel is. Een uitzondering kan pas worden gemaakt, indien volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden voor IFR c.s. IFR c.s. hebben evenwel geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die een dergelijke gevolgtrekking zouden rechtvaardigen. De enkele constatering dat betaling van de door Steel-Link verlangde schadevergoeding IFR c.s. zwaar zal vallen biedt in dit verband onvoldoende houvast. Het hof wil in dit verband overigens niet onvermeld laten dat IFR zich er niet over heeft uitgelaten of zij haar aansprakelijkheidsrisico heeft verzekerd.

2.35 IFR en CIU zijn ieder voor het geheel van de gevorderde schadevergoeding aansprakelijk jegens Steel-Link en in zover hoofdelijk jegens haar aansprakelijk.

Aansprakelijkheid [ X ]

2.36 [ X ] heeft redelijkerwijs niet mogen aannemen dat hem nog de gelegenheid zou worden geboden om zijn standpunt in een volgende fase van dit geding toe te lichten. Noch het stadium van het geding noch de bewoordingen van de rechtsoverwegingen van het hof in zijn eerdere tussenarresten gaven daarvoor aanleiding.

Het hof zal [ X ] dan ook geen afzonderlijke gelegenheid meer bieden om zich uit te laten over zijn persoonlijke aansprakelijkheid jegens Steel-Link.

2.37 Nu is vastgesteld dat IFR haar zorgplicht als verzekeringstussenpersoon jegens Steel-Link heeft geschonden, in zover toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar contractuele verplichtingen jegens Steel-Link en Steel-Link dientengevolge forse schade heeft geleden, moet worden onderzocht of aan [ X ] van een en ander persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken.

2.38 Bij de bespreking van deze kwestie stel het hof voorop dat voor de door Steel-Link gewenste doorbreking van de rechtspersoonlijkheid van IFR slechts bij uitzondering plaats is. Het enkele feit dat IFR haar contractuele zorgplicht jegens Steel-Link heeft verzaakt levert dan ook onvoldoende grond voor doorbreking op.

De omstandigheid dat IFR en [ X ] feitelijk vrijwel zouden samenvallen omdat IFR verder geen medewerkers heeft en ook in 2002 niet had, legt maar een betrekkelijk gewicht in de schaal. Toekenning van een relatief zwaar gewicht aan die omstandigheid zou immers meebrengen dat aan [ X ] de bescherming wordt onthouden die hij, naar moet worden aangenomen, juist heeft gezocht door zijn activiteiten als assurantietussenpersoon onder te brengen in IFR.

2.39 Voor het overige bevatten de stellingen van Steel-Link onvoldoende houvast voor het door haar gestelde ernstige verwijt aan [ X ] persoonlijk. Vermelding verdient hier dat die stellingen ten aanzien van hem niet inhouden dat hij Steel-Link met betrekking tot het bestaan van BIG als solide verzekeraar bewust heeft misleid. De inleidende dagvaarding bevat het verwijt aan [ X ] dat hij wist dat BIG vermoedelijk niet (meer) bestond. Na de betwisting van deze stelling door [ X ] heeft Steel-Link haar verder niet toegelicht, ook niet in hoger beroep. In haar memorie van grieven heeft Steel-Link herhaald dat [ X ] wist dat BIG een inactieve verzekeringsonderneming was maar ook op die plaats haar stelling niet verder toegelicht. De inhoud van de verklaring die [ X ] als getuige heeft afgelegd, welke verklaring in dit verband relevante informatie bevat, heeft Steel-Link evenmin aanleiding gegeven om haar stelling nader te adstrueren. Dat had wel op haar weg gelegen.

Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat de Bestuurskamer van de Sociaal-Economische Raad indertijd heeft geoordeeld dat IFR een beroepsfout kan worden verweten maar onvoldoende grond aanwezig heeft geoordeeld om doorhaling van de inschrijving van IFR in het bij de toenmalige Wet assurantiebemiddelingsbedrijf ingestelde register te rechtvaardigen.

Een en ander voert het hof tot de conclusie dat ontoereikende grond bestaat om aan te nemen dat aan [ X ] persoonlijk een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij naast IFR aansprakelijk moet worden gehouden voor de door Steel-Link geleden schade.

3. Slotsom

3.1 In het principaal hoger beroep zal het hof het bestreden vonnis vernietigen voor zover het is gewezen tussen Steel-Link en CIU en IFR, wat betreft IFR zowel in conventie als in reconventie. De vordering van Steel-Link zal tegen IFR en CIU worden toegewezen tot een bedrag groot USD 312.545,95. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de oorspronkelijke hoofdsom groot USD 569.000,95 vanaf 180 dagen na de vervaldata van de in het geding zijnde facturen tot 8 april 2005, de dag van de cessie, en over een bedrag groot USD 312.545,95 vanaf 8 april 2005 tot de dag der voldoening. De vordering van IFR zal worden afgewezen.

Bovendien is de restitutievordering van Steel-Link voor toewijzing vatbaar met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling.

3.2 In het principaal hoger beroep zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen voor zover het is gewezen tussen Steel-Link en [ X ].

3.3 Het incidenteel beroep van IFR c.s. zal worden verworpen.

De in hoger beroep vermeerderde eis van [ X ] wordt afgewezen.

3.4 Het incidenteel beroep van CIU zal worden verworpen.

3.5 Bewijslevering kan bij gebreke van terzake dienende stellingen achterwege blijven.

3.6 IFR en CIU zijn in het principaal hoger beroep de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij. Zij hebben de proceskosten te dragen, zowel die van de eerste aanleg (voor IFR: conventie en reconventie) als die van het principaal hoger beroep. Het hof zal bij de begroting van de advocaatkosten in aanmerking nemen dat Steel-Link aanvankelijk niet heeft gemeld dat haar schade lager was dan gevorderd, doordat zij de vordering op Aron Rabe had kunnen verkopen.

Steel-Link is in het principaal hoger beroep in haar zaak tegen [ X ] de in het ongelijk gestelde partij. De met dit hoger beroep gemoeide kosten zal het hof begroten op nihil, omdat het partijdebat van dien aard is geweest dat de daarmee voor [ X ] gemoeide kosten voor het overgrote deel kunnen worden toegerekend aan de zaak die speelde tussen Steel-Link en IFR en CIU. Wel bestaat grond voor de hieronder te bespreken uitzondering.

3.7 De in de incidentele beroepen gemaakte proceskosten worden, gelijk eerder in het tussenarrest van 27 april 2010 overwogen, begroot op nihil, met dien verstande dat de proceskosten van Steel-Link die verband houden met de vermeerderde eis van [ X ], die hij zowel in het principaal als in het incidenteel beroep heeft ingesteld, voor diens rekening moeten worden gebracht, omdat hij in het ongelijk werd gesteld. Deze kosten maken evenwel, naar moet worden aangenomen, maar een fractie uit van de totale door Steel-Link gemaakte proceskosten, waarmee rekening zal worden gehouden bij de vaststelling van het door [ X ] te betalen bedrag.

4. Beslissing

Het hof:

in het principaal appel:

bekrachtigt het vonnis dat de rechtbank Utrecht onder zaaknummer/rolnummer 162269/HAZA 03-1119 op 29 december 2004 heeft uitgesproken, voor zover gewezen tussen Steel-Link en [ X ], zowel in conventie als in reconventie;

vernietigt dit vonnis van de rechtbank Utrecht van 29 december 2004, voor zover gewezen tussen Steel-Link en IFR en CIU, wat betreft IFR zowel in conventie als in reconventie, en in zover opnieuw rechtdoende:

veroordeelt IFR en CIU elk tot betaling aan Steel-Link van een bedrag groot USD 312.545,95, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag groot USD 569.000,95 vanaf 180 dagen na de vervaldata van de in het geding zijnde vier facturen tot 8 april 2005 en over een bedrag groot

USD 312.545,95 vanaf 8 april 2005 tot de dag der voldoening;

wijst de vordering van IFR af;

wijst de vordering van [ X ] af, voor zover in hoger beroep vermeerderd;

veroordeelt IFR en CIU tot terugbetaling aan Steel-Link, hetgeen Steel-Link aan IFR en CIU heeft voldaan uit hoofde van het bestreden vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling;

veroordeelt Steel-Link in de proceskosten van het hoger beroep van [ X ] en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt IFR en CIU in de proceskosten en begroot deze kosten aan de zijde van Steel-Link tot de dag van deze uitspraak voor de eerste aanleg op € 3.931,20 voor verschotten en € 10.320,- voor salaris procureur in conventie en € 5.160,- voor salaris procureur in reconventie en voor het hoger beroep op € 5.802,93 voor verschotten en € 19.578,- voor salaris advocaat;

veroordeelt [ X ] in een deel van de proceskosten in hoger beroep van Steel-Link en begroot deze proceskosten op € 632,- voor salaris advocaat;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen Steel-Link meer of anders heeft gevorderd;

in het incidenteel appel van IFR c.s.:

verwerpt het incidenteel hoger beroep van IFR c.s.;

veroordeelt IFR c.s. in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van Steel-link tot de dag van deze uitspraak op nihil;

in het incidenteel appel van CIU:

verwerpt het incidenteel hoger beroep van CIU;

veroordeelt CIU in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van Steel-Link tot de dag van deze uitspraak op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep,

C.A. Joustra en D.J. Oranje en uitgesproken ter

openbare terechtzitting van 8 maart 2011 door de

rolraadsheer.