Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ2730

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
106.007.197-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tenzij voetbaltrainer bewijst dat geen bemiddelingsovereenkomst is tot stand gekomen, dient hij € 40.000 te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 106.007.197/01

(rolnummer 1105/07)

18 januari 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [APPELLANT 1],

wonende te [woonplaats],

2. [APPELLANT 2],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. C. Hellingman te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen zullen hierna respectievelijk [appellant 1] en [appellant 2] (gezamenlijk: [appellanten]) en [geïntimeerde] worden genoemd.

1.2. Bij dagvaarding van 20 juli 2007 zijn [appellanten] in hoger beroep gekomen van het in deze zaak tussen hen als eisers en [geïntimeerde] als gedaagde onder zaak-/rolnummer 333580/HA ZA 06-172 gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2007.

1.3. [appellanten] hebben bij memorie van grieven tevens akte houdende aanvulling/wijziging eis zes grieven tegen dit vonnis aangevoerd, een productie overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. zal vernietigen het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

2. primair voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] gehouden is tot nakoming van de bemiddelingsovereenkomst door betaling van de bemiddelingsfee van 10% van het bruto jaarsalaris van [geïntimeerde] en diens assistenten gedurende de contractsperiode, althans 5% van het bruto jaarsalaris van [geïntimeerde] en diens assistenten gedurende de contractsperiode, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding van (het hof leest:) 21 november 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

3. subsidiair voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de bemiddelingsovereenkomst, zoals schriftelijk vastgelegd op 3 september 2002, door (i) niet de overeengekomen althans de gebruikelijke vergoeding over het loon van [geïntimeerde] en diens assistenten aan [appellanten] te betalen en/of (ii) [appellanten] niet in de gelegenheid te stellen om de voorwaarde te vervullen waarvan de verschuldigdheid van het loon afhankelijk was gesteld en/of door (iii) te handelen in strijd met de exclusiviteit, en [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van de hierdoor door [appellanten] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

4. [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen de kosten van de gelegde beslagen.

1.4. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

1.5. Partijen hebben ten slotte hun standpunten bij mondelinge pleidooien onder overlegging van een pleitnota doen bepleiten, [appellanten] door mr. G.G. Boeve, advocaat te ’s Hertogenbosch en [geïntimeerde] door zijn advocaat, en aan het hof arrest gevraagd.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep onder 2.1 tot en met 2.8 een aantal feiten vermeld. De juistheid daarvan is niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

3. Beoordeling

3.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [appellanten] zijn bemiddelaars bij arbeidsovereenkomsten tussen voetbalspelers/voetbaltrainers en voetbalclubs. [geïntimeerde] is een professioneel voetbaltrainer.

b. In april 2002 heeft [appellant 2] met [geïntimeerde] contact opgenomen om met hem de mogelijkheid te bespreken gedurende het wereldkampioenschap voetbal in de zomer van 2002 als assistent-trainer werkzaam te zijn bij de nationale voetbalbond van Saoedi-Arabië (de SAFF). Daaraan voorafgaande waren [appellanten], naar zij hebben aangevoerd, benaderd door [X] van het bedrijf Paramount Commercial Enterprise te Saoedi-Arabië (hierna: Paramount), die signalen had opgevangen dat de SAFF mogelijk op zoek was naar een West-Europese voetbaltrainer, bij voorkeur een Nederlander met een “grote naam”. [appellant 2] kende [geïntimeerde] - hij had al eerder voor [geïntimeerde], zij het zonder succes, bemiddelingswerkzaamheden verricht met het oog op een arbeidsovereenkomst voor [geïntimeerde] als trainer bij een Japanse voetbalclub - en hij heeft [geïntimeerde] daarom gepolst of hij voor de genoemde functie bij de SAFF interesse zou hebben. [appellanten] hebben een ander met [geïntimeerde] besproken tijdens een etentje in een restaurant te Amsterdam.

c. De SAFF heeft op enig moment laten weten dat de functie van assistent-trainer voor genoemd wereldkampioenschap toch niet zou worden opengesteld.

d. In augustus 2002 is [geïntimeerde] benaderd door een voetbalmakelaar te Dubai, genaamd [Y], met de vraag of hij belangstelling had voor de functie van hoofdtrainer van het nationale voetbalteam van Saoedi-Arabië. [geïntimeerde] heeft daarop bevestigend geantwoord. Hij heeft vervolgens besprekingen gevoerd met vertegenwoordigers van de SAFF, waaronder met haar supervisor [supervisor SAFF] (hierna: [supervisor SAFF]). [geïntimeerde] liet zich bij die besprekingen bijstaan door mr. T. Prijn, belastingadviseur en zijn raadsman mr. Hellingman.

e. Op 3 september 2002 heeft [geïntimeerde] een door [appellant 1] opgesteld en op diens briefpapier afgedrukt faxbericht ondertekend, gericht aan Paramount, met de volgende tekst:

“This is to confirm that [appellant 1] is my representatives regarding any appointment with the Saudi Football Federation.

[appellant 1] has earned this right by introducing me to the Saudi Football Federation initially in April 2002.

I would like to stress that I do not have any other representatives in this matter.

Yours faithfully

[geïntimeerde] (...)”

f. Op 14 oktober 2002 is [geïntimeerde] naar Saoedi-Arabië afgereisd tezamen met drie door hem uitgekozen (kandidaat-) assistent-trainers. Tijdens de reis had [appellant 2] zich bij [geïntimeerde] gevoegd. In Saoedi-Arabië heeft [appellant 1] zich bij het gezelschap aangesloten.

g. Op 21 oktober 2002 hebben [geïntimeerde] en zijn assistent-trainers buiten aanwezigheid van [appellanten] vierjarige arbeidsovereenkomsten met de SAFF getekend. Het jaarsalaris van [geïntimeerde] bedroeg USD 480.000,- en de assistent-trainers ontvingen gezamenlijk een bedrag van USD 520.000,- per jaar aan salaris. Aan de voetbalmakelaar [Y] hebben [geïntimeerde] en zijn assistent-trainers een vergoeding betaald van in totaal USD 72.000,-.

h. In een brief van 27 februari 2003 heeft de advocaat van [appellanten] de SAFF aangeschreven tot betaling van een bedrag van USD 400.000, zijnde “10% from the value of the contracts” van [geïntimeerde] en zijn assistenten, aangezien [appellanten] de “exclusive representatives” waren van [geïntimeerde] en de SAFF hen had toegezegd “that they would be compensated”. De SAFF heeft de advocaat bij brief van 20 mei 2003 teruggeschreven dat zij de vordering van [appellanten] niet erkenden en bij brief van 16 juni 2003 dat de SAFF door [geïntimeerde] niet in kennis was gesteld van een exclusief contract met [appellant 1].

i. [appellanten] hebben vervolgens [geïntimeerde] begin juli 2003 aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade. [geïntimeerde] heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.2. [appellanten] hebben [geïntimeerde] op 21 november 2003 voor de rechtbank gedagvaard en gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen [appellanten] met hem gesloten exclusieve bemiddelings¬overeen¬komst, dat voor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerde] jegens hen onrechtmatig had gehandeld en dat hij zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door [appellanten] geleden schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.3. De rechtbank heeft veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat tussen partijen een bemiddelingsovereenkomst als door [appellanten] is gesteld is totstandgekomen de vorderingen afgewezen op de grond dat [appellanten] onvoldoende feitelijk hebben onderbouwd dat zij werkzaamheden hebben verricht die hebben geleid tot de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en de SAFF. Zij heeft daarbij overwogen dat de door [appellanten] genoemde werkzaamheden alle betrekking hadden op de periode vóór augustus 2002, waarvan vaststaat dat deze waren verricht met het oog op het verkrijgen van de functie van assistent-trainer van het nationale voetbalelftal van Saudi-Arabië en waarvan eveneens vast staat dat die niet het gewenste resultaat hebben gehad. De rechtbank heeft tevens overwogen dat de omstandigheid dat [appellanten] [geïntimeerde] bij de SAFF hebben geïntroduceerd op zichzelf onvoldoende is om op grond daarvan aanspraak te kunnen maken op bemiddelingsfee. Door [appellanten] is immers, aldus de rechtbank, gesteld dat de bemiddelaar het risico loopt dat hij met de kosten blijft zitten indien de beoogde arbeidsovereenkomst tussen de opdrachtgever en de derde niet tot stand komt. In hoger beroep komen [appellanten] tegen de aldus gemotiveerde afwijzing van hun vorderingen op.

3.4. Het hof zal niet de grieven afzonderlijk bespreken, maar de vorderingen die [appellanten] in hoger beroep hebben geformuleerd. Met betrekking tot de eerste door [appellanten] in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht - petitum onder 2 (hiervoor onder 1.3 weergegeven), inhoudende dat [geïntimeerde] gehouden is tot nakoming van de door [appellanten] gestelde bemiddelingsovereenkomst door betaling van een bemiddelingsfee van USD 400.000,- althans USD 200.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente - heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat deze vordering is verjaard. Dit verweer slaagt. [appellanten] hebben niet weersproken dat zij niet eerder dan in de memorie van grieven [geïntimeerde] op nakoming van de gestelde bemiddelingsovereenkomst hebben aangesproken. [appellanten] hebben voorts niet tegengesproken dat de vordering tot nakoming in elk geval eerder opeisbaar is geworden dan vijf jaar vóór de indiening van de memorie van grieven en zij hebben niet aangevoerd dat de verjaring tussentijds is gestuit of dat de verjaringstermijn geschorst is (of is geweest). Het onder 2 gevorderde zal wegens de verjaring van de vordering tot nakoming worden afgewezen.

3.5. [geïntimeerde] heeft zich ook op verjaring beroepen met betrekking tot de tweede vordering van [appellanten] – petitum onder 3 (eveneens hiervoor onder 1.3 weergegeven), inhoudende, kort gezegd, te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] wanprestatie heeft gepleegd en gehouden is de hierdoor door [appellanten] geleden schade te vergoeden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [geïntimeerde] beperkt dit beroep op verjaring tot de (sub ii) in het petitum opgenomen stelling dat de wanprestatie van [geïntimeerde] erin gelegen is dat hij [appellanten] niet in de gelegenheid heeft gesteld de voorwaarde te vervullen waarvan de verschuldigdheid van het loon afhankelijk was gesteld. Volgens [geïntimeerde] is die stelling een nieuwe feitelijke grondslag van de vordering tot schadevergoeding en is daarom sprake van een nieuwe rechtsvordering, die verjaard is.

3.6. Het hof volgt [geïntimeerde] hierin niet. De strekking van de stellingen die [appellanten] ook in eerste aanleg aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag hebben gelegd, is dat [geïntimeerde] tekortgeschoten is in de nakoming van de met [appellanten] gesloten exclusieve bemiddelingsovereenkomst, onder meer omdat [geïntimeerde] de laatste fase van de contractsonderhandelingen met de SAFF heeft afgerond buiten [appellanten] om. Hierop heeft kennelijk betrekking de stelling onder ii van de vordering onder 3. Van nieuwe feitelijke grondslag is derhalve geen sprake en derhalve in zoverre evenmin van een nieuwe rechtsvordering. Voor zover [geïntimeerde] nog heeft betoogd (pleitnota in hoger beroep onder 13) dat [appellanten] ook met de stelling van het petitum onder 3 sub iii – inhoudende, kort gezegd, dat [geïntimeerde] in strijd met de exclusiviteit heeft gehandeld - een nieuwe rechtsvordering hebben ingesteld, gaat zijn verweer niet op. [appellanten] hebben reeds in eerste aanleg gesteld dat [geïntimeerde] de exclusiviteit van de bemiddelingsovereenkomst heeft geschonden, namelijk door gebruik te maken van andere bemiddelaars die [geïntimeerde] wel heeft betaald en die stelling mede aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag gelegd.

3.7. Nu het beroep van [geïntimeerde] op verjaring met betrekking tot de vordering onder 3 wordt verworpen, is de vraag aan de orde of die vordering kan worden toegewezen.

3.8. Het eerste door [geïntimeerde] gevoerde inhoudelijke verweer daartegen houdt in dat hij geen exclusieve bemiddelings¬overeenkomst met [appellanten] heeft gesloten.

3.9. Te dien aanzien wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [geïntimeerde] het hierboven onder 3.1 sub e vermelde schrijven heeft ondertekend. [geïntimeerde] heeft bij gelegenheid van de comparitie bij de rechtbank erkend dat de brief weliswaar alleen “[appellant 1]” noemt, maar dat die brief tevens [appellant 2] betrof. In de brief wijst [geïntimeerde] [appellanten] aan als zijn exclusieve zaakwaarnemers/vertegenwoordigers (I do not have any other representatives in this matter”) met betrekking tot een mogelijke aanstelling van hem bij de SAFF als assistent- dan wel hoofdtrainer. In de brief is geen onderscheid gemaakt tussen een aanstelling als assistent-trainer of als hoofdtrainer (“regarding any appoitment”).

3.10. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij de brief van 3 september 2002 heeft ondertekend om [appellanten] te helpen bij een door hen “geconstrueerd opzetje om zelf bij de SAFF een vergoeding (te proberen) te bedingen, bij welk opzetje [geïntimeerde] geen enkel belang had”.

3.11. Het hof acht het, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, waaronder het feit dat [geïntimeerde] heeft toegestaan dat [appellant 2] met hem naar Saoedie-Arabië meereisde en een aantal dagen samen met [appellanten] in Saoedie-Arabië heeft opgetrokken, op grond van de inhoud van de brief van 3 september 2002 voorshands bewezen dat [geïntimeerde] [appellanten] een bemiddelingsopdracht heeft gegeven zoals door [appellanten] is gesteld. Hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd acht het hof onvoldoende om de waarheid van zijn verklaring in de brief van 3 september 2002 niet vooralsnog tot uitgangspunt te nemen. Niet relevant is de stelling van [geïntimeerde] dat de brief van 3 september 2002 gericht is aan Paramount en dat de brief daarom niet kan worden aangemerkt als een overeenkomst. [appellanten] hebben immers niet zozeer gesteld dat de brief de overeenkomst tussen partijen behelst, als wel dat deze de (schriftelijke) bevestiging daarvan door [geïntimeerde] vormt.

3.12. Aangezien [geïntimeerde] bewijs heeft aangeboden van zijn stellingen, zal hij worden toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de in de juistheid van de in brief van 3 september 2002 opgenomen verklaring. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zich erover uit te laten of, en zo ja hoe, hij voornoemd tegenbewijs wenst te leveren.

3.13. Het hof ziet aanleiding om thans reeds in te gaan op de vraag wat de consequentie zal zijn indien [geïntimeerde] het door hem te leveren tegenbewijs niet levert.

3.14. Dan dient, zoals overwogen, ervan te worden uitgegaan dat [appellanten] met [geïntimeerde] een exclusieve bemiddelings¬overeenkomst heeft gesloten. [geïntimeerde] heeft betoogd dat echter ook in dat geval de vordering van [appellanten] niet kan worden toegewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd:

a) dat [appellanten] hem hebben misleid, althans bedrogen, althans dat zij misbruik hebben gemaakt van de omstandigheden, althans dat [geïntimeerde] heeft gedwaald, zodat “de inhoud van de brief (van 3 september 2002, hof) wordt vernietigd”.

b) dat [appellanten] feitelijk geen bemiddelingswerkzaamheden hebben verricht die hebben geleid tot de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met de SAFF inzake het hoofdtrainerschap, althans dat [appellanten] op dat punt onvoldoende hebben gesteld en dat dus sprake is van schuldeisersverzuim dan wel eigen schuld,

c) dat niet is komen vast te staan dat [appellanten], zoals zij stellen, [geïntimeerde] bij de SAFF hebben geïntroduceerd,

d) dat ook indien het onder c) vermelde wel het geval zou zijn, de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellanten] op die enkele grond geen aanspraak kunnen maken op een bemiddelingsfee,

e) dat [appellanten] niet hebben bestreden dat [geïntimeerde] [appellanten] in augustus 2002 uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat hij geen gebruik wenste te maken van hun diensten, dat hij bij de inmiddels in gang gezette onderhandelingen met de SAFF gebruik maakte van de bijstand van zijn adviseur mr. Prijn en zijn advocaat, alsmede dat [appellanten] [geïntimeerde] vervolgens nimmer op zijn vermeende verplichtingen uit de bemiddelings¬overeenkomst hebben aangesproken en dat [geïntimeerde] dus niet in verzuim is gekomen,

f) dat [geïntimeerde] (in oktober 2002; kort voor de contractsluiting) nog een gesprek heeft geregeld voor [appellanten] met de SAFF, maar dat de SAFF niet bereid bleek een vergoeding aan [appellanten] te betalen en dat onder deze omstandigheden niet gesproken kan worden van toerekenbaarheid in de zin van artikel 7:411 lid 2 BW,

g) dat met [appellanten] geen vergoeding is overeengekomen voor de door hen te verrichten diensten en dat de door [appellanten] gestelde vergoeding van 10% dan wel 5% van het salaris van [geïntimeerde] als opdrachtgever en zijn assistenten gedurende de contractsperiode niet gebruikelijk is, en ten slotte,

h) dat op grond van artikel 3 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI) bij het verrichten van arbeidsbemiddeling geen tegenprestatie van de werkzoekende mag worden bedongen en een eventuele verplichting tot betaling van loon door [geïntimeerde] als in strijd met de wet nietig is.

Het hof overweegt met betrekking tot deze weren als volgt.

3.15. Het hof verwerpt als onvoldoende onderbouwd het beroep op vernietiging van de bemiddelingsovereenkomst, indien van het bestaan daarvan moet worden uitgegaan. Het hof gaat voorts aan de betwisting door [geïntimeerde] van de stelling van [appellanten] dat zij hem in april 2002 bij de SAFF hebben geïntroduceerd als niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd voorbij. Het door [geïntimeerde] overgelegde emailbericht van [supervisor SAFF], verzonden op 6 november 2006, kan niet gelden als een voldoende onderbouwing van die betwisting. [Supervisor SAFF] schrijft daarin weliswaar dat hij tot het moment dat hij de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] sloot, nooit had gehoord of was gewezen op de namen van [appellanten], maar die verklaring is niet ter zake dienend, omdat [appellanten] niet hebben gesteld dat zij persoonlijk met de prins in contact stonden maar hebben aangevoerd dat hun contacten met de SAFF verliepen via [X] van Paramount. Over deze [X] verklaart [supervisor SAFF] niets. Het gaat thans om de introductie van [geïntimeerde] bij de SAFF in april 2002 ten behoeve van een eventueel assistent-trainerschap. In de brief van 3 september 2002 stelt [geïntimeerde] zelf met zoveel woorden dat [appellant 1] die introductie in april 2002 bij de SAFF heeft verzorgd. Tegen die achtergrond kon [geïntimeerde] niet zonder nadere onderbouwing met zijn voormelde betwisting volstaan. Met de rechtbank neemt het hof als vaststaand aan dat [appellanten] [geïntimeerde] in april 2002 hebben geïntroduceerd bij de SAFF.

3.16. Die introductie bij de SAFF in april 2002 acht het hof, anders dan de rechtbank, relevant voor de vraag of [appellanten] rechten kunnen ontlenen aan de bemiddelingsovereenkomst jegens [geïntimeerde], indien deze is tot stand gekomen. Door [geïntimeerde] is niet aangevoerd noch is door hem aannemelijk gemaakt dat die introductie, ook al was het doel daarvan om de SAFF te interesseren in een aanstelling van [geïntimeerde] als assistent-coach, van geen enkele betekenis is geweest, met name er niet toe heeft geleid dat de SAFF in augustus 2002 met hem contact heeft doen opnemen om te polsen of hij mogelijk belangstelling had voor de functie van hoofdtrainer. Het hof gaat als niet voldoende onderbouwd voorbij aan het door [geïntimeerde] in een radio-interview vertelde verhaal, dat hij door de Spaanse chauffeur van [supervisor SAFF] als trainer bij deze was aanbevolen en dat [supervisor SAFF] aldus over hem was geïnformeerd. In elk geval wordt dit verhaal door [supervisor SAFF] in zijn voornoemde emailbericht van 6 november 2006 zelf niet bevestigd. [geïntimeerde] heeft een en ander overigens ook niet te bewijzen aangeboden. Het hof overweegt voorts het volgende. Niet beslissend is dat de werkzaamheden van [appellanten] die erop waren gericht de SAFF geïnteresseerd te krijgen [geïntimeerde] als assistent-trainer aan te stellen, geen resultaat hebben opgeleverd. Vooralsnog wordt van de juistheid van de brief van [geïntimeerde] van 3 september 2002 uitgegaan, waarin hij stelt dat [appellanten] als zijn exclusieve zaakwaarnemers zijn aangewezen “regarding any appointment” bij de SAFF. Dit betekent dat de bemiddelingsovereenkomst kennelijk ook nog gold voor een mogelijke aanstelling van [geïntimeerde] als hoofdtrainer. Het “no cure no pay”-karakter van de bemiddelingsactiviteiten van [appellanten] staat, nu [geïntimeerde] wel een arbeidsovereenkomst voor de functie van hoofdtrainer heeft kunnen sluiten, ten slotte evenmin eraan in de weg dat [appellanten] in beginsel voor hun bemiddelingswerkzaamheden, daarin bestaande dat zij het eerste contact tussen [geïntimeerde] en de SAFF hebben gelegd, beloond zouden moeten worden.

3.17. Dit leidt tot de vraag op welke beloning [appellanten] aanspraak zouden kunnen maken en jegens wie. Om de laatste vraag te kunnen beantwoorden dient eerst de stelling van [geïntimeerde] te worden besproken dat de WAADI verbiedt dat van hem als werkzoekende een tegenprestatie wordt bedongen voor het bemiddelingswerk dat [appellanten] hem hebben aangeboden. [geïntimeerde] voert naar het oordeel van het hof terecht aan dat de WAADI op de door [appellanten] met hem gesloten bemiddelingsovereenkomst van toepassing is. Ook voordat de WAADI bij wet van 23 april 2003 werd gewijzigd, was het de arbeidsbemiddelaar (die toen nog over een vergunning voor arbeidsbemiddeling diende te beschikken) verboden een tegenprestatie voor de verleende arbeidsbemiddeling te vragen. Beide partijen veronderstellen dat de bemiddelingsovereenkomst door Nederlands recht wordt beheerst. De WAADI strekt tot bescherming van de werkzoekende, in dit geval [geïntimeerde], die destijds in Nederland woonde en werkte. [appellanten] hebben [geïntimeerde] ook in Nederland benaderd. Onder die omstandigheden moet worden aangenomen dat de WAADI op de bemiddelingsovereenkomst tussen partijen toepasselijk is. Dat de voor [geïntimeerde] tot stand te brengen arbeidsovereenkomst in het buitenland was gesitueerd leidt niet tot een ander oordeel. Een en ander brengt mee dat het [appellanten] niet was toegestaan een vergoeding van [geïntimeerde] te bedingen. Zij hebben dit echter ook niet gedaan. Daarbij is echter niet aannemelijk dat [appellanten] en [geïntimeerde] ervan zijn uitgegaan dat [appellanten] voor hun werkzaamheden geen vergoeding zouden krijgen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat zij hebben afgesproken althans dat zij stilzwijgend ervan zijn uitgegaan dat de eventuele bemiddelingsfee betaald zou worden door de SAFF.

3.18. Onder die omstandigheden mochten [appellanten] naar het oordeel van het hof verwachten en van [geïntimeerde] verlangen dat hij, zeker nadat hij hen, zoals hij heeft gesteld, had meegedeeld dat hij niet van hun diensten gebruik zou maken, ervoor zou zorg dragen dat de SAFF een vergoeding voor hen zou betalen, ook al zou dat in mindering komen op het eigen salaris. [geïntimeerde] is zijn verplichtingen jegens [appellanten] op dat punt niet nagekomen. Van [appellanten] kon, nadat duidelijk was dat de SAFF hen op het punt van de betaling van een bemiddelingsfee niet tegemoet zou komen, niet gevergd worden dat zij [geïntimeerde] eerst in gebreke zouden stellen. Een ingebrekestelling had op dat moment - [geïntimeerde] het arbeidscontract al met de SAFF getekend - geen zin meer. [appellanten] hebben daarom recht op een door [geïntimeerde] te betalen schadevergoeding. Het beroep op schuldeisersverzuim dan wel eigen schuld faalt.

3.19. Die schadevergoeding dient te worden begroot op het bedrag dat [appellanten] zouden hebben ontvangen indien [geïntimeerde] zijn verplichtingen wel behoorlijk zou zijn nagekomen. [appellanten] hebben aangevoerd dat, nu partijen geen afspraken hebben gemaakt over de aan hen toekomende vergoeding, op de voet van artikel 7:405 BW van het gebruikelijke loon moet worden uitgegaan. Naar het oordeel van het hof is een op de gebruikelijke wijze berekend loon echter niet vast te stellen. De door [appellanten] genoemde FIFA Player’s Agents Regulations geen houvast, reeds omdat die regels voor spelers en niet voor trainers zijn opgesteld. [geïntimeerde] heeft overigens onbetwist gesteld dat [appellanten] geen FIFA-licentie hebben. Blijkbaar bestaat niet een voor bemiddeling van trainers gebruikelijk loon; dat dit wel zo is hebben [appellanten] althans niet aannemelijk kunnen maken. Onder die omstandigheden dient een redelijk loon te worden vastgesteld. Bij de bepaling wat redelijk is, moet rekening worden gehouden met de door [appellanten] feitelijk verrichte werkzaamheden en het voordeel dat [geïntimeerde] van die werkzaamheden heeft gehad, naast de overige omstandigheden van het geval.

3.20. Het hof is op grond van hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht van oordeel dat de werkzaamheden van [appellanten] bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst van [geïntimeerde] minimaal zijn geweest. Vast staat dat zij niet bij de onderhandelingen met de SAFF betrokken zijn geweest en dat zij daarop bij [geïntimeerde] ook niet hebben aangedrongen. Kennelijk aanvaardden [appellanten] dat [geïntimeerde] de werkzaamheden die samenhingen met de onderhandelingen liet uitvoeren door zijn adviseurs. [appellanten] hebben nog aangevoerd dat zij [geïntimeerde] ervan in kennis hebben gesteld welk budget de SAFF voor zijn aanstelling als hoofdtrainer beschikbaar had. [appellanten] hebben deze stelling echter tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerde] niet van een nadere onderbouwing voorzien of te bewijzen aangeboden, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat. Alle omstandigheden meewegend, is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] aan zijn verplichtingen zou hebben voldaan indien hij van SAFF een bemiddelingsfee van € 40.000,- ten behoeve van [appellanten] zou hebben bedongen.

3.21. De conclusie uit het voorgaande is dat de vordering van [appellanten] onder 3 in die zin toewijsbaar kan worden geacht dat [geïntimeerde], indien hij het door hem te leveren tegenbewijs niet levert, gehouden is tot betaling van een bedrag van € 40.000,-. Het hof is met betrekking tot de proceskosten reeds thans van oordeel dat [appellanten] bij toewijzing van deze schadevordering als de in het ongelijk te stellen partij in deze procedure moeten worden beschouwd. Daartoe is redengevend dat [geïntimeerde] aan [appellanten] (zoals hun raadsman ter comparitie van de rechtbank heeft meegedeeld) € 50.000,- heeft aangeboden om van de zaak af te zijn, maar [appellanten] niet bereid waren om op dat aanbod in te gaan. Gezien het voorgaande moet die keuze voor rekening van [appellanten] blijven.

3.22. Zoals overwogen, zal de zaak naar de rol worden verwezen om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of hij tegenbewijs wenst te leveren zoals hiervoor onder 3.12 is omschreven. [appellanten] kunnen daarna desgewenst een antwoordakte nemen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Het hof geeft partijen in overweging te trachten op basis van dit tussenarrest tot een minnelijke regeling te komen.

4. Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 1 maart 2011 voor akte uitlating door [geïntimeerde];

bepaalt dat [appellanten] zich vervolgens bij antwoordakte zullen kunnen uitlaten;

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.E. Molenaar, W.J. van den Bergh en S.F. Schütz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2011.