Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ2020

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
20-04-2011
Zaaknummer
200.062.173/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verrekening huwelijkse voorwaarden. Vrouw niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de in de staat van aanbrengsten vermelde vordering van de man op de vrouw. Compensatie. Geen beroep op art. 1: 140, eerste lid BW mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 15 maart 2011 in de zaak met zaaknummer 200.062.173/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. M.R. van Buiten te Zaandam, gemeente Zaanstad,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.K. Appelo te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep, worden hierna wederom respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen omtrent het geding in hoger beroep, de feiten en het geschil in hoger beroep in de beschikking van 13 april 2010 is vermeld.

1.3. Bij voornoemde beschikking heeft het hof een eindbeslissing gegeven met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud. In het incidenteel hoger beroep heeft het hof - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs als overwogen in rechtsoverweging 4.17 van die beschikking.

1.4. De vrouw heeft het hof op 17 augustus 2010 een brief met bijlagen toegezonden, die op 18 augustus ter griffie is ingekomen.

1.5. De man heeft het hof op 30 augustus 2010 een (fax)brief met bijlagen toegezonden.

1.6. Op 2 september 2010 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden ten overstaan van mr. A.N. van de Beek, daartoe als raadsheer-commissaris aangewezen, alwaar zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.7. Op 9 september 2010 heeft het hof een brief van de vrouw ontvangen waaruit blijkt dat zij geen getuigen meer wenst te horen en dat zij zich uiterlijk 16 september 2010 nog bij akte zal uitlaten.

1.8. Op 9 september 2010 heeft het hof een faxbericht van de man ontvangen waaruit blijkt dat hij evenmin getuigen wenst te horen.

1.9. De vrouw heeft op 15 september 2010 een conclusie na getuigenverhoor, met een bijlage, ingediend.

1.10. De man heeft op 28 september 2010 een akte na enquête, met een bijlage, ingediend.

2. Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1. Bij voormelde beschikking van 13 april 2010 heeft het hof op grond van de door partijen en de notaris ondertekende en aan de akte van huwelijkse voorwaarden vastgehechte staat van aanbrengsten, behoudens tegenbewijs, als bewezen beschouwd het bestaan en de omvang van de in de staat van aanbrengsten vermelde vordering van de man op de vrouw van fl. 136.025,10, en de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.

2.2. De vrouw heeft de man doen horen als getuige. De man heeft tijdens het getuigenverhoor op 2 september 2010 als volgt verklaard:

‘In 1994 heb ik mevrouw […], die ik hierna de vrouw zal noemen, leren kennen in Thailand. In 1995 zijn we in Nederland gaan samenwonen. De vrouw vertelde mij dat zij eigenaar was van een stukje grond in Khon Kean, in Thailand. Dat is een studentenstad. Het stukje grond lag 10 minuten van het centrum en er stond een oud huisje op. Dat was het voormalig winkeltje van de moeder van de vrouw.

De vrouw kwam met het idee om op de grond een mooi nieuw appartementengebouw te laten bouwen en de appartementen te verhuren aan studenten. U vraagt mij waarom die plannen ontstonden. Daar was geen bijzondere reden voor, er werd met de grond gewoon niets gedaan. We hadden niet de bedoeling om er zelf te gaan wonen. Bij het maken van de plannen gingen wij er als vanzelfsprekend van uit dat ik het project zou gaan betalen. Op grond van de opgave van de aannemer gingen we uit van een totaal bedrag van 1,5 mln bhat (1 Nederlandse gulden kwam destijds overeen met ongeveer 13-14 bhat). Het geld zou komen uit mijn eigen bedrijf, uit mijn spaargeld en uit een stukje financiering bij de bank in Thailand. Die financiering bij de bank zou ongeveer 1 mln bhat bedragen. Ik begreep en ging ervan uit dat de vrouw en ik samen eigenaar van het gebouw zouden worden. Ik meen mij te herinneren dat in 1995 is begonnen met de bouw, maar het kan ook 1996 zijn. De aannemer werd tijdens de bouw in termijnen betaald. Dat gebeurde contant. Iedere keer als wij naar Thailand gingen, en dat gebeurde zeker twee keer per jaar, nam ik het geld contant mee. In 1996 of 1997 is het gebouw opgeleverd. De laatste termijn is aan de aannemer overhandigd na veel overleg met de aannemer. Ik was namelijk niet tevreden over de kwaliteit van het gebouw. Uiteindelijk is een bedrag van 2,25 mln bhat aan de aannemer betaald. Ten behoeve van de hypotheek heb ik steeds Fl. 2000,00 aan rente en aflossing overgemaakt aan de vader van de vrouw, die het geld voor mij betaalde aan de bank. In totaal heb ik gedurende een periode van 1,5 á 2 jaar maandelijks dat geld overgemaakt. U houdt mij voor dat uit de processtukken van de onderhavige procedure opgemaakt zou kunnen worden dat ik mij op het standpunt stel dat ik het geld voor de investering aan de vader van de vrouw zou hebben geleend. Dat is niet het geval. Het was een investering van de vrouw en van mij. Ik heb geen geld aan de vader van de vrouw geleend.

Na oplevering hebben wij geprobeerd de vijftien appartementen van het gebouw te verhuren. Dat lukte gedeeltelijk. Ik heb nooit iets gezien van die huurinkomsten. Ik heb ze in elk geval nooit gekregen, ze zijn ook nooit op enige bankrekening van mij gestort. De vrouw en ik beschikten over gescheiden bankrekeningen.

In 1998 kwam geld vrij uit de verkoop van mijn bedrijf. Ik heb toen gezegd dat we de schuld bij de bank moesten aflossen. De hele resterende hypotheekschuld, die toen ongeveer 800.000 bhat bedroeg, is, ik meen in 1998, afgelost. Ik was het zat om iedere maand Fl. 2000,00 te moeten blijven overmaken.

In 1999 zijn wij getrouwd. Ik wilde voorafgaande aan het huwelijk vastleggen hoe de situatie zou zijn als wij eventueel uit elkaar zouden gaan. Ik heb met de vrouw overlegd dat wij beide iets hadden ingebracht voor het project in Thailand. Zij de grond en ik het geld. Als we uit elkaar zouden gaan, zou zij het huis hebben en wilde ik er zeker van zijn dat ik mijn geld terug zou krijgen. Ik kende de wetgeving van Thailand niet en ik wilde er zeker van zijn dat ik in een situatie dat we uit elkaar zouden gaan niet al mijn geld kwijt zou zijn. Een en ander zou in elk geval dan in Nederland goed geregeld zijn. Om die reden zijn toen huwelijkse voorwaarden opgemaakt en is met de vrouw afgesproken dat zij mij een bedrag van

Fl. 136.025,10 verschuldigd zou zijn. U vraagt mij hoe ik aan dat bedrag kom. Ik heb globaal bijgehouden, zelf maar op de achterkant van een sigarendoosje hoeveel geld ik in totaal naar Thailand had meegebracht en overgemaakt. Dat is dus inclusief de termijnen van aflossing en rente van de hypotheekschuld. Een tweede reden waarom ik huwelijkse voorwaarden wenste, was dat er binnen afzienbare tijd nog geld vrij zou komen uit de verkoop van mijn bedrijf. Ik wilde niet dat dat in enige gemeenschap van goederen zou vallen.

Voordat de vrouw en ik naar de notaris gingen, heb ik dit al eens met haar besproken. Ik heb de notaris uitgelegd dat ik alles goed beschreven wilde hebben en de notaris heeft toen de regeling voorgesteld die nadien is vastgelegd in de huwelijkse voorwaarden en de staat van aanbrengsten. U vraagt mij of ik er bij het opmaken van de huwelijkse voorwaarden van uit ging dat de vrouw vanaf de huwelijksdatum eigenaar zou zijn van het appartementencomplex in Thailand. Ik ging ervan uit dat het huis van haar was, maar dat het zolang wij bij elkaar zouden zijn van ons gezamenlijk was. Bij een eventuele echtscheiding zou zij het appartementencomplex hebben en ik zou mijn geld krijgen. Ik ga er nu bij de afwikkeling van de echtscheiding dan ook vanuit dat de vrouw eigenaar is van het huis in Thailand.

Op vragen van mr. Appelo antwoord ik:

Zoals ik reeds eerder heb verklaard, ben ik nooit vanuit gegaan dat ik ten behoeve van het project geld heb geleend aan de vader van de vrouw. De ouders van de vrouw kunnen nooit gedacht hebben dat ik het geld aan hen zou hebben geschonken. Het was immers een project dat de vrouw en ik samen zouden aangaan.

De bedragen die ik telkens contant meenam naar Thailand waren afkomstig van mijn bankrekening en van opnames (kasgelden) uit mijn eigen bedrijf. Die opnames werden door mijn boekhouder bijgehouden. De jaarstukken uit die periode heb ik, omdat het al zo lange tijd geleden is, inmiddels vernietigd.

De vrouw heeft mij ooit wel het eigendomsbewijs van de grond waarop wij bouwden laten zien, maar die was in het Thais opgesteld en ik heb dus niet kunnen lezen wat daarin stond vermeld.

De vrouw en ik zijn op 8 juli 1999 bij de notaris geweest om de huwelijkse voorwaarden op te maken. Ik ben voordien nooit zonder de vrouw bij de notaris geweest om met hem te spreken over de huwelijkse voorwaarden. Ik kan mij niet meer herinneren of ik nog stukken aan de notaris heb gestuurd. Dat weet ik echt niet meer. Het bewuste bedrag van

Fl. 136.025,10 heb ik de notaris genoemd.

De vrouw en ik waren van plan om ons in de toekomst in Thailand te vestigen. Het is niet zo dat in 2002 een beslissing is gevallen om al dan niet naar Thailand te gaan. De laatste keer dat ik bij de familie van de vrouw in Thailand ben geweest, was in april van het jaar dat de vader van de vrouw is overleden, volgens mij was dat in 2006.

De relatie tussen de vrouw en mij is ten einde geraakt in 2003/2004. Toen begon het te haperen. We kregen toen onenigheid over de investering die ik had gepleegd en over het feit dat er maar niets uit kwam.

Op vragen van mr. Van Buiten antwoord ik:

Ik beheers de Thaise taal niet. Ik spreek slechts een paar woordjes. De communicatie met de familie van de vrouw, en ook overigens alle communicatie in Thailand, verliep in het Engels. De vader van de vrouw sprak een paar woordjes Engels. De communicatie in Thailand verliep voornamelijk via de vrouw, in het begin in het Engels en later, vanaf eind 1995 in het Nederlands.

Ik ging ervan uit dat de vrouw en ik, zolang wij getrouwd waren samen eigenaar zouden zijn van het appartementencomplex in Thailand. Een begrip als ‘juridische eigendom’ speelde daarbij voor mij niet. Ik ging ervan uit dat het project van ons samen was en dat na het eventueel beëindigen van de relatie het complex van de vrouw zou zijn en zij mij het geïnvesteerde geld verschuldigd zou zijn.’

2.3. Naar het oordeel van het hof is de vrouw niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs. De vrouw heeft slechts de man als getuige doen horen en uit hetgeen hij heeft verklaard kan niet worden afgeleid dat de vrouw geen afspraken met de man heeft gemaakt waaruit zijn vordering, zoals vermeld in de staat van aanbrengsten, voortvloeit. Weliswaar heeft de man verklaard dat hij er nooit van uit is gegaan dat hij ten behoeve van het project geld heeft geleend aan de vader van de vrouw en dat de ouders van de vrouw nooit kunnen hebben gedacht dat hij het geld aan hen zou hebben geschonken - hetgeen in zoverre afwijkt van het eerder door hem niet bestreden, en door het hof in de tussenbeschikking als uitgangspunt genomen, standpunt van de vrouw - maar de verklaring neemt niet weg dat de man gelden heeft geïnvesteerd in het appartementencomplex en dat partijen, voorafgaand aan het opmaken van de huwelijkse voorwaarden, met elkaar afspraken hebben gemaakt over hetgeen de vrouw aan de man uit dien hoofde verschuldigd zou zijn.

Uit de door de vrouw bij brief van 17 augustus 2010 overgelegde akte van eigendom van 20 december 2004 valt niet op te maken of het gaat om het perceel waarop het appartementencomplex is gebouwd en evenmin kan op grond van die akte worden vastgesteld dat de vrouw op het moment dat de huwelijkse voorwaarden zijn opgemaakt geen eigenaar was van dat perceel.

De vordering van de man op de vrouw staat vast en het is de man toegestaan hetgeen hij uit hoofde van de verrekenplicht huwelijkse voorwaarden aan de vrouw verschuldigd is, te verrekenen met deze vordering op de vrouw.

2.4. De vrouw heeft verzocht te bepalen, wegens gewichtige redenen, dat de in de staat van aanbrengsten vermelde vordering van de man op haar zonder rente, althans met een rente die naar het oordeel van het hof past bij de omstandigheden van de vrouw, dient te worden betaald in door het hof nader aan te geven termijnen, te verdelen over een periode van 12 jaren, dan wel een nader door het hof te bepalen periode. De vrouw voert aan dat die gewichtige redenen daaruit bestaan dat zij in de totstandkoming van die vordering geen enkele zeggenschap heeft gehad omdat zij daarover niet werd geïnformeerd en daarover geen enkele zeggenschap had en voorts omdat rekening moet worden gehouden met haar financiële omstandigheden, zoals die blijken uit de processtukken.

De man heeft zich tegen toewijzing van het verzoek van de vrouw verzet. Mocht betaling in termijnen worden toegestaan, dan dient volgens de man in ieder geval zekerheid te worden gesteld voor de voldoening van de verschuldigde geldsom.

2.5. Het verzoek van de vrouw, dat kennelijk is gebaseerd op art. 1:140, eerste lid BW, is niet toewijsbaar. Het betreft hier immers geen verrekeningsvordering als bedoeld in die bepaling, maar een buiten de verrekening vallende vordering van de man op de vrouw, die als aanbrengst ten huwelijk staat vermeld op de staat van aanbrengsten. Deze omstandigheid brengt tevens mee dat het hof er in het kader van de onderhavige procedure mee moet volstaan te bepalen dat de man de verrekeningsvordering van de vrouw mag verrekenen met zijn vordering op de vrouw van fl. 136.025,10 (€ 61.725,50) waarvan gesteld noch gebleken is dat deze thans (nog) niet opeisbaar zou zijn.

2.6. Gezien de aard en de uitkomst van de procedure, is er geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van dit geding, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

2.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Het hof:

In incidenteel hoger beroep (zaaknummer 200.062.173/01):

beslist in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen als volgt:

bepaalt dat ieder van partijen de eigen kleding, sieraden en lijfsgoederen ontvangt;

bepaalt dat aan de man zullen worden toegescheiden de rechten en plichten uit de huurovereenkomst (voormalige echtelijke woning), alsmede de auto, het saldo van de bankrekeningen en de inboedel, waarvan de totale waarde wordt begroot op een bedrag van € 9.000,- (NEGENDUIZEND EURO);

bepaalt dat de man met betrekking tot deze vermogensbestanddelen aan de vrouw dient te betalen een bedrag van

€ 4.500,- (VIERDUIZEND VIJFHONDERD EURO) ter zake van verrekening en dat het de man is toegestaan dit bedrag te verrekenen met zijn vordering op de vrouw ter grootte van € 61.725,50 (EENENZESTIGDUIZEND ZEVENHONDERD VIJFENTWINTIG EURO EN VIJFTIG EUROCENT);

bepaalt dat alle baten en lasten, opgekomen na 31 december 2006, worden toegedeeld aan, respectievelijk voor rekening komen van, degene die ze betreffen;

en voorts in principaal en incidenteel hoger beroep:

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.N. van de Beek, G.J. Driessen-Poortvliet en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2011.