Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ0198

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-03-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
200.082.862-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wraking; Toepasselijkheid art. 512 Sv ev in beklagzaken. Vasthouden aan gepubliceerd beleid omtrent het buiten elkaars aanwezigheid horen van klager en beklaagde(n) wekt geen schijn van vooringenomenheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

WRAKINGSKAMER

Beslissing

op het verzoek van:

[VERZOEKER]

wonend te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. H.G. Kersting te Amsterdam.

1. Procesverloop

Op 25 februari 2011 is een schriftelijk verzoek tot wraking binnengekomen bij dit hof. Het verzoek is gericht tegen mr. [A], voorzitter en mrs. [B] en [C], leden van de meervoudige kamer (hierna ook “de beklagkamer”) belast met de behandeling van zaken op de voet van artikel 12 Wetboek van Strafvordering (Sv). Het wrakingsverzoek ziet op de gang van zaken in raadkamer op 25 februari 2011 bij de mondelinge behandeling van de zaak van [verzoeker]

(hierna: verzoeker) met klachtnummer K10/0311. Van die behandeling in raadkamer is een proces-verbaal opgemaakt, dat deel uitmaakt van de stukken waarover de wrakingskamer beschikt.

De betrokken raadsheren hebben meegedeeld niet in de wraking te berusten. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 25 maart 2011 te 15.00 uur.

2. De ontvankelijkheid van verzoeker.

2.1 Ingevolge artikel 512 Sv kan op verzoek van een verdachte of het openbaar ministerie een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt. De klager in een artikel 12 Sv-procedure – verzoeker is een zodanige klager - wordt in artikel 512 Sv niet genoemd. Aan de orde is daarom allereerst de vraag of verzoeker in zijn verzoek tot wraking kan worden ontvangen.

2. 2. Het hof neemt bij de beantwoording van deze vraag tot uitgangspunt dat onpartijdigheid van een rechter een zo fundamenteel rechtsbeginsel is dat het tot uitdrukking dient te komen en erkenning verdient in iedere vorm van rechtspraak. Een ieder die meent dat dit beginsel, door een rechter belast met de beoordeling van zijn belangen, wordt geschonden of zal worden geschonden en uit dien hoofde de rechter wraakt, behoort in beginsel gehoor te vinden. Wanneer een geldende wettelijke regeling ontbreekt of wanneer die hiaten vertoont, dient de rechter die het wrakingsverzoek te beoordelen krijgt daarin te voorzien. Daartoe kan aansluiting worden gezocht bij bestaande regelingen.

2.3. Op deze grond is het hof van oordeel dat de klager in een artikel 12 Sv-procedure de raadsheren belast met de behandeling van zijn klacht in beginsel kan wraken. Voor de procedureregels wordt aansluiting gevonden bij die van de artikelen 512 e.v. Sv.

2.4 Verzoeker kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.

3. Verzoek

3.1 De achtergrond van de zaak is - verkort weergeven - als volgt.

De klacht ex artikel 12 Sv. betreft de niet-vervolging van vier politieagenten, hierna aan te duiden als “de beklaagden”. Tijdens de behandeling van die klacht op 25 februari 2011 is

door de voorzitter meegedeeld dat het horen van de beklaagden buiten aanwezigheid van verzoeker en diens raadsman zou plaatsvinden en dat het definitieve standpunt van de advocaat-generaal zou worden opgenomen in de beslissing van de beklagkamer. Verzoeker heeft aangegeven het met die gang van zaken niet eens te zijn. Vervolgens heeft zijn advocaat de zittingszaal verlaten en direct daarna het schriftelijke wrakingsverzoek ingediend.

3.2 Uit het wrakingsverzoek en de daarop door verzoeker gegeven mondelinge toelichting blijkt dat verzoeker meent dat hem door de hierboven omschreven gang van zaken de mogelijkheid wordt ontnomen aanwezig te zijn bij het horen van de beklaagden, alsmede om kennis te nemen van het standpunt van de advocaat-generaal en daarop te reageren, hetgeen hij in strijd acht met artikel 6 EVRM. Voorts meent verzoeker dat door deze beslissing van het hof de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.3 Namens de drie gewraakte raadsheren heeft mr.[A] – kort samengevat - verklaard dat verzoeker noch op voorhand, noch tijdens de zitting heeft verzocht om aanwezig te kunnen zijn bij het horen van de beklaagden. De gang van zaken is voorts geweest zoals bij de beklagkamer van het hof gebruikelijk is, en in lijn met hetgeen het Amsterdamse hof daaromtrent in december 2008 in het Amsterdams Balie Bulletin heeft doen publiceren. Daarnaast heeft mr.[A] ter zitting nog naar voren gebracht dat het mogelijk is om op grond van bijzondere omstandigheden van het hiervoor weergegeven beleid af te wijken.

Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op procedures ex artikel 12 Sv. Strijd met het beginsel van recht op hoor en wederhoor is er volgens mr. [A] evenmin, verzoeker heeft alle gelegenheid gehad om zijn standpunt kenbaar te maken, ook met betrekking tot het standpunt van het Openbaar Ministerie. Omdat de beklagprocedure geen strafzaak is bestaat er ook niet zoiets als “het laatste woord” en is het niet aan de klager nog eens te reageren op het definitieve standpunt van het OM.

3.4 De advocaat-generaal mr. [M] heeft ter zitting van de wrakingskamer onder meer opgemerkt dat verzoeker zijns inziens geen concreet verzoek heeft gedaan tot het bijwonen van het horen van beklaagden of het formuleren van het definitieve standpunt van de advocaat-generaal. Hij meent dat gehandeld is op basis van vast beleid en dat handhaving daarvan in het algemeen, noch in dit bijzondere geval blijk geeft van vooringenomenheid. De advocaat generaal meent dat het verzoek om deze redenen moet worden afgewezen.

4. Beoordeling van het verzoek

4.1 Op grond van artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) kan op verzoek van een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2 Artikel 513 Sv lid 2 bepaalt dat het verzoek schriftelijk en gemotiveerd geschiedt en dat het tijdens de terechtzitting ook mondeling kan geschieden.

4.3 Het hof neemt tot uitgangspunt dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

4.5 Onomstreden is dat de beklagkamer heeft gehandeld overeenkomstig gevestigd en bekendgemaakt beleid, inhoudende dat klager en beklaagden afzonderlijk en buiten elkaars aanwezigheid worden gehoord. Mede gelet op de aard van de beklagprocedure, waarop – anders dan de raadsman aanvoert - artikel 6 EVRM niet van toepassing is (zie EHRM 15-05-2007, LJN BA8982), kan niet worden volgehouden dat het enkele vasthouden aan dit beleid de schijn van vooringenomenheid wekt.

Het beleid sluit niet uit dat daarvan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. Niet gebleken is echter dat verzoeker ten overstaan van de beklagkamer bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd. Hij heeft dat ook niet gedaan tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek. De toepassing van het beleid in het onderhavige geval getuigt derhalve ook niet van de schijn van vooringenomenheid.

De omstandigheid dat het hof verzoeker niet de gelegenheid wil geven het eindstandpunt van de advocaat-generaal te vernemen voordat de beslissing op de klacht wordt genomen, kan evenmin tot de conclusie leiden dat verzoeker een gerechtvaardigde vrees heeft voor vooringenomenheid van de beklagkamer, reeds omdat de advocaat-generaal al (voorlopig) tot een afwijzend oordeel had geconcludeerd en verzoeker daarop heeft kunnen reageren.

4.6 Uit het voorgaande volgt dat het verzoek ongegrond zal worden verklaard.

5. Beslissing

Het hof:

- verklaart het verzoek tot wraking ongegrond,

Deze beslissing is gegeven door mrs. J. Wortel, R.P.P. Hoekstra en C. Uriot en in tegenwoordigheid van mr. S.M.C. Vleugel als griffier en in het openbaar uitgesproken op

31 maart 2011.