Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP9695

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-01-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
200.069.948-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BN9656, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Houderschap van toonderaandelen niet aannemelijk gemaakt. Stelling dat geen ander zich als rechthebbende heeft gemeld is ten opzichte van alle feiten en omstandigheden, onvoldoende.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 86
Burgerlijk Wetboek Boek 2 86d
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2011/407
JIN 2011/348
JOR 2011/139 met annotatie van mr. drs. C.J. Groffen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, te Blijswijk,

t e g e n

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHTSE HEUVELRUG,

zetelend te Doorn,

2. [GEÏNTIMEERDE 2],

wonend te Amsterdam,

VERWEERSTERS,

advocaat: mr. W.F. Hendriksen, te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] en verweerders de gemeente en [geïntimeerde 2] genoemd.

[appellant] is bij beroepschrift met producties, dat op 9 juli 2010 ter griffie van het hof is ingekomen, in hoger beroep gekomen van een beschikking die de rechtbank te Amsterdam onder zaak/rekestnummer 417403/ HA RK 09-17 op 22 april 2010 heeft gegeven. Het beroepschrift strekt ertoe dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en opnieuw recht doende, de gemeente en [geïntimeerde 2] niet ontvankelijk zal verklaren in het door hen ingestelde verzet dan wel het verzet ongegrond zal verklaren.

Op 13 oktober 2010 is ter griffie van het hof een verweerschrift van de gemeente en [geïntimeerde 2] ingekomen. Zij verzoeken het hof daarin om [appellant] niet ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang althans het beroep te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Op 28 oktober 2010 heeft de mondelinge behandeling van het hoger beroep plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft mr. Maliepaard voornoemd, aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen, namens [appellant] het woord gevoerd en mr. L.W. Leedekerken, advocaat te Amsterdam, namens de gemeente en [geïntimeerde 2].

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en meegedeeld dat uitspraak in beide zaken zal volgen.

2. De beoordeling

Bronwaterleiding Doorn

2.1. De aandelen in het kapitaal van N.V. Bronwaterleiding “Doorn” (hierna: Bronwaterleiding Doorn) luidden eertijds aan toonder. Een toonderaandeel bestaat uit een mantel en een dividendblad. Een dividendblad bestaat uit een talon en een aantal dividendbewijzen.

2.2. Bij wijziging van de statuten van Bronwaterleiding Doorn van 17 januari 2002 zijn de aandelen aan toonder op naam gesteld.

2.3. [geïntimeerde 2] heeft op 18 april 2002 onder meer toonderaandeel nummer 32 bij Bronwaterleiding Doorn ingeleverd.

2.4. Op 4 oktober 2002 heeft BGL S.A. (hierna: de Luxemburgse bank), gevestigd te Luxemburg (Luxemburg), aan Bronwaterleiding Doorn geschreven:

Een klant heeft bij ons deponeerd:

165 Bronwaterleiding “doorn” aandelen (mantels) zonder talon voor omwisseling in nieuwe aandelen.

Hij zal ons bevestigen dat hij de talons van deze aandelen verloren heeft.

Kunnen wij U deze oude aandelen opsturen en in welk adres.

Gelieve ons meetedelen of nieuwe aandelen fisiek leverbar zijn.

De Luxemburgse bank heeft daarbij een kopie van toonderaandeel nummer 1 meegezonden.

De bedoelde 165 toonderaandelen zijn niet bij Bronwaterleiding Doorn ingeleverd.

[appellant]

2.5. Op 11 maart 2008 heeft [zoon van appellant] (hierna: de zoon van [appellant]) namens [appellant] bij de politie aangifte gedaan van vermissing van 185 mantels behorende bij 185 aandelen aan toonder in het kapitaal van Bronwaterleiding Doorn, waaronder toonderaandelen nummers 1, 18, 19, 32, 33, 34, 35, 43, 59, 106, 109, 110, 138, 166, 199, 201, 202, 203, 369, 370, 371 en 372.

2.6. Op 19 mei 2008 heeft Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer B.V. (hierna: Euroclear Nederland), voorzover hier van belang, met betrekking tot dezelfde (mantels van) toonderaandelen aan de zoon van [appellant] geschreven:

Hierbij delen wij u mede uw verzoek tot opname te hebben verwerkt in de lijst van gestolen en vermiste effecten onder dossiernummer 1623.

De bij die brief gevoegde voorwaarden luiden, voorzover hier van belang:

Euroclear Nederland houdt een lijst bij welke van oudsher bekend staat als de ‘Verzamellijst van door de politie uitgegeven recherchelijsten betreffende gestolen en verloren effecten’ en welke ook bekend staat als de zogenaamde RIS-lijst. De RIS-lijst heeft tot doel registraties van gestolen en verloren fysieke toondereffecten (…), voor zover mogelijk, centraal te administreren. Euroclear Nederland probeert met het opstellen van de RIS-lijst, in het belang van de markt, een bijdrage te leveren aan de integriteit van het (girale) effectenverkeer.

(…)

1. Aanleveren informatie

(…)

Een aanmelding wordt alleen in behandeling genomen wanneer deze vergezeld gaat van een door de politie opgemaakt Proces-Verbaal (…). De Aanmelder is verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de inhoud van de Meldingen. Euroclear Nederland doet verder geen onderzoek naar de juistheid van de aangeleverde gegevens.

(…)

4. Openbaarmaking

Euronext Amsterdam N.V. zal de RIS-lijst periodiek verspreiden door middel van publicatie in de Officiële Prijscourant (…).

[appellant] en Bronwaterleiding Doorn

2.7. De statuten van Bronwaterleiding Doorn voorzien niet in een regeling ter vervanging van verloren gegane aandeelbewijzen.

2.8. Op 17 maart 2008 heeft de zoon van [appellant], voorzover hier van belang, aan Bronwaterleiding Doorn geschreven:

Vriendelijk verzoek ik u conform artikel 2:86d BW duplicaten te verstrekken van de vermiste aandeelbewijzen volgens de bijgevoegde aangifte.

2.9. Op 27 maart 2008 heeft de zoon van [appellant], voor zover hier van belang, aan Bronwaterleiding Doorn geschreven:

Door middel van de talons behorende bij de toonderbewijzen kan ik aantonen rechthebbende te zijn van de toonderbewijzen en het daarmee belichaamde recht van aandeelhouderschap. Bij deze stuur ik u kopieën van deze talons.

Zoals tevens in het process verbaal van vermissing is opgetekend is [appellant], rechthebbende en derhalve benadeelde partij in deze vermissing.

Over de identiteit van de vervreemdende partij en het precieze tijdstip van de koop/verkoop is mij weinig bekend. [zoon van appellant], heeft de toonderbewijzen circa tien jaar geleden aangekocht.

In januari 2008, bij de voorbereiding op onze bedrijfsverhuizing, zijn slechts de talons herontdekt, de toonderbewijzen zijn tot op heden niet gevonden, vanwaar ik aangifte heb gedaan van vermissing.

Bij die brief zijn kopieën van onder meer talons (en 70e dividendbewijzen) nummers 1, 18, 19, 33, 34, 35, 43, 59, 106, 109, 110, 138, 166, 199, 201, 202, 203, 369, 370, 371 en 372 gevoegd.

2.10. Op 11 juni 2008 heeft de zoon van [appellant], voor zover hier van belang, aan Bronwaterleiding Doorn geschreven:

Het staat mijn vader niet meer bij van wie deze aandelen destijds in eigendom verworven zijn. Aangezien mijn vader in Rotterdam en omgeving bekend staat als zeer vermogend, is het regelmatig voorgekomen dat hem allerhande zakelijke aanbiedingen gedaan werden. De periode waarin deze aandelen verworven zijn, heeft hij regelmatig dit soort incidentele transacties verricht. Het staat hem nog wel bij dat de aandelen op het moment van verwerving geen aanzienlijke waarde vertegenwoordigden. Hieruit laat zich dan ook verklaren dat jarenlang geen aandacht besteed is aan deze waardepapieren. Eerst bij de verhuizing begin dit jaar zijn deze onder mijn aandacht gekomen.

Mijn vader heeft de mantels altijd gescheiden bewaard van de dividendbewijzen en talons, waarmee zich verklaren laat waarom slechts een deel van de stukken verdwenen is. Op welke wijze, wanneer en door wie deze ontvreemding plaatsgevonden heeft, is niet duidelijk. Van belang is echter dát de stukken verdwenen zijn zonder dat mijn vader deze aan iemand overgedragen heeft. Ik mag aannemen dat u niet de bedoeling heeft de juistheid van mijn vaders verklaringen in twijfel te trekken.

Overigens, het feit dat gedurende de afgelopen tien jaar zich niemand bij uw cliënte gemeld heeft met het verzoek duplicaten van de dividendbewijzen te verstrekken dan wel anderszins aanspraak gemaakt heeft op de aan het bezit verbonden rechten, maakt het al volstrekt onaannemelijk dat deze stukken in handen van een rechthebbenden derde zijn. Er is hier evident slechts één rechthebbende, en dat is mijn vader. Van de door u geponeerde onduidelijk is dan ook geen sprake.

2.11. Op 21 juli 2008 heeft de zoon van [appellant], voor zover hier van belang, aan Bronwaterleiding Doorn geschreven:

Inmiddels heb ik de identiteit van degene in 1999 de aandelen aan mijn vader geleverd heeft, kunnen achterhalen. Dit betreft [X], thans wonende te [plaats] aan de [adres].

Recentelijk heeft deze persoon een en ander aan mij bevestigd. Overigens, volgens [X] moet het uw cliënte vanaf het moment van mijn eerste verzoek zeer wel bekend zijn geweest van welke stakeholder een aandelenbelang van deze omvang oorspronkelijk afkomstig was, aangezien alleen een zekere heer [Y] hierover kon beschikken. Dit is dan ook de persoon waarvan [X] de aandelen destijds overgenomen heeft. Het verbaast mij dat u in uw correspondentie hierover niets naar voren heeft gebracht, aangezien een en ander blijkbaar bekend had moeten zijn.

2.12. Op 15 september 2008 heeft Bronwaterleiding Doorn, voor zover hier van belang, aan de zoon van [appellant] geschreven:

Sinds dit voorjaar corresponderen wij over de door u(w vader) gewenste verstrekking van duplicaten van toonderaandelen in cliënte. De correspondentie aan uw zijde vat ik als volgt samen.

(…)

Onder deze omstandigheden is niet voldaan aan het bepaalde in art. 2:86d BW en heb ik cliënte geadviseerd geen duplicaten aan u(w vader) te verstrekken.

[Y]

2.13. De onderhavige 185 toonderaandelen werden in ieder geval tot 30 juni 1999 gehouden door [Y] (hierna: [Y]).

2.14. [Y] was eertijds statutair bestuurder van Bronwaterleiding Doorn. Naar aanleiding van door hem ten nadele van Bronwaterleiding Doorn gepleegde fraude is hij op 19 juni 2000 door de raad van commissarissen van Bronwaterleiding Doorn geschorst en is hij op 7 juli 2000 door de algemene vergadering van aandeelhouders van Bronwaterleiding Doorn ontslagen, alles met onmiddellijke ingang. [Y] is ter zake van de fraude strafrechtelijk veroordeeld. Eveneens ter zake van de fraude is [Y] bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 26 maart 2003 veroordeeld tot betaling aan Bronwaterleiding Doorn van EUR 1.367.717,85 uit hoofde van onverschuldigde betaling en EUR 4.288.205,52 bij wijze van voorschot op de schadevergoeding, alles met wettelijke rente. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 februari 2005 is het door [Y] tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep verworpen. [Y] heeft de vermelde bedragen niet, althans niet volledig, aan Bronwaterleiding Doorn betaald.

2.15. Op 8 februari 2007 heeft Bronwaterleiding Doorn ten laste van [Y] beslag doen leggen onder de Luxemburgse bank. Dat beslag omvat mede de inhoud van een door [Y] bij de Luxemburgse bank aangehouden kluis.

[X]

2.16. Een ondertekende verklaring van [X] (hierna: [X]), gedateerd 18 september 2008, luidt:

Hierbij verklaar ik, [X], met paspoortnummer [nummer], wonende te [plaats] aan de [adres], het volgende:

In of rondom 1999 heb ik van [Y] een pakket aandelen aan toonder van Bronwaterleiding Doorn overgenomen. Deze heb ik daarna doorverkocht aan [appellant].

[plaats], 18 september 2008

Bijlage: kopie paspoort.

Kort geding

2.17. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 28 november 2008, in kort geding gewezen in de zaak tussen [appellant] als eiser en Bronwaterleiding Doorn als gedaagde, is Bronwaterleiding Doorn, voor zover hier van belang, veroordeeld om binnen 72 uur na betekening van dat vonnis de aanvraag van [appellant] tot het verstrekken van duplicaten van de mantels behorende bij de 185 talons zoals weergegeven in een in die zaak door [appellant] in het geding gebrachte productie te publiceren op de in artikel 2:86d lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde wijze. Bij dat vonnis is Bronwaterleiding Doorn, voor zover hier van belang, tevens veroordeeld om binnen tien dagen nadat is komen vast te staan dat er niet tijdig verzet is ingesteld tegen de aanvraag van [appellant] of is komen vast te staan dat een verzet tegen die aanvraag bij onherroepelijk geworden uitspraak ongegrond is verklaard, aan [appellant] duplicaten van de bedoelde mantels te verstrekken.

2.18. Bronwaterleiding Doorn heeft in de [krant] van 6 december 2008 de volgende mededeling gepubliceerd:

Conform het bepaalde in artikel 2:86d lid 3 BW publiceert de naamloze vennootschap Bronwaterleiding “Doorn” N.V. te Doorn hierbij de door haar ontvangen aanvraag van [appellant], wonende te [plaats], tot het aan hem verstrekken van 185 duplicaten van verloren gegane aandeelbewijzen. Iedere belanghebbende kan binnen zes weken vanaf de dag na deze publicatie door een verzoekschrift aan de rechtbank in verzet komen tegen de verstrekking van de door de heer [appellant] gewenste duplicaten.

De gemeente en [geïntimeerde 2]

2.19. De gemeente houdt 54 gewone aandelen op naam en 2 prioriteitsaandelen op naam in het kapitaal van Bronwaterleiding Doorn.

2.20. [geïntimeerde 2] houdt 19 (gewone) aandelen op naam in het kapitaal van Bronwaterleiding Doorn.

[Y]

2.21. Een ondertekende verklaring van [Y], gedateerd 15 mei 2009, luidt als volgt:

Van de [X], wonende te [plaats], heb ik vernomen dat er een procedure loopt tegen de Bronwaterleiding Doorn N.V. over een aandelenpakket dat van mij afkomstig is. In verband hiermee is mij verzocht enkele vragen te beantwoorden. Hoewel ik normaal gesproken geen behoefte heb mijn medewerking aan dit soort zaken te verlenen, maak ik in dit geval met genoegen een uitzondering.

De vraag of ik mijn aandeelbewijzen met dividendbewijzen Bronwaterleiding verkocht heb aan de heer [X] kan ik bevestigend beantwoorden. Ik meen dat ik destijds 218 aandeelbewijzen in mijn bezit had. Wanneer precies [X] eigenaar is geworden, is moeilijk te achterhalen omdat de heer [X] destijds al enige tijd het grootste gedeelte van het pakket voor mij onder zich hield en op een bepaald moment afgesproken is dat hij deze mocht verrekenen. Dit zal ergens in 1999 of 2000 geweest zijn.

Ik begreep van [X] dat de Bronwaterleiding nu stelt dat dit pakket destijds een waarde vertegenwoordigde van miljoenen guldens. Dit is een merkwaardige stelling omdat de Bronwaterleiding wel beter weet. Het pakket vertegenwoordigde destijds nauwelijks enige waarde. Door Waterleidingbedrijf Midden-Nederland (WMN) is destijds een bod gedaan van één gulden op de aandelen. De Bronwaterleiding zelf heeft nog in 2005 van de Belastingdienst een achttal uit mijn boedel afkomstige aandeelbewijzen aangekocht voor een prijs van € 227,00 per aandeel. De belastingdienst heeft de waarde vastgesteld op nihil. Ik zal aan deze verklaring een brief d.d. 3 november 2005 hechten van de Belastingdienst inzake deze verkoop.

Er is inderdaad beslag gelegd op de inhoud van een kluis in Luxemburg welke op mijn naam geregistreerd staat. De Bronwaterleiding zou zich in deze procedure op het standpunt stellen dat zich in de kluis mogelijk toonderaandelen Bronwaterleiding bevinden. Helaas moet ik de Bronwaterleiding teleurstellen. Voor zover mij bekend, ligt in die kluis hoogstens een postzegelverzameling. Ik begrijp overigens niet waarom zo lang gewacht wordt met het openen van deze kluis. De inhoud had dan allang bekend kunnen zijn.

Evenmin heb ik een Luxemburgse bank aandelen laten aanmelden bij de Bronwaterleiding.

2.22. Een door een Luxemburgse gerechtsdeurwaarder opgemaakt proces-verbaal, gedateerd 28 juli 2009, betreffende de inhoud van de door [Y] bij de Luxemburgse bank aangehouden kluis luidt, voor zover hier van belang:

Ledit coffre a été ouvert par un employé de la banque et j’ai constaté la présence de:

(…)

20 actions au porteur de 500 florins de la société Naamlooze Vennootschap Bronwaterleiding Doorn numérotées: 18, 19, 33, 34, 35, 43, 59, 106, 109, 110, 138, 166, 199, 201, 202, 203, 369, 370, 371, 372.

3. De gemeente en [geïntimeerde 2] hebben bij inleidend verzoek de rechtbank te Amsterdam verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad, hun verzet tegen de door [appellant] verzochte verstrekking van duplicaten gegrond te verklaren. Na door [appellant] gevoerd verweer heeft de rechtbank in de bestreden beschikking het verzet van de gemeente en [geïntimeerde 2] gegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe – kort samengevat - overwogen dat de gemeente en [geïntimeerde 2] dienen te worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 2:86d lid 4 BW en dat [appellant] zijn stelling dat hij aandeelhouder is onvoldoende heeft toegelicht althans heeft onderbouwd. Tegen deze beslissing en de gronden waarop deze berust is [appellant] in hoger beroep gekomen.

4. Het hof ziet aanleiding eerst het meest verstrekkende verweer van de gemeente en [geïntimeerde 2] te behandelen welke ziet op de niet-ontvankelijkheid van [appellant] wegens het ontbreken van een rechtens te respecteren belang bij het hoger beroep. De gemeente en [geïntimeerde 2] voeren hiervoor het volgende aan. In de kortgedingprocedure tussen [appellant] en Bronwaterleiding Doorn heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 28 november 2008 geoordeeld dat:

(I) Bronwaterleiding Doorn de aanvraag van [appellant] tot het verstrekken van duplicaten van de mantels behorende bij de 185 talons dient te publiceren op de in artikel 2:86d lid 3 BW bedoelde wijze, alsmede dat

(II) Bronwaterleiding Doorn binnen tien dagen nadat is komen vast te staan dat er niet tijdig verzet is ingesteld tegen de aanvraag van [appellant] of is komen vast te staan dat een verzet tegen die aanvraag bij onherroepelijk geworden uitspraak ongegrond is verklaard, aan [appellant] duplicaten van de bedoelde mantels dient te verstrekken.

Bronwaterleiding Doorn heeft de aanvraag tijdig – op 6 december 2008 - gepubliceerd en vervolgens op 22 december 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van 28 november 2008. Bij arrest van 6 oktober 2009 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis vernietigd en de vorderingen van [appellant] alsnog afgewezen. [appellant] heeft tegen die beslissing geen cassatie ingesteld. Gelet op deze stand van zaken wijzen de gemeente en [geïntimeerde 2] erop dat zelfs indien het verzet van de gemeente en [geïntimeerde 2] in hoger beroep ongegrond zou worden verklaard, dat geen enkel rechtsgevolg heeft. Ook in dat geval zal immers geen verplichting bestaan voor Bronwaterleiding Doorn tot het verstrekken van de duplicaten en zal [appellant] niet over een titel beschikken die kan leiden tot afgifte van de duplicaten. De juridische positie van [appellant], de aandeelhouders alsmede Bronwaterleiding zal ongewijzigd blijven. Aldus de gemeente en [geïntimeerde 2].

5. Het hof oordeelt als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 2:86d lid 5 BW wordt, indien niet tijdig verzet is ingesteld of indien een verzet bij onherroepelijk geworden uitspraak ongegrond is verklaard, het duplicaat verstrekt. De uitkomst van de tussen [appellant] en Bronwaterleiding gevoerde kortgedingprocedure kan naar het oordeel van het hof dan ook niet leiden tot de conclusie dat [appellant] enig belang ontbeert in deze procedure tussen de gemeente en [geïntimeerde 2]. Immers, indien het verzet van de gemeente en [geïntimeerde 2] bij onherroepelijk geworden uitspraak ongegrond wordt verklaard, bepaalt artikel 2:86d lid 5 BW dat de duplicaten zullen moeten worden verstrekt. Evenmin kan gezegd worden dat [appellant] geen belang meer toekomt bij de uitkomst van deze procedure nu zowel een voor [appellant] negatieve als een positieve uitkomst invloed kan hebben op zijn rechtspositie. Het hof acht het belang van [appellant] bij zijn vordering voldoende om hem te ontvangen in het hoger beroep.

6. De verdere beoordeling

6.1. Met grief 1 richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de gemeente en [geïntimeerde 2] als belanghebbenden zijn aan te merken in de zin van artikel 2:86 lid 4 BW. Als grondslag voor deze grief heeft [appellant] aangevoerd dat de mogelijkheid om verzet in te stellen, na een publicatie van een aanvraag om verloren gegane aandeelbewijzen, slechts is bedoeld voor derden die menen zelf rechthebbende te zijn van de aandelen waarvan om duplicaten is verzocht. [appellant] wijst hiervoor naar de Memorie van Toelichting bij het artikel. Voorts wijst hij erop dat aandelen aan toonder vrij overdraagbaar zijn. Dit impliceert volgens hem dat de vennootschap noch andere aandeelhouders invloed kunnen en mogen uitoefenen op wie er aandeelhouder is of wordt. De systematiek van artikel 2:86d BW is erop gericht dat indien zich na publicatie niemand meldt die rechthebbende claimt te zijn de vennootschap de aandelen dient te verstrekken, aldus steeds [appellant].

6.2. Voor beantwoording van de vraag of de gemeente en [geïntimeerde 2] als belanghebbende kunnen worden aangemerkt neemt het hof het volgende als uitgangspunt. Artikel 86d lid 4 BW bepaalt dat na publicatie iedere belanghebbende door het indienen van een verzoekschrift aan de rechtbank in verzet kan komen tegen de verstrekking van de duplicaten. De Memorie van Toelichting vermeldt bij dit artikel dat derden die het origineel of delen van het aandeelbewijs bezitten op deze wijze in de gelegenheid worden gesteld voor hun rechten op te komen. Anders dan [appellant] leest het hof in de wettekst noch in de Memorie van Toelichting een door hem voorgestane beperking van de kring van belanghebbenden tot derden die menen zelf rechthebbende te zijn van de aandelen waarvan om duplicaten is verzocht.

6.3. Voorts wijst het hof erop dat op het aantekenen van verzet tegen verstrekking van duplicaten de artikelen 261 Rv e.v. inzake verzoekschriftprocedures van toepassing zijn. In het licht daarvan dient het begrip “iedere belanghebbende” in artikel 2:86d lid 4 BW, dan ook aansluiting te vinden bij het begrip belanghebbende zoals gebezigd in de wettelijke regeling van de verzoekschriftprocedure. Nu de verzoekschriftprocedure aan het begrip “belanghebbende” een ruime uitleg geeft, ziet het hof ook geen grond om aan te nemen dat wetgever de kring van belanghebbende in artikel 86d lid 4 BW heeft willen beperken in de door [appellant] voorgestelde zin.

6.4. [appellant] heeft nog tegengeworpen dat aandelen aan toonder vrij overdraagbaar zijn waardoor de vennootschap noch de aandeelhouders invloed hebben op wie de toonderaandelen zal verwerven. Hoewel dit in beginsel juist is, laat dit onverlet dat, op grond van artikel 2:8 BW, zowel de vennootschap als de aandeelhouders gehouden zijn zich in hun onderlinge verhoudingen jegens elkander te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. In het licht hiervan kan dan ook niet worden gezegd dat aandeelhouders, die (mogelijke) fraude willen voorkomen doordat aandelen (mogelijk) in handen komen van personen anders dan de rechthebbende, geen belang hebben bij een verzetprocedure. De grief faalt.

6.5. Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet heeft voldaan aan het aannemelijk maken van aandeelhoudersschap in de zin van artikel 2:86d BW. Uit het feit dat zich niemand anders heeft gemeld ten aanzien van de publicatie van de aanvraag, alsmede de aanmelding bij Euroclear blijkt volgens [appellant] reeds dat aannemelijk is dat [appellant] de rechthebbende op de aandelen is. Voorts stelt [appellant] dat hij, in ieder geval ten aanzien van 165 aandelen, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechthebbende is omdat hij 185 talons en dividendbewijzen in zijn bezit heeft.

6.6. Deze grief faalt. Het hof overweegt hiertoe het volgende. Naar oordeel van het hof heeft [appellant] niet voldaan aan het vereiste van artikel 86d BW op grond waarvan [appellant] zijn houderschap aannemelijk dient te maken. Het hof stelt hierbij voorop dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de feitenvaststelling door de rechtbank in eerste aanleg. De rechtbank heeft onder 4.5.3. van de bestreden beschikking het volgende overwogen.

De onderhavige toonderaandelen werden in ieder geval tot 30 juni 1999 gehouden door [Y].

Er bestaat onduidelijkheid over de transacties van de onderhavige toonderaandelen zoals die zouden hebben plaatsgevonden tussen [Y] en [X] en tussen [X] en [appellant]. Bewijsstukken van de gestelde transactie ontbreken.

[appellant] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat mantels en dividendbladen van toonderaandelen afzonderlijk onderwerp van overeenkomsten kunnen zijn en afzonderlijk kunnen worden overgedragen.

[appellant] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat het bezit van dividendbladen geen bewijs vormt van eigendom van de desbetreffende toonderaandelen.

De administratie van [appellant] is een puinhoop; de kwalificatie is van [appellant] zelf.

[appellant] stelt dat hij de onderhavige talons (en dividendbewijzen) in januari 2008 heeft teruggevonden en dat hij er tot dan toe geen aandacht aan had besteed. Dit betekent dat alle handelingen met betrekking tot de onderhavige toonderaandelen tot januari 2008 niet door [appellant] kunnen zijn verricht.

[appellant] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de 165 toonderaandelen uit het bericht van de Luxemburgse bank van 4 oktober 2002 behoren tot de onderhavige 185 toonderaandelen. [appellant] maakt niet duidelijk hoe dit gegeven kan worden gerijmd met zijn stelling dat hij toen al eigenaar was van de onderhavige 185 toonderaandelen en dat de Luxemburgse bank niet voor hem (die zich pas jaren later weer van zijn eigendom bewust is geworden) handelde.

[appellant] maakt niet duidelijk hoe de aanwezigheid van de kopie van toonderaandeel nummer 1 bij het bericht van de Luxemburgse bank van 4 oktober 2002 kan worden gerijmd met zijn stelling dat hij toen ook al eigenaar was van dat toonderaandeel en dat de Luxemburgse bank ook ter zake van dat toonderaandeel niet voor hem handelde.

[appellant] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de aangifte bij de politie geen bewijs vormt van eigendom van de desbetreffende toonderaandelen.

[appellant] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat de aanmelding bij Euroclear Nederland geen bewijs vormt van eigendom van de desbetreffende toonderaandelen.

[appellant] bestrijdt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, dat [Y] er sedert het vonnis van de rechtbank Utrecht van 26 maart 2003 geen belang bij heeft zich met waarden als de onderhavige toonderaandelen openlijk bij Bronwaterleiding Doorn te melden.

De gebleken aanwezigheid van twintig van de onderhavige toonderaandelen in de kluis bij de Luxemburgse bank tast de geloofwaardigheid van de verklaring van [Y], die in zeer stellige bewoordingen het tegenovergestelde inhoudt, ook voor de overige 165 onderhavige toonderaandelen in verregaande mate aan.

[appellant] geeft voor de aanwezigheid van die twintig toonderaandelen in de kluis bij de Luxemburgse bank geen, althans geen voldoende, verklaring. [appellant] geeft ook geen, althans geen voldoende, nadere toelichting op de lotgevallen van de overige 165 toonderaandelen, die volgens zijn stellingen op enig moment moeten zijn gescheiden van de twintig toonderaandelen die zijn aangetroffen in de kluis bij de Luxemburgse bank. Geconfronteerd met het proces-verbaal van de Luxemburgse gerechtsdeurwaarder stelt [appellant] (die tot dan toe bij zijn stelling dat hij 185 mantels en dividendbladen van [X] heeft ontvangen geen enkel voorbehoud had gemaakt) slechts dat [X] zijn verplichtingen jegens hem kennelijk niet volledig is nagekomen. Mede in het licht van de verklaringen van [Y] en [X], die beiden met geen woord reppen van de door [appellant] gestelde scheiding van de onderhavige toonderaandelen in een pakket van 165 en een pakket van twintig, had het op de weg van [appellant] gelegen die stelling nader toe te lichten en te onderbouwen; [appellant] laat dat na.

Zeker onder de hiervoor vermelde omstandigheden kan uit de omstandigheid dat zich geen derden hebben gemeld die (delen van) het origineel van de onderhavige (mantels van) toonderaandelen bezitten niet de conclusie worden getrokken dat [appellant] eigenaar van die toonderaandelen is.

6.7. [appellant] heeft in hoger beroep tegen deze door de rechtbank genoemde feiten en omstandigheden, die het hof in onderlinge samenhang beziet, onvoldoende argumenten aangevoerd. Evenals in eerste aanleg ontbreken bewijsstukken. In het licht hiervan constateert het hof dat hetgeen de rechtbank onder 4.5.3. van het bestreden vonnis heeft overwogen juist is. De stelling van [appellant] dat geen ander zich als rechthebbende op de aandelen heeft gemeld is ten opzichte van alle niet weerlegde feiten en omstandigheden van onvoldoende gewicht om zijn houderschap aan te tonen. Gelet op dit voorgaande heeft [appellant] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij aandeelhouder is alsmede dat hij recht heeft op duplicaten van de aandelen. Voor het overige heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

6.8. De conclusie moet zijn dat de grieven tevergeefs zijn voorgedragen en niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Amsterdam, tussen partijen gegeven op 22 april 2010 onder zaak/rekestnummer 417403/ HA RK 09-17;

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, J.C. Toorman en M.J.J. de Bontridder en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 januari 2011.