Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP9680

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2011
Datum publicatie
30-03-2011
Zaaknummer
200.078.087/01OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak Ondernemingskamer van 24 maart 2011: Kravchenko c.s. / Ulyanovsk Holding B.V

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2011/62
JRV 2011/315
JIN 2011/350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.078.087 OK van

1. Vladimir Alexeyevich KRAVCHENKO,

wonende te Novospasskoye, Russische Federatie,

2. Alexey Ivanovich PONOMAREV,

wonende te Novospasskoye, Russische Federatie,

3. Alexey Vladimirovich KISTANOV,

wonende te Novospasskoye, Russische Federatie,

4. Grigorij Niokolayevich MIASNIKOV,

wonende te Troitsky Sungur, Russische Federatie,

VERZOEKERS,

advocaten: mr. B.F.H. Rumora-Scheltema en mr. R.J. van Galen,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ULYANOVSK HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER,

advocaten: mr. H.A. de Savornin Lohman en mr. M.H.C. Sinninghe Damsté,

e n t e g e n

de vennootschap naar het recht van de Tsjechische Republiek

MND A.S.,

kantoor houdende te Hodonín, Tsjechië,

BELANGHEBBENDE,

advocaten: mr. L.D. Bruining en mr. J.A. Heurkens.

1. Het verloop van het geding

1.1. Verzoekers zullen hierna afzonderlijk Kravchenko, Ponomarev, Kistanov en Miasnikov en gezamenlijk verzoekers worden genoemd, verweerster zal hierna Holding worden genoemd en belanghebbende zal hierna MND worden genoemd.

1.2. Verzoekers hebben bij op 30 november 2010 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven en zoals in het verzoekschrift nader is omschreven - bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Holding en haar Russische dochtervennootschappen;

2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding

primair

a. R. Ciprys (hierna Ciprys te noemen) en J. Kaplanová (hierna Kaplanová te nomen) te schorsen als bestuurders van Holding;

b. Miasnikov of een ander te benoemen tot bestuurder van Holding;

subsidiair

c. Miasnikov of een ander te benoemen tot bestuurder van Holding en te bepalen dat voor elke handeling van het bestuur van Holding de instemming van deze bestuurder is vereist;

d. de onder c) bedoelde bestuurder de bevoegdheid te verlenen (een) bestuurder(s) van Holding te ontslaan of te vervangen;

alsmede primair en subsidiair

e. de algemene vergadering van aandeelhouders van Holding te verbieden de in de oproepingsbrief voor een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 13 november 2010 omschreven besluiten of enig ander besluit met gelijke strekking te nemen of een zodanig besluit of enig ander besluit met gelijke strekking, indien genomen, uit te voeren;

meer subsidiair

f. zodanige voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;

3. MND te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3. Holding heeft bij op 23 december 2010 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van verzoekers af te wijzen.

1.4. MND heeft bij op 24 december 2010 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift, tevens voorwaardelijk verzoekschrift, met producties de Ondernemingskamer verzocht - zakelijk weergegeven en zoals in het verweerschrift, tevens voorwaardelijk verzoekschrift, nader is omschreven - het verzoek van verzoekers af te wijzen, en voor het geval dat de Ondernemingskamer oordeelt dat voor het aannemen van (een) besluit(en) in de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 30 november 2010 minimaal 82% van de stemmen is vereist, de Ondernemingskamer verzocht

1) een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van verzoekers als aandeelhouders van Holding met betrekking tot de voor de buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders van 30 november 2010 geagendeerde besluiten;

2) bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding de overdracht ten titel van beheer van de door verzoekers gehouden aandelen in Holding te bevelen, althans het stemrecht op die aandelen te schorsen, zulks met terzijdestelling van het bepaalde in artikel 24 lid 3 van de statuten van Holding inzake de voor het nemen van besluiten in de algemene vergadering van aandeelhouders vereiste meerderheid.

1.5. De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 6 januari 2011, alwaar de advocaten de standpunten van partijen nader hebben toegelicht, allen aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitnotities en onder overlegging van (een) - op voorhand aan de Ondernemingskamer en telkens de wederpartijen gezonden - nadere productie(s).

2. De vaststaande feiten

2.1 Holding, opgericht op 23 juli 2008, is een joint venture vennootschap van verzoekers en MND, de rechtsopvolgster van de hierna te noemen vennootschap Moravské Naftové Doly A.S. Zij houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van de vennootschappen naar het recht van de Russische Federatie Novospasskneft OOO, Vostokinvestneft OOO en Nikolaevkaneft OOO (hierna de Russische vennootschappen te noemen).

2.2 Verzoekers houden ieder 6% van de aandelen in Holding, MND houdt de resterende 76% daarin.

2.3 Bestuurders van Holding zijn Ciprys en Kaplanová .

2.4 De statuten van Holding houden onder meer de volgende bepaling in:

24.3 Besluiten van de algemene vergadering omtrent een van de volgende onderwerpen kunnen te allen tijde worden genomen met een meerderheid van tweeëntachtig procent (82%) van het totale geplaatste en uitstaande aandelenkapitaal van [Holding]:

(…)

d. besluiten tot het vrijwillig ontbinden van [Holding] (…).

2.5 De aandelen in de Russische vennootschappen werden aanvankelijk alle gehouden door verzoekers. Deze vennootschappen leggen zich toe op exploratie en exploitatie van olievelden en houden in verband daarmee een vijftal licenties voor onderzoek (exploratie) naar olie(bronnen) in een drietal plaatsen in de Ulyanovskaya Oblast, Russische Federatie. De licenties kunnen worden opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden.

2.6 In 2007 hebben verzoekers de samenwerking gezocht met de vennootschap naar het recht van Tsjechië, Moravské Naftové Doly A.S. (hierna MaNaDo te noemen), die haar bedrijf maakt van exploitatie van olie en gas in Tsjechië en andere landen in Oost-Europa.

2.7 MoNaDo is later door fusie opgegaan in MND. Op 29 juli 2010 heeft KKCG S.E., een multinationale financierings- en investeringsvennootschap, een persbericht doen uitgaan dat zij door tussenkomst van haar dochtervennootschap KKCG Oil&Gas B.V. alle aandelen in het geplaatste kapitaal van MND heeft verworven.

2.8 Ter uitvoering van de in 2.5 vermelde samenwerking verkreeg MoNaDo op verscheidene data in 2007 in totaal 76% van de aandelen in de Russische vennootschappen, waarvoor zij ongeveer US $ 19 miljoen aan verzoekers heeft betaald.

2.9 De samenwerking is nadien aldus vorm gegeven dat de aandelen in de Russische vennootschap werden ingebracht tegen de verkrijging door de houders van die aandelen in Holding in de in 2.2 vermelde percentages. Mede in verband daarmee zijn op 21 juli 2009 de statuten van Holding gewijzigd.

2.10 De afspraken over de (verdere) samenwerking zijn toen, behalve in de statuten van Holding, neergelegd in een op 7 juli 2009 tussen verzoekers en MoNaDo gesloten aandeelhoudersovereenkomst (hierna de AHO te noemen). Holding is bij de AHO geen partij.

2.11 In de AHO is onder meer het volgende bepaald:

2.1. The Projects

The Parties have agreed to set up a co-operative structure as a limited scope joint venture, the sole purpose of which shall be the development and operation of projects carried on by the [Russische vennootschappen] from time to time in respect of, but not limited to, the exploration of oil fields, oil production and sales, building and maintaining infrastructure and other related research (the "Projects")

(…)

5.1. Business

The business of [Holding] shall be to carry on and develop the Projects and all or any activities reasonably incidental thereto, through the [Russische vennootschappen] (the "Business Activity"). The Business Activity shall be conducted in the best interests of [Holding] on sound commercial profit-making principles with the aim of generating the maximum achievable maintainable profits available for distribution.

5.2. Key Decisions

The following matters (…) shall be treated by the Parties as matters of key significance with respect to [Holding] (…):

(…)

5.2.4. decision for a voluntary winding up of [Holding];

(…).

5.3. The General Meeting

(…)

5.3.4. Subject to any mandatory provisions of Dutch law, the General Meeting shall pass decisions, as follows:

(a) Key Decisions which are reserved to the General Meeting pursuant to this Agreement shall be passed by the affirmative votes of at least 82% (…) of all Shares (…).

(…)

5.5. Financing

5.5.1 MoNaDo shall arrange the necessary financing for the [Russische vennootschappen], as determined from time to time by the Board. MoNaDo may arrange financing for the [Russische vennootschappen] through one or more of its Affiliates (all such financing (…) shall be referred to as the "MoNaDo Loans").

5.5.2. MoNaDo shall have an absolute discretion to decide on the most suitable and tax efficient method of financing for the [Russische vennootschappen] and the Projects (...).

(…)

5.5.4. The MoNaDo Loans shall be repaid as in such manner and using such mechanisms as reasonably determined by MoNaDo (…).

(…)

5.7. Management and Operation of the [Russische vennootschappen]

5.7.1 Each [Russische vennootschap] shall have a board of directors consisting of 3 (…) members. MoNaDo shall be entitled to nominate 2 (…) members and [Kravchenko, Ponomarev, Kistanov en Miasnikov] shall be entitled to nominate 1 (…) member, who, in respect of each [Russische vennootschap]'s board of directors shall be [Miasnikov].

(…)

5.8. Access to Information

(…) [A]ny Party (or its representative, agent or advisor) is entitled at any time to request to examine the books, records, accounts, memoranda, correspondence files, receipts and other documents and data of [Holding] or any [Russische vennootschap], and shall be supplied with all information (…). [A]ny Party shall be permitted to discuss any such information and any other matters relating to the business, affairs and financial position of [Holding] of any [Russische vennootschap] with the board members, and the senior employees, bankers, auditors and other advisors of [Holding] and any [Russische vennootschap].

(…)

8.10. Governing Law

This Agreement shall be governed by, and construed in accordance with, the laws of England and Wales.

(…)

8.10. Dispute Resolution

(…)

8.11.3 Any Dispute (…) shall be finally settled by arbitration under the Rules of Arbitration of the International Chamber of Commerce (…) by 3 (…) arbitrators (…). The seat of the arbitration shall be Paris (…). The arbitrators shall have the power to grant any remedy or relief that they deem just, including but not limited to specific performance. Any arbitration award(s) shall be final and binding and may be enforced by any court or authority having jurisdiction.

2.12 Als bijlage is aan de AHO Schedule C gehecht, houdende een overzicht van de door MoNaDo aan de onderscheiden Russische vennootschappen in 2007 en 2008 verstrekte, in de AHO genoemde MoNaDo Loans. Voor alle leningen is de datum van terugbetaling bepaald op 31 december 2012. MoNaDo heeft inmiddels ongeveer € 20 miljoen aan de Russische vennootschappen ter beschikking gesteld, waarvan ongeveer € 10 miljoen is besteed aan exploratiewerkzaamheden. De Russische vennootschappen houden meer dan € 9 miljoen liquide middelen op depositorekeningen. Enige zekerheid voor de terugbetaling van de MoNaDo Loans is bedongen noch verschaft.

2.13 Aanvankelijk vormden Miasnikov, F. Komarek en L. Taborova het bestuur van de Russische vennootschappen. Bij brief van 1 juni 2010 liet Ciprys aan de Russische vennootschappen weten dat in verband met een herstructurering binnen KKCG S.E. de laatstgenoemde twee bestuurders zouden worden vervangen. In hun plaats gingen vervolgens Janaková en P. Švarc (hierna Švarc te noemen) deel uitmaken van telkens de besturen van de Russische vennootschappen.

2.14 In de vergaderingen van de besturen van de Russische vennootschappen van 30 juli 2010 werden de uit testen in de voorafgaande periode blijkende resultaten van de exploratiewerkzaamheden alsmede rapportages van deskundigen daarover besproken. Blijkens de van die vergaderingen opgemaakte notulen heeft Švarc opgemerkt:

(…) that investor had taken decision on abandoning investment project on exploration of hydrocarbon deposits on the territory of Ulyanovsk Region due to its economic inexpedience. In this connection it is necessary to reduce expenses of the enterprise to a minimum (…).

Vanwege de in de ogen van de besturen tegenvallende resultaten en gering geachte kans dat binnen de licentiegebieden commercieel exploiteerbare olie zou worden gevonden, terwijl de met het voorzetten van de exploratiewerkzaamheden gemoeide kosten aanzienlijk zouden zijn, werd, telkens met de stem van Miasnikov tegen, besloten om uit de nog aanwezige financiële middelen op de MoNaDo Loans ongeveer € 400.000 aan MoNaDo terug te betalen.

2.15 Bij brief van 9 augustus 2010 hebben verzoekers MND doen weten dat besluiten tot beëindiging van de exploratiewerkzaamheden ingevolge de AHO dienen te worden genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders van Holding en dat daartoe bovendien ingevolge artikel 5.3.4. van de AHO een meerderheid van 82% van de stemmen is vereist omdat het dan zou gaan om een vrijwillige ontbinding als bedoeld in artikel 5.2.4. van de AHO. Voorts wezen zij erop dat Ponomarev, in strijd met artikel 5.8. van de AHO, de toegang was geweigerd tot de bestuursvergaderingen van de Russische vennootschappen waarin de voormelde rapportages van deskundigen over de voortgang van haar activiteiten waren besproken.

2.16 Vervolgens zijn de in 2.14 vermelde besluiten van telkens de besturen van de Russische vennootschappen door Holding in haar hoedanigheid van aandeelhouder van de Russische vennootschappen op 17 augustus 2010 goedgekeurd.

2.17 Overleg op 13 september 2010 tussen verzoekers en MoNaDo heeft niet geleid tot een oplossing van het tussen hen inmiddels gerezen verschil van inzicht over de toekomst van de (activiteiten van de) Russische vennootschappen. MoNaDo stelde zich op het standpunt dat een zinvolle voortzetting van de activiteiten niet meer mogelijk was en dat niet langer sprake was van het drijven van een onderneming van de Russische vennootschappen "on sound commercial profit-making principles with the aim of generating the maximum achievable maintainable profits available for distribution" in de zin van artikel 5.1 van de AHO. Weliswaar heeft MoNaDo zich bereid verklaard in te gaan op het voorstel van verzoekers dat zij weer alle aandelen in de Russische vennootschappen zouden gaan houden door overdracht van de door MoNaDo gehouden aandelen in Holding voor US $ 1, doch zulks onder, onder meer, de voorwaarde dat de Russische vennootschappen de nog beschikbare liquide middelen bij wijze van terugbetaling op de MaNaDo Loans aan MoNaDo zouden worden uitgekeerd, welke voorwaarde voor verzoekers niet aanvaardbaar en naar hun opvatting bovendien in strijd met de AHO was. Ook in latere besprekingen is een oplossing van het meningsverschil tussen verzoekers en MoNaDo niet bereikt.

2.18 Daarop heeft het bestuur van de Russische vennootschappen aan Švarc de opdracht gegeven een onderzoek te doen naar - kort gezegd - de economische vooruitzichten van (het doorgaan met) de exploratiewerkzaamheden. Aan het door Švarc uitgebrachte rapport (productie 3 bij het verweerschrift van Holding) lagen, als bijlagen (onder de aanduiding Varvarosk structure onderscheidenlijk Zykovka structure) bij dat rapport (productie 4 bij voormeld verweerschrift) gevoegde analyses van geologische data en bedrijfseconomische analyses ten grondslag. Uit de in dit rapport gemaakte economic evaluation valt af te leiden, dat het onwaarschijnlijk is dat in de gebieden waarop de licenties betrekking hebben olie zal worden gevonden, onderscheidenlijk dat indien wel olie zou worden gevonden deze commercieel te exploiteren zou zijn.

2.19 In de bestuursvergaderingen van de Russische vennootschappen van 12 november 2010 en in de bestuursvergadering van Holding van 13 november 2010 is het onderzoek van Švarc besproken. De conclusie van de besturen was telkens dat het niet in het belang van de Russische vennootschappen zou zijn met de exploratiewerkzaamheden voort te gaan en daaraan verdere kosten te besteden.

2.20 Bij brief van 13 november 2010 van het bestuur van Holding werden de aandeelhouders opgeroepen voor een - reeds eerder bij brief van 29 oktober 2010 geconvoceerde - bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders op 30 november 2010. De bij de brief van 13 november 2010 gevoegde agenda voor die vergadering vermeldt onder meer:

2. Information on the Ulyanovsk Project

Proposal to acknowledge and accept the information on the Ulyanovsk Project and on the status of the [Russische vennootschappen] of [Holding] (…) as presented by the directors of [Holding]

3. No further execution of exploration programs

Based on the information given by the directors of [Holding], proposal to set forth that further execution of the exploration programs on Davydovska, NovoTomyshevska, West-Sergejevsko-Zykovska, Timiryazevska and Mareyevska licenses is not in accordance with the sound commercial profit-making principles with the aim of generating the maximum achievable maintainable profits available for distribution as stated in the [AHO].

4. Discontinuance of exploration programs

Proposal to approve the discontinuance of the exploration programs on Davydovska, NovoTomyshevska, West-Sergejevsko-Zykovska, Timiryazevska and Mareyevska licenses as proposed by the directors of [Holding].

5. Sale of Iicences

Proposal to approve the sale of the Davydovska, NovoTomyshevska, West-Sergejevsko-Zykovska, Timiryazevska and Mareyevska licenses, or if relevant the sale of any of the [Russische vennootschappen] holding the licenses to be sold, at the best achievable price as proposed by the directors of [Holding].

6. Deferment of exploration obligations under licenses

Proposal to approve that the directors of [Holding] shall procure that the [Russische vennootschappen] shall apply to the appropriate state licencing authority for deferment of the exploration obligations under the Davydovska, NovoTomyshevska, West-Sergejevsko-Zykovska, Timiryazevska and Mareyevska licenses in order to allow [de Russische vennootschappen] proper marketing and preparation of the sale of the licenses.

7. Alternative termination and return of licenses

In case the state licencing authority would not approve deferment of the exploration obligations under any of the Davydovska, NovoTomyshevska, West-Sergejevsko-Zykovska, Timiryazevska and Mareyevska licenses, proposal to approve that the directors of [Holding] shall procure the termination and return by the [Russische vennootschappen] of such a license to the licencing authority.

8. Change in the method of financing and repayment of loans

Proposal to approve the change in the method of financing of the Ulyanovsk Project and the [Russische vennootschappen] - by the sole shareholder, either as equity or by loans, and proposal to approve the repayment of all the outstanding loans provides by [MoNaDo] to the [Russische vennootschappen] except of the funds necessary for the regular day-to-day operations of the [Russische vennootschappen] (up to maximum of 3 million roubles per [Russische vennootschap]) as proposed by the directors of [Holding].

9. Request Directors

Proposal to request the directors of [Holding] to ensure that the [Russische vennootschappen] shall undertake to immediately implement the abovementioned strategy as approved by the shareholders meeting of [Holding]

2.21 Verzoekers hebben bij brief van 26 november 2010 van Byrne and Partners LLP bezwaren tegen de gang van zaken kenbaar gemaakt als bedoeld in artikel 2:349 lid 1 BW en het bestuur van Holding verzocht de geagendeerde onderwerpen (door hen in het verzoekschrift tezamen aangeduid als Liquidatiebesluit) niet in stemming te brengen. Holding heeft aan dat verzoek geen gevolg willen geven. Als gevolg van het over formaliteiten ontstane debat tussen de aanwezigen op 30 november 2010 heeft de vergadering evenwel uiteindelijk geen doorgang gevonden.

2.22 Nadat het verzoekschrift in deze bij de Ondernemingskamer was ingediend, heeft Holding aan Michael Peer (hierna Peer te noemen), werkzaam bij KPMG Ceska Republiká s.r.o, opdracht gegeven "to prepare an independent expert accountant's report regarding the viability of certain oil exploration projects for the [Ondernemingskamer]".

2.23 De conclusie van het door Peer op 23 december 2010 uitgebracht rapport luidt:

As shown above, based on the assumptions set out in this report, the information provided to me and my understanding of the relevant legislation, the Varvarovskaya and West-Segeyevskaya Projects are not financially viable within reasonable tolerances for the price of oil or expected return on investment.

2.24 Voorts heeft Holding aan RPS Energy Consultants Limited, een "independent consultancy specialising in petroleum reservoir evaluation and economic analysis", opgedragen een onafhankelijk onderzoek te verrichten naar de waarde van de assets van de Russische vennootschappen.

2.25 Deze vennootschap heeft, in de personen van Gordon R. Taylor, CEng, CGeol, Director, Geoscience (hierna Taylor te noemen), en Eur Ing Roy Kelly, CEng, Director, Petroleum Engineering (hierna Kelly te noemen), een op 30 december 2010 gedateerd, uitvoerig en van Appendices voorzien rapport uitgebracht. Dat rapport houdt eveneens als conclusie in - kort samengevat - dat het verder doen van geologisch onderzoek en het maken van kosten daarvoor economisch niet is te rechtvaardigen.

2.26 Ter terechtzitting heeft Taylor voornoemd desgevraagd met betrekking tot de totstandkoming van het rapport - samengevat - verklaard dat het rapport behalve op de gegevens en bevindingen van Švarc, gebaseerd is op kaarten die zijn vervaardigd op basis van verkregen seismologische informatie en op hetgeen bekend is omtrent aanwezige oliebronnen, dat de beoordeling van de kansen op succes heeft plaatsgevonden op basis van de uitkomsten van boringen en seismologische gegevens, dat de door Holding gehanteerde veronderstellingen omtrent opbrengsten, kosten en olieprijs zijn beoordeeld, welke veronderstellingen zijns inziens te optimistisch waren, en dat de manier waarop Holding tot haar opvatting was gekomen "reasonable" voorkwam.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Aan hun stelling dat er redenen voor twijfel aan een juist beleid van Holding zijn hebben verzoekers - zoals door hen zelf in het verzoekschrift en in hun pleitnota samengevat - ten grondslag gelegd dat Holding en MoNaDo handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW, doordat zij (i) feitelijk aansturen op liquidatie van de onderneming van Holding tegen de zin van verzoekers en in strijd met de artikelen 5.2. en 5.3.4. van de AHO en in strijd met de overeenkomstige bepaling in artikel 24.3 van de statuten van Holding, (ii) verzoekers niet voorzien van de informatie waarop zij ingevolge artikel 5.8 van de AHO recht hebben en (iii) de financiering van de onderneming van Holding en van de Russische vennootschappen stopzetten en zelfs overgaan tot vervroegde terugbetaling van de MoNaDo Loans, zulks in strijd met artikel 5.5 van de AHO.

3.2 Daaromtrent overweegt de Ondernemingskamer als volgt. Voor zover het betoog van verzoekers is gebaseerd op hun visie inzake de verplichtingen die voortvloeien uit de AHO, zoals zij die uitleggen, geldt in de eerste plaats dat Holding bij de AHO geen partij is en in de tweede plaats dat een verschil van opvatting tussen verzoekers en MoDaNo - onderscheidenlijk MND als haar rechtsopvolgster - over hetgeen de AHO meebrengt, een aangelegenheid van louter vermogensrechtelijke aard is en als zodanig bij uitsluiting ter beslissing is aan de, in de AHO aangeduide arbitrale instantie te Parijs, die daaromtrent dient te beslissen met toepassing van Engels (overeenkomsten)recht.

3.3 Doch afgezien daarvan heeft te gelden dat niet kan worden gezegd, dat de opvatting van Holding en MoNaDo dat het stopzetten van de verdere exploratieactiviteiten in de licentiegebieden en daarmee het niet verder financieren van die activiteiten niet in strijd is met de AHO, niet in redelijkheid valt vol te houden. Nog minder kan worden gezegd dat het zich eventueel niet verzetten van Holding tegen bestuursbesluiten van de Russische vennootschappen onderscheidenlijk tegen een besluit van haar algemene vergadering van aandeelhouders, gegronde redenen opleveren om te twijfelen aan een juist beleid van Holding. Ook overigens is daarvan geen sprake. De Ondernemingskamer licht dat als volgt nader toe.

3.4 Naar de Ondernemingskamer begrijpt is de kernstelling van verzoekers dat er geen informatie beschikbaar is op grond waarvan de conclusie is gerechtvaardigd dat voortzetting van de activiteiten van de Russische vennootschappen vanuit bedrijfseconomisch oogpunt onverantwoord is. De Ondernemingskamer begrijpt verzoekers aldus dat zij, met Holding en MoNaDo onderscheidenlijk MND, van opvatting zijn dat geen verplichting bestaat tot voortzetting van die activiteiten indien dit zich niet - langer meer - zou verdragen met "sound commercial profit-making principles" als bedoeld in artikel 5.1. van de AHO.

3.5 De vraag of daarvan al of niet sprake is staat ter beoordeling van de ondernemingsleiding en kan door de rechter slechts beperkt worden getoetst. Holding en MND baseren hun opvatting terzake op de hiervoor vermelde rapporten van Švarc, Peer, en Taylor en Kelly. In alle drie de rapporten wordt het door Holding en MoNaDo onderscheidenlijk MND ingenomen standpunt onverkort gedeeld. Ook al moet verzoekers worden toegegeven dat het rapport van Švarc afkomstig is van een concernfunctionaris en in zoverre dus niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt, en ook al is juist, zoals verzoekers hebben gesteld, dat Peer vrijwel geheel en Taylor en Kelly in relevante mate zich hebben gebaseerd op van Holding en de Russische vennootschappen verkregen gegevens, niet voldoende aannemelijk is dat die rapporten, die alle in meer of mindere mate uitvoerig zijn en zijn voorzien van een groot aantal gegevens en berekeningen, zowel van geologische als van (bedrijfs)economische aard, geen deugdelijke grondslag zouden hebben. Te minder kan aan die rapporten deugdelijke grondslag worden ontzegd, nu in ieder geval Taylor en Kelly, van wie als vaststaand kan worden aangemerkt dat zij bij uitstek deskundig zijn op het door hen onderzochte terrein, mede eigen onderzoek hebben gedaan en verzoekers niet hebben weersproken dat de exploratiewerkzaamheden in de gelicentiëerde gebieden tot heden geen enkele - concrete - aanwijzing heeft opgeleverd dat in die gebieden exploitabele hoeveelheden olie zullen worden aangetroffen. Verzoekers hebben volstaan met in algemene bewoordingen en onder verwijzing naar door MoNaDo verricht onderzoek dat haar destijds heeft doen besluiten de samenwerking met verzoekers aan te gaan, de deugdelijkheid van die rapporten in twijfel te trekken, doch hunnerzijds hebben zij geen - voldoende concrete en relevante - feiten of omstandigheden naar voren gebracht die hun twijfel deugdelijke grondslag - kunnen - verschaffen. De kanttekeningen die in de door verzoekers overgelegde verklaring van Ka Chung Leung van 30 december 2010 worden geplaatst bij de rapporten van Švarc en Peer leggen onvoldoende gewicht in de schaal.

3.6 Concluderend kan niet worden gezegd dat Holding en MoNaDo zich ter schraging van hun standpunt lichtvaardig of in strijd met de te betrachten redelijkheid op artikel 5.1 van de AHO beroepen.

3.7 Bij die stand van zaken kan ook niet worden gezegd dat het Holding niet vrij zou staan de stopzetting van de meergenoemde exploratiewerkzaamheden te agenderen voor een algemene vergadering van aandeelhouders. Om die reden kan evenmin worden gezegd dat terugbetaling op de MoNaDo Loans en in het algemeen de herziening van de financiering van de Russische vennootschappen door MoNaDo voor die vergadering niet zou mogen worden geagendeerd. De opvatting van verzoekers dat dit laatste zou worden verhinderd door het in de AHO omtrent financiering van de Russische vennootschappen in artikel 5.5. bepaalde, stuit af op de in artikel 5.5.1. en 5.5.4. aan onderscheidenlijk het bestuur van Holding en MoNaDo toegekende rol in deze. Dat het agenderen van die onderwerpen voor een algemene vergadering van aandeelhouders van Holding de toets der kritiek kan doorstaan, moet temeer worden aangenomen tegen de achtergrond van de - door verzoekers niet betwiste - stellingen van Holding en MND dat MoNaDo reeds een bedrag van € 19 miljoen aan verzoekers heeft betaald voor haar deelname in de Russische vennootschappen en dat zij ongeveer € 20 miljoen aan die vennootschappen ter beschikking heeft gesteld, zonder dat voor de terugbetaling daarvan enige zekerheid is verschaft en dat van dit bedrag inmiddels ongeveer € 10 miljoen door de Russische vennootschap is besteed aan de exploratie. Het standpunt van MoNaDo en van Holding in haar kielzog dat het in het licht van de - negatieve - verwachtingen omtrent de exploiteerbaarheid van de gelicentiëerde gebieden de voorkeur verdient niet nog meer kosten te maken en het verlies te beperken, kan niet als onredelijk worden aangemerkt. Dat is te minder het geval nu MoNaDo onderscheidenlijk MND bereid zijn de licenties aan verzoekers af te staan. Dat zij in dat verband niet bereid zijn om af te zien van terugbetaling van de MoNaDo Loans, kan niet als onredelijk worden aangemerkt.

3.8 Aan het in redelijkheid kunnen agenderen van de hiervoor genoemde agendapunten staat niet in de weg dat de voorgenomen besluiten mogelijk zouden resulteren in een vrijwillige ontbinding of liquidatie zoals bedoeld in artikel 24.3 van de statuten van Holding onderscheidenlijk in artikel 5.2. van de AHO. Daarvan zou immers slechts de consequentie zijn dat voor het nemen van de voorgestelde besluiten een meerderheid van 82% van de stemmen is vereist. Een verschil van inzicht over de vraag of die artikelen van toepassing zijn, vormt op zichzelf nog geen reden voor twijfel aan een juist beleid. In het licht van de tekst van voormelde artikelen zijn voor het standpunt van Holding en MND immers sterke argumenten aan te dragen.

3.9 Ten slotte faalt ook de klacht van verzoekers dat Holding en MoNaDo de in artikel 5.8. van de AHO neergelegde aanspraken van verzoekers op informatie hebben geschonden. In de eerste plaats is van belang dat, naar door Holding en MND niet (voldoende) is weersproken, Miasnikov in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Russische vennootschappen volledig op de hoogte was en is van de gang van zaken en dat hij toegang heeft en had tot alle informatie. Verder zijn op verzoek van verzoekers bij brief van 22 november 2010 de notulen van de bestuursvergadering van Holding van 20 september 2009, 10 februari 2010 en 13 november 2010 aan verzoekers gezonden en hebben zij kennis kunnen nemen van het rapport van Švarc. Dat Ponomarev, die geen bestuurder is van de Russische vennootschappen of van Holding, niet is toegelaten tot de bestuursvergaderingen van de Russische vennootschappen van 30 juli 2010, is op zichzelf beschouwd niet in strijd met artikel 5.8. van de AHO. Feiten of omstandigheden waarom zulks anders zou zijn, zijn gesteld noch gebleken.

3.10 Met Holding en MND moet verder worden geoordeeld dat verzoekers zich op dit punt slechts in zeer algemene termen hebben beklaagd en dat van eerdere specifieke klachten dan in deze procedure geuit niet is gebleken. Ook in de in 2.20 vermelde brief is het tekort aan informatieverschaffing niet met zoveel woorden als bezwaar aan te treffen.

3.11 De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen dat het verzoek van verzoekers, voor zover het strekt tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Holding, niet voor toewijzing vatbaar is. Dat brengt reeds op zichzelf mee dat het evenmin voor toewijzing vatbaar is voor zover het strekt tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.

3.12 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, behoeft het voorwaardelijk verzoek van MND geen beoordeling.

3.13 Verzoekers zullen ten slotte als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van verzoekers af;

veroordeelt verzoekers in de kosten van het geding, aan de zijde van verweerster en aan de zijde van belanghebbende telkens begroot op € 3.322;

verklaart deze beschikking wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse, voorzitter, mr. G.C. Makkink en mr. J.H.M. Willems, raadsheren, drs. G. Izeboud RA en prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.J. Philips, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 24 maart 2011.