Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP9451

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
200.006.013/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verjaring van de vordering tot het in rechte doen aanvaarden van de vernietigingsgrond dwaling, artt. 3:51 en 4:52 BW, met betrekking tot beëindigingsovereenkomst. Stuiting door aanmaning binnen zes maanden gevolgd door rechtsvordering, art. 3:317 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2011

GERECHTSHOF TE ‘S-GRAVENHAGE

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam,

t e g e n

de stichting STICHTING JEUGDFORMAAT,

gevestigd te Rijswijk,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.C. Zevenberg te Rijswijk.

De partijen worden hierna [appellant] en Jeugdformaat genoemd.

1. Het verder verloop van het geding in hoger beroep

Voor het verloop van de procedure tot 5 oktober 2010 verwijst het hof naar zijn op die datum gewezen tussenarrest.

[appellant] heeft een akte genomen, met producties, en Jeugdformaat een antwoordakte.

Ten slotte heeft [appellant] het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2. De verdere beoordeling

2.1. [appellant] heeft zich uitgelaten omtrent het beroep van Jeugdformaat i) op verjaring van de vordering voor recht te verklaren “dat de op of omstreeks 17/20 januari 2003 gesloten overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd”; en ii) op verjaring van de vordering tot nakoming van een (volgens [appellant]) op 1 november 2002 tot stand gekomen overeenkomst. [appellant] stelt thans dat hij de verjaring van ieder van deze vorderingen tijdig heeft gestuit. Jeugdformaat heeft dit betwist.

2.2. In artikel 3:52 BW is bepaald dat de rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling in geval van dwaling verjaart door het verloop van drie jaren nadat de dwaling is ontdekt. Voor stuiting van deze verjaring is op de voet van het bepaalde in artikel 3:317 lid 2 BW vereist een schriftelijke aanmaning die binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van de rechtsvordering. [appellant] heeft op 31 maart 2009, bij wege van eisvermeerdering in de memorie van grieven, de verklaring van recht gevorderd als hiervoor onder 2.1. ad i) weergegeven. Het hof vat deze vordering op als de vordering bedoeld in artikel 3:51 BW strekkende tot het in rechte doen aanvaarden van de door [appellant] ingeroepen (maar door Jeugdformaat niet aanvaarde) vernietingsgrond dwaling. Op 31 maart 2009 was deze rechtsvordering verjaard, aangezien de vernietigingsgrond dwaling reeds op 29 april 2003 (toen daarop bij brief van die datum buitengerechtelijk een beroep was gedaan) bekend was. Voor zover [appellant] daarnaast een beroep heeft gedaan op misbruik van omstandigheden, is de vordering tot het rechte doen vaststellen van deze vernietigingsgrond eveneens verjaard, nu ervan uit gegaan dient te worden dat de invloed van de (gestelde) bijzondere omstandigheid ten tijde van het verzenden van de brief van 29 april 2003 had opgehouden te werken. De door [appellant] gevorderde verklaring van recht is niet toewijsbaar.

2.3. In het tussenarrest is overwogen (rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5) dat de in de faxbrief van 15 januari 2003 onder 12 opgenomen finale kwijting – waarover partijen bij faxbrieven van 16, 17 en 20 januari 2003 overeenstemming hebben bereikt - eraan in de weg staat dat [appellant] thans aanspraak heeft op uitbetaling van niet genoten vakantie-uren c.a. Nu de buitengerechtelijke vernietiging bij brief van 29 april 2003 van de overeenkomst van januari 2003 door Jeugdformaat niet is aanvaard en nu voorts deze vernietiging in rechte niet meer kan worden uitgesproken, kan de finale kwijting aan [appellant] worden tegengeworpen. De vordering tot betaling van een bedrag van € 94.505,51 bruto en € 1.633,59 netto aan gederfd loon samenhangend met de aanspraken op vakantieverlof, is niet toewijsbaar.

2.4. In het tussenarrest is voorts overwogen (rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7) dat de in de faxbrief van 15 januari 2003 onder 7 opgenomen afstand van recht eraan in de weg staat dat [appellant] nog aanspraak kan maken op nabetaling van loon in verband met harmonisatie van zijn inkomen. De vordering tot betaling van een bedrag van € 38.480,07 bruto aan te weinig ontvangen loon kan evenmin worden toegewezen.

2.5. Aan de vordering tot betaling van een bedrag van € 35.000,- bruto aan te weinig ontvangen ontslagvergoeding heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat op 1 november 2002 reeds wilsovereenstemming was bereikt over een hogere ontslagvergoeding dan het bedrag van € 165.000,- waarover in de faxbrieven van 15, 16, 17 en 20 januari 2003 overeenstemming is bereikt. Nu de vernietingsgrond dwaling bij de totstandkoming van deze laatste overeenkomst in rechte niet kan worden aanvaard, dient te worden uitgegaan van de in januari 2003 overeengekomen ontslagvergoeding. Ook deze vordering moet worden afgewezen.

2.6. Het hof komt niet meer toe aan een onderzoek of de vordering tot nakoming van de door [appellant] gestelde overeenkomst van 1 november 2002 is verjaard, nu er in rechte vanuit gegaan dient te worden dat partijen in januari 2003 definitieve en volledige wilsovereenstemming hebben bereikt over de voorwaarden van beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waaronder finale kwijting van alle (niet uitdrukkelijk in die overeenkomst geregelde) vorderingen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan.

2.7. Voor zover [appellant] zich heeft beroepen op het bepaalde in artikel 6:248 lid 2 BW, kan hem dit niet baten, reeds omdat hij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot toepassing van deze bepaling kunnen leiden.

2.8. [appellant] heeft voor het overige geen stellingen naar voren heeft gebracht die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Zijn bewijsaanbod wordt als niet ter zake doende gepasseerd.

2.9. Nu de hoofdvorderingen niet toewijsbaar zijn, zijn de nevenvorderingen, waaronder begrepen de vordering tot betaling van een bedrag van € 2.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten, terecht afgewezen.

2.10. Het voorgaande voert het hof tot de conclusie dat de grieven falen.

3. Slotsom en kosten

Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

verwijst [appellant] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van Jeugdformaat gevallen, op € 254,- aan verschotten en € 3.948,- aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. van der Kwaak, W.J. van den Bergh en S.F. Schütz, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2011.