Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8974

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2011
Datum publicatie
06-04-2011
Zaaknummer
08/00970 en 08/00971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ook in hoger beroep is niet gebleken dat in enige fase van de procedure door de ontvanger een voor beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is genomen. Het hoger beroep is daarom ongegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:1
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26
Algemene wet inzake rijksbelastingen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/35.7 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0872
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00970 en P08/00971

17 maart 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

C te A,

belanghebbende,

tegen de uitspraken in de zaken nummers AWB 07/3804 en AWB 07/3805 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 1 augustus 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft bij brief van 4 juni 2007, ingekomen bij de rechtbank op 11 juni 2007, beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gesplitst in nummer 07/3804, welk nummer betrekking heeft op de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting voor het 2001, en nummer 07/3805, welk nummer betrekking heeft op de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting voor het tijdvak 2002 tot en met 2006.

1.2. Bij uitspraken van 1 augustus 2008, vervat in één geschrift, heeft de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraken ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 8 september 2008. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Verschenen is mr. H. Belanghebbende is niet verschenen. Na de zitting is geconstateerd dat belanghebbende niet is opgeroepen overeenkomstig artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht.

1.5. Belanghebbende is bij aangetekende brief van 13 december 2010 opgeroepen voor de zitting van 18 januari 2011. Nadat deze oproeping ter griffie was terugontvangen met de aantekening “geen gehoor”, is de oproeping per gewone post op 6 januari 2011 aan belanghebbende verzonden.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 18 januari 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Verschenen zijn namens de ontvanger N en J. Belanghebbende is wederom niet op de zitting verschenen.

2. Feiten

2.1. De feiten zijn door de rechtbank als volgt vastgesteld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de ontvanger als verweerder.

3. Op 14 juni 2007 heeft verweerder de brief van eiser van 31 mei 2007 ontvangen. Eiser stelt dat de ontvanger niet alle betalingen die hij heeft verricht heeft verwerkt en dat de ontvanger de gedane betalingen ten onrechte heeft afgeboekt op de oudste openstaande aanslagen en niet het boekhoudkundige principe van “last in first out” heeft toegepast.

4. Bij brief van 18 juni 2007 heeft verweerder gereageerd op de brief van eiser vermeld onder 3.

2.2. Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen bovenstaande weergave van de feiten door de rechtbank, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

3. Het oordeel van der rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil het volgende overwogen, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser.

1. In artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) is bepaald dat in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld, indien het betreft: een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 van de Awr voorgeschreven verrekening of een voor bezwaar vatbare beschikking. De Awr kent hiermee een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit betekent dat alleen beroep openstaat tegen uitspraken op bezwaar inzake belastingaanslagen en andere “voor bezwaar vatbare beschikkingen”.

5. Nu de brief van eiser van 4 juni 2007 niet is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Awr is daarmee niet voldaan aan de in die bepaling voor het instellen van beroep gestelde voorwaarden. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Aan een inhoudelijke bespreking van de grieven van eiser komt de rechtbank derhalve niet toe.

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de rechtbank terecht de beroepen niet-ontvankelijk heeft verklaard. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is in geschil of de ontvanger terecht is overgegaan tot loonvordering op het AOW en/of pensioen van belanghebbende, en zo tot welk bedrag.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken en de

processen-verbaal van de zittingen.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Belanghebbende is bij aangetekende brief uitgenodigd voor de zitting van 18 januari 2011. Na terugontvangst van de oproep is belanghebbende na verificatie van de adresgegevens nogmaals, nu per gewone post, bij brief van 6 januari 2011 opgeroepen voor die zitting. Laatstgenoemde brief is door TNT- post niet aan het Hof teruggezonden, zodat aangenomen dient te worden dat de brief belanghebbende heeft bereikt.

6.2. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. Ook in hoger beroep is niet gebleken dat in enige fase van de procedure door de ontvanger een voor beroep vatbaar besluit in de zin van artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is genomen.

6.3. De slotsom luidt dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraken van de rechtbank dienen te worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een der partijen te veroordelen in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, B.A. van Brummelen en B. Emmerig, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 17 maart 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.