Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8854

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
200.043.353-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid art. 7:658 BW. Werknemer stelt dat mesothelioom is veroorzaakt door blootstelling aan asbest tijdens werkzaamheden in periode 1965-1976. Hof wenst voorlichting door deskundigen t.z.v. blootstelling aan (wit) asbest en zorgplicht werkgever.Zie ook ECLI:NL:GHAMS:2011:3132 en ECLI:NL:GHAMS:2015:2299.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 maart 2011

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CORUS STAAL B.V.,

gevestigd te Velsen-Noord, gemeente Velsen,

APPELLANTE,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

t e g e n

de erven van [geïntimeerde], vertegenwoordigd door [X], in zijn hoedanigheid van opvolger onder algemene titel in de nalatenschap van [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. R.F. Ruers te Utrecht.

1 Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk Corus en (in enkelvoud) [geïntimeerde] genoemd. Met de naam ‘[geïntimeerde]’ zullen hierna, tenzij anders kenbaar gemaakt, zowel de erflater als de erven worden aangeduid.

Bij dagvaarding van 30 juni 2009 is Corus in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 19 maart 2008 en 1 april 2009 van de rechtbank Haarlem (sector kanton, locatie Haarlem), hierna: de kantonrechter, in deze zaak onder nummer 353366/CV EXPL 07-6559 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Corus als gedaagde.

Corus heeft bij memorie van grieven vier grieven aangevoerd, bewijs aangeboden, producties overgelegd en geconcludeerd – zakelijk - dat het hof bij arrest de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van de door Corus aan hem voldane kosten, met wettelijke rente, met veroordeling (uitvoerbaar bij voorraad) van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, daaronder begrepen de kosten van het voorlopig getuigenverhoor.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd - zakelijk - dat het hof bij arrest de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling van Corus in de kosten van (naar het hof begrijpt) het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.

Partijen hebben de zaak op 24 augustus 2010 doen bepleiten, Corus door mr. R.H.J. Wildenburg, advocaat te Arnhem, en [geïntimeerde] door mr. Ruers voornoemd, beiden aan de hand van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd aan het hof. Beide advocaten hebben bij die gelegenheid producties overgelegd.

Ten slotte hebben partijen aan het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2 Grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van Corus.

3 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 19 maart 2008, onder het kopje “De feiten” onder a t/m m, een aantal feiten vermeld. De juistheid hiervan is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.

4 Procespartijen

Corus heeft in hoger beroep gedagvaard de erven van [geïntimeerde], vertegenwoordigd door [X], in zijn hoedanigheid van opvolger onder algemene titel in de nalatenschap van [geïntimeerde]. In de kop van de memorie van antwoord en van de pleitaantekeningen aan de zijde van [geïntimeerde] is vermeld [X], in deze handelende voor zichzelf en tevens optredende als erfgenaam en nabestaande van [geïntimeerde]. Het hof zal er voorshands van uitgaan dat, niettegenstaande deze vermelding, de gezamenlijke erven van [geïntimeerde] zijn verschenen in hoger beroep, overeenkomstig de aanduiding in de kop van dit arrest. [geïntimeerde] zal zich daarover echter nog kunnen uitlaten.

5 Beoordeling

5.1.

[geïntimeerde] is van 31 mei 1965 tot 1 december 1998 in dienst geweest van Corus (waar hier en hierna over Corus wordt gesproken, wordt mede haar rechtsvoorgangster, Hoogovens, bedoeld). Van 31 mei 1965 tot 1 maart 1976 heeft [geïntimeerde], aanvankelijk als walser en later als tweede walser, gewerkt aan de hardingswalsen 48 en 42. Incidenteel is hij in die periode uitgeleend aan andere afdelingen, waaronder de gloeiovens. In die periode was in de spankranen die boven de medewerkers reden bij de hardingswalsen 48 en 42 asbest aanwezig en zat er asbest in de remvoeringen van de zogenaamde kat, het hijs- en zakgedeelte van de kranen, en in de remvoeringen van de kranen zelf. Ook in onderdelen van de hardingswalsen was in die periode asbest verwerkt (asbesthoudende remmen en koppelingsplaten met asbestvoering). In november 2005 is bij [geïntimeerde] de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Hij is op 10 februari 2008 aan de gevolgen van deze ziekte overleden. Van deze ziekte is slechts één oorzaak bekend, namelijk de blootstelling aan asbest.

5.2.

In deze zaak vordert [geïntimeerde] van Corus schadevergoeding op de voet van artikel 7:658 BW. Hij stelt daartoe dat hij tijdens zijn dienstverband bij Corus in de periode van 31 mei 1965 tot 1 maart 1976 langdurig een relatief hoge blootstelling aan asbest heeft ondergaan. Deze blootstelling aan asbest heeft volgens [geïntimeerde] de bij hem geconstateerde asbestziekte mesothelioom veroorzaakt.

5.3.

In het tussenvonnis van 19 maart 2008 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [geïntimeerde] voorshands, behoudens tegenbewijs, geslaagd is in het leveren van het op hem rustende bewijs dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Corus is blootgesteld aan asbest. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis het verweer van Corus verworpen dat zij niet in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld. Bij het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter - na getuigenverhoor en na te hebben overwogen dat de bewijsopdracht aldus moet worden uitgelegd dat Corus tegenbewijs moet leveren tegen de voorshands bewezen stelling dat de blootstelling aan asbest tijdens het dienstverband van [geïntimeerde] bij Corus in relevante mate uitging boven de milieublootstelling zoals deze als gemiddelde waarde in de omgevingslucht in die periode aanwezig was – het tegenbewijs door Corus niet geleverd geacht. De kantonrechter heeft vervolgens voor recht verklaard dat Corus jegens [geïntimeerde] verwijtbaar tekortgeschoten is en daardoor jegens hem schadeplichtig is geworden, Corus veroordeeld tot betaling van € 50.000,- (met wettelijke rente) ter zake van immateriële schade en Corus veroordeeld tot vergoeding van materiële schade krachtens de artikelen 6:95 en 6:96 BW nader op te maken bij staat (met wettelijke rente), met veroordeling van Corus tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

5.4.

Tegen deze beslissing en daaraan ten grondslag gelegde overwegingen komt Corus op in hoger beroep. Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.

5.5.

Voor zover [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij bij Corus ook via andere bronnen dan de spankranen en de hardingswalsen aan asbest blootgesteld is geweest, wordt deze stelling verworpen. [geïntimeerde] heeft deze stelling onvoldoende toegelicht. Zo heeft hij gesteld dat het enkele malen is voorgekomen dat hij enkele weken aan de gloeiovens heeft gewerkt “waarbij hij te maken heeft gehad met blootstelling aan asbeststof” (repliek onder 11), maar op welke wijze dat zou zijn gebeurd, heeft hij verder niet en tegenover de betwisting door Corus in elk geval onvoldoende uit de doeken gedaan.

5.6.

Bij de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] bij en gedurende zijn werkzaamheden aan de hardingswalsen is blootgesteld geweest aan asbest kan niet worden aangenomen dat [geïntimeerde] heeft geassisteerd bij herstel van de hiervoor genoemde asbesthoudende onderdelen van de hardingswalsen en spankranen (al dan niet bestaande uit vervanging van het asbesthoudende frictiemateriaal, zoals remvoeringen). Uit de eigen verklaring van [geïntimeerde] tijdens het voorlopig getuigenverhoor moet worden afgeleid dat deze werkzaamheden werden uitgevoerd door personeel van de technische dienst, terwijl deze verklaring geen steun biedt voor de stelling dat [geïntimeerde] bij het uitvoeren daarvan assisteerde. Wel kan, als door Corus niet of onvoldoende weersproken, ervan worden uitgegaan dat het uitvoeren van deze werkzaamheden werd gedaan tijdens het productieproces, dat wil zeggen terwijl [geïntimeerde] zich tijdens de uitvoering van zijn reguliere werkzaamheden bij de wals bevond. Op dezelfde grond kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] zeer regelmatig bij het schoonmaken het stof van de motoren met lucht afspoot en dat het stof dan alle kanten opdwarrelde.

5.7.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat bij Corus niet alleen wit asbest werd gebruikt. [geïntimeerde] heeft niet specifiek gesteld dat onderdelen van de spankranen en de hardingswalsen andere asbest dan wit asbest bevatten. Hij heeft in elk geval het verweer van Corus dat in deze onderdelen slechts wit asbest was verwerkt – vergelijk het rapport van IndusTox Consult (dr. J.G.M. van Rooij) van 26 juni 2007, p. 7; de door [geïntimeerde] overgelegde interne notities van 21 februari 1980 resp. van 1 februari 1988 – onvoldoende weersproken. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman van [geïntimeerde] desgevraagd meegedeeld niet te weten op welke wijze [geïntimeerde] zou zijn blootgesteld aan blauw asbest. De stelling dat [geïntimeerde] ook aan andere asbestsoorten dan wit asbest is blootgesteld geweest, moet bij deze stand van zaken worden verworpen.

5.8.

Het primaire verweer van Corus houdt in dat [geïntimeerde] niet bij haar aan asbest blootgesteld is geweest, althans niet in relevante mate (in die zin dat [geïntimeerde] bij haar aan asbest is blootgesteld in een mate die uitstijgt boven de gemiddelde waarde in de omgevingslucht). Corus heeft er hierbij op gewezen dat vast staat dat [geïntimeerde] tijdens een eerdere werkkring (in de jaren 1957 tot en met 1959) met regelmaat in aanraking is gekomen met asbest. Corus beroept zich in dit verband op het meergenoemde rapport van IndusTox Consult. Daarin is (op p. 9) vermeld dat in de walserij tot begin jaren ’90 diffuse bronnen van asbest waren, o.a. door gebruik van asbesthoudende remmen op walsen, voertuigen, bovenloopkranen en asbestvoering voor koppelingsplaten, maar dat het gelet op de enorme afmetingen in combinatie met de sterke ventilatie in de productiehal en de ligging van de hardingswals zeer onwaarschijnlijk is dat de concentratie asbestvezels op de werkvloer nabij de hardingswals substantieel verhoogd was ten opzichte van de concentratie in de buitenlucht. Subsidiair stelt Corus dat zij haar zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW niet heeft geschonden. Met een beroep op onder meer het arrest van de Hoge Raad van 4 juni 2004, JAR 2004, 287 neemt zij het standpunt in dat het gevaar van wit asbest tot 1980 niet bekend was en het gebruik daarvan tot dat jaar dan ook geen aanleiding gaf tot het treffen van voorzorgsmaatregelen door de werkgever.

5.9.

[geïntimeerde] heeft zowel het primaire als het subsidiaire verweer bestreden en de kantonrechter heeft, zoals hiervoor overwogen, [geïntimeerde] hierin gevolgd.

5.10.

Op grond van de wederzijdse stellingen van partijen – daaronder begrepen de stelling van [geïntimeerde] dat Corus in 1965 in elk geval bekend was of bekend had moeten zijn met het gevaar van asbest (inclusief wit asbest) voor asbestose en longkanker en dat de blootstelling destijds uitging boven de toen voor asbestose genoemde drempelwaarde, zodat Corus ook aansprakelijk is als zij destijds niet bekend was of bekend had hoeven te zijn met het gevaar voor mesothelioom van (ook) wit asbest (repliek onder 72-80, memorie van antwoord onder 65) – dienen thans de volgende vragen te worden beantwoord:

(1) is [geïntimeerde] in de periode 1965-1976 bij en gedurende zijn werkzaamheden aan de hardingswalsen blootgesteld geweest aan wit asbest afkomstig van asbesthoudende onderdelen van de hardingswalsen en spankranen in een mate die schadelijk kan zijn geweest voor zijn gezondheid?

(2) is [geïntimeerde] in de periode 1965-1976 bij en gedurende zijn werkzaamheden aan de hardingswalsen blootgesteld geweest aan wit asbest afkomstig van asbesthoudende onderdelen van de hardingswalsen en spankranen in een mate die uitging boven (al dan niet wettelijke) veiligheidsnormen die in die periode golden met het oog op andere gevaren van wit asbest dan mesothelioom, zoals asbestose en longkanker? Zo ja, is de kans dat [geïntimeerde] hierdoor een tot een mesothelioom leidend asbestkristal zou binnenkrijgen in aanmerkelijke mate verhoogd?

(3) had Corus in de periode 1965-1976 bekend behoren te zijn met de gevaren van het werken met wit asbest? Zo ja, met welke gevaren (in het bijzonder: met de gevaren van asbestose, longkanker en mesothelioom)? Daarbij moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke kring waartoe Corus in de genoemde periode behoorde: een (zeer) grote onderneming, waarbinnen interne notities circuleerden over de gevaren voor de gezondheid van het gebruik van asbest (vergelijk als eerste de notitie van 24 oktober 1972, productie 17 bij inleidende dagvaarding en verder onder meer de notitie van 11 april 1973, productie 5 bij memorie van grieven) en binnen welke onderneming bekend was dat gebruik gemaakt werd van, kort gezegd, asbesthoudende apparatuur en machines, niet ter productie of verwerking van asbest.

(4) mocht Corus in de periode 1965-1976 ervan uitgaan dat de blootstelling van haar werknemers in de walserij aan asbeststof, zoals die concreet heeft plaatsgevonden, gelet op de duur en intensiteit van die blootstelling, geen risico voor respectievelijk asbestose, longkanker en mesothelioom opleverde? Bestond voor Corus in genoemde periode redelijkerwijs aanleiding veiligheidsmaatregelen te treffen met het oog op deze (mogelijke) gevaren en wilt u hierbij betrekken de stelling van Corus dat geen sprake is geweest van blootstelling in een mate die uitstijgt boven de gemiddelde waarde in de omgevingslucht?

5.11.

Het hof heeft behoefte aan deskundige voorlichting voor de beantwoording van de hiervoor geformuleerde vragen en is daarom voornemens een deskundigenbericht te bevelen. Het hof stelt zich voor aan de hiervoor geformuleerde vragen nog toe te voegen de opmerking dat de deskundigen hun antwoorden dienen te motiveren en waar mogelijk een concrete inschatting dienen te geven van de mate van waarschijnlijkheid (zo mogelijk uitgedrukt in een percentage).

5.12.

Het hof is voornemens de volgende twee deskundigen, die bij brief van 7 maart 2011 (welke brief in kopie is aangehecht aan dit arrest) aan het hof hebben laten weten zich op grond van hun deskundigheid in staat te achten om de vragen te kunnen beantwoorden, te benoemen:

  • -

    prof.dr.ir. D.J.J. Heederik, epidemioloog,

  • -

    dr.ir. R. Houba, arbeidshygiënist,

IRAS NKAL,

postbus 80178,

3508 TD Utrecht.

5.13.

Aan de deskundigen is op basis van de concept-vraagstelling gevraagd het loon en de kosten te begroten. Aan de hand van deze opgave wordt het voorschot voorshands bepaald op € 16.660,- (inclusief BTW). Het voorschot zal te zijner tijd door beide partijen tezamen ter griffie dienen te worden gedeponeerd.

5.14.

De zaak zal naar de rol worden verwezen opdat partijen, eerst [geïntimeerde] en vervolgens Corus, zich kunnen uitlaten over het onder 4 overwogene alsmede over de voorgestelde vraagstelling en de hoogte van het voorschot.

6 Slotsom en instructie

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating als hiervoor bedoeld. De verdere behandeling van de grieven wordt aangehouden. Het hof zal bepalen dat van dit arrest tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.

7 Beslissing

Het hof

verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 april 2011 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde] en bepaalt dat Corus daarop bij akte kan reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan;

bepaalt dat van dit arrest tussentijds beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, S.F. Schütz en A.R. Sturhoofd, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2011.