Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8067

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
23-002593-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:54, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van het plegen van voorbereidingshandelingen ter zake van moord/doodslag en het witwassen van enkele geldbedragen. Veroordeling voor verboden wapenbezit, witwassen en opzetheling en bewijslevering ter zake. Verwerping van een verweer, gericht op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002593-09

datum uitspraak: 16 maart 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 mei 2009 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-529044-08 (zaak A) en 13-409008-08 (zaak B) en 13-477035-08 (zaak C) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

adres: [adres], [woonplaats], thans gedetineerd in [detentieadres].

Ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 13 mei 2009 vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd in zaak A onder 1 en in zaak C onder 2.

Ook heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van het in zaak A onder 2, derde gedachte streepje, cumulatief ten laste gelegde en onder 3, tweede gedachtestreepje, cumulatief ten laste gelegde. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen deze door de rechtbank gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 april 2009 en op de terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte – voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-529044-08 (zaak A)

Feit 2

hij op of omstreeks 25 maart 2008 te Amsterdam een of meer wapens van categorie III, te weten

(op het adres [adres] te Amsterdam)

- een (doorgeladen) vuurwapen, te weten een pistool (merk Hrvatski Samokres) en/of

- een (geladen) patroonhouder (type 9 mm, merk Glock) en/of

munitie van categorie III, te weten

(op het adres [adres] te Amsterdam)

- (in het hierboven genoemde doorgeladen vuurwapen merk Hrvatski) 10 patronen (kaliber 9 x 19 mm volmantel profielen) en/of

- (in de hierboven genoemde geladen patroonhouder) 15 patronen (kaliber 9 x19 mm) en/of

voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 4 januari 2008 tot en met 25 maart 2008, te Amsterdam, althans in Nederland, een of meer voorwerp(en), te weten:

- een personenauto (merk/type Opel Antara, voorzien van het kenteken [kenteken]) en/of een of meer geldbedrag(en) voor de huur/huurkoop van die personenauto en/of

- een navigatiesysteem (type 269 digiwalker, systeemmerk MIO, serienummer [serienummer]) en/of

- een horloge (goudkleurig, serienummer [serienummer], merk Rolex) en/of

- een (portable) computer (merk Toshiba, zwart, serienummer [serienummer])

en/of geldbedrag(en) te weten:

- EUR 2.500,- (aangetroffen in een personenauto, type Volkswagen Golf, kenteken [kenteken])

- EUR 2.500,- (aangetroffen in de woning [adres] te Amsterdam)

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van bovengenoemde voorwerp(en) en/of geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

Zaak met parketnummer 13-409008-08 (zaak B, gevoegd)

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te Amsterdam, althans in Nederland, een of meer wapens van categorie II, te weten (in een (gedeeltelijk) uitgebrande Audi A6, grijs kenteken [kenteken])

- een vuurwapen (volautomatisch, merk Kalashnikov, model M70 AB2, 7.62 x 39 mm), en/of

- een vuurwapen (volautomatisch, merk Glock, model 17C, 9 x 19 mm) en/of

- (in de patroonhouder van de Kalashnikov) munitie van categorie III, te weten 26, in elk geval een of meer patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) en/of

- (in de patroonhouder van de Glock) munitie van categorie III, te weten 26, in elk geval een of meer patronen (kaliber 9 x 19 mm),

voorhanden heeft gehad;

Feit 2

hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2008 tot en met 1 april 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een auto (merk Audi, kleur grijs afgegeven met kenteken [kenteken]) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2008 tot en met 4 april 2008 in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, een personenauto (te weten een Peugeot kenteken [kenteken]) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 4

hij op of omstreeks 25 maart 2008 te Amsterdam en/ofte Amstelveen, in elk geval in Nederland, een (portable) computer (merk Toshiba, zwart, serienummer [serienummer]) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 5

hij op of omstreeks 25 maart 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een horloge (goudkleurig, serienummer [serienummer], merk Rolex) heeft verworven,en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 6

hij op of omstreeks 25 maart 2008 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een navigatiesysteem (type 269 digiwalker, systeemmerk MIO, serienummer [serienummer]) heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist, althans redelijkerwijze had kunnen vermoeden dat het (een) door diefstal in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Zaak met parketnummer 13-477035-08 (zaak C, gevoegd)

Feit 1

hij in of omstreeks de periode van 25 maart 2008 tot en met 4 april 2008 te Deventer en/of Amsterdam, althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf moord en/of doodslag, in elk geval een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld opzettelijk

- een AUDI A6 (gekentekend [kenteken]) en/of

- een Peugeot 307 (gekentekend [kenteken]) en/of

- een volautomatisch aanvalsgeweer, te weten een Kalashnikov model M70 AB2, kaliber 7.62 X 39 millimeter, voorzien van het nummer [nummer] en /of

- een pistoolmitrailleur, merk Glock, model 17 C, kaliber 9 X 19 millimeter en/of

- (in de patroonhouder van de Kalashnikov) 26, althans een of meer patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) en/of

- (in de patroonhouder van de Glock) 26, in elk geval een of meer patronen (kaliber 9 x 19 mm) en/of twee, althans een of meer (lege) patroonhouders in elk geval een of meer wapens van categorie II van de Wet Wapens en Munitie en/of

- een pet en/of

- twee (valse) kentekenplaten (met het kenteken [kenteken]) en/of

- een jerrycan

bestemd tot het in vereniging begaan van een of meer van bovenomschreven misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsman heeft op grond van het bepaalde in artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv) het volgende bepleit.

Primair dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard te worden in de vervolging van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

Subsidiair dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van die feiten waarvan concreet kan worden vastgesteld dat voor de beoordeling van die zaken onjuiste of onvolledige belastende informatie is gepresenteerd, dan wel ontlastende informatie niet is geverbaliseerd.

Meer subsidiair dient bewijsuitsluiting te volgen van het materiaal dat door schending van belangrijke strafvorderlijke voorschriften is verkregen, zoals verwijzingen naar CIE informatie, het zaaksdossier Warande en de onderzoeken Blauw, Kattekop, Tantalus en Passage.

De raadsman heeft daaraan - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd.

Er is sprake van een onherstelbaar vormverzuim dat de eerlijkheid van het strafproces in zijn kern raakt. De politie is bij haar onderzoek uitgegaan van de gedachte dat de verdachte zich beziggehouden zou hebben met het faciliteren van liquidaties. Toen daarvoor geen enkele concrete onderbouwing werd gevonden, is vervolgens getracht om op zijn minst een kwalijke geur op te roepen c.q. een bepaald beeld van de verdachte neer te zetten teneinde toch uit te komen bij de veronderstelling van betrokkenheid bij liquidaties. Er is ten laste van de verdachte lukraak informatie geplukt uit andere onderzoeksdossiers dan het onderhavige (Didam), maar de verdediging is, in elk geval aanvankelijk, toegang tot die dossiers geweigerd. Toen dit door tussenkomst van verschillende rechterlijke instanties ten dele werd hersteld, bleek vrijwel zonder uitzondering dat hetgeen over die onderzoeken in het dossier was weergegeven arbitrair of zelfs volstrekt onjuist was. Daarnaast is relevante en mogelijk ontlastende informatie weggehouden van de verdediging.

Dit alles levert een schending op van artikel 6 EVRM. Tevens is sprake van schending van de verbaliseringsplicht als bedoeld in artikel 152 Sv.

Een en ander is een onherstelbaar vormverzuim waardoor de verdachte in zijn belangen is geschaad, nu de rechtbank op basis van onjuiste en gekleurde informatie tot een veroordeling is gekomen, als gevolg waarvan de verdachte gedetineerd bleef.

In concreto is met betrekking tot de opbouw van dit dossier in de fases van de eerste aanleg, de periode tussen de eerste aanleg en het hoger beroep en gedurende het hoger beroep, sprake geweest van het volgende:

- in eerste aanleg:

a- in het onderzoek Didam is stelselmatig verwezen naar het feit dat de verdachte in het onderzoek Warande als verdachte is aangemerkt, maar daarbij is niet vermeld dat hij in dat onderzoek niet is aangehouden en dat (het hof begrijpt: aangehouden) medeverdachten door het openbaar ministerie zijn heengezonden voor voorgeleiding bij een rechter;

b- in strijd met rechterlijke beslissingen is de verdediging aanvankelijk in het geheel geen toegang verschaft tot de onderzoeksresultaten uit het Warande onderzoek en is later slechts een fractie daarvan aan de verdediging gezonden; in dit onderzoek zijn bovendien de grenzen van de wet en het betamelijke overschreden, onder meer doordat de politie aan derden bekend heeft gemaakt dat de verdachte werd verdacht van betrokkenheid bij een liquidatie. Dit vormverzuim is ook in de onderhavige zaak van belang, nu de scheiding tussen het Warande-onderzoek en deze zaak kunstmatig is;

c- aan het dossier is onder meer een OVC gesprek toegevoegd waarin passages die, naar later bleek, op [naam 1] betrekking hadden, waren zwart gemaakt, met de kennelijke bedoeling de verdachte te associeren met geplande liquidaties;

d- in het onderzoek is niet vermeld dat in het Passage onderzoek niets ten laste van de verdachte bekend is geworden;

- tussen de eerste aanleg en het hoger beroep:

e- uit door het openbaar ministerie in deze fase verstrekte stukken bleek dat in het Didam onderzoek niet was vermeld dat de verdachte meer dan een jaar lang werd getapt in het onderzoek Goya, terwijl dit de verbalisanten bekend moet zijn geweest, nu deze tapgesprekken wel waren gevoegd in het onderzoek Warande, terwijl ten aanzien van het onderhavige onderzoek van belang was dat die tapgesprekken geen de verdachte belastende informatie bevatten. Anderzijds bevatten deze taps wel ontlastende informatie. Dit is relevant omdat de in deze zaak ten laste gelegde periode overeenkomt met de periode waarin genoemde tap liep;

- in het hoger beroep:

f- in hoger beroep is wijziging van de tenlastelegging gevorderd met het doel kennisneming door de verdediging van de relevante stukken uit de Warande en Goya onderzoeken uit de aanvankelijk ten laste gelegde periode te voorkomen. Uit de taps uit Goya die uiteindelijk wel zijn verstrekt bleek niets van voorbereidingen voor een liquidatie, maar daarentegen wel dat de verdachte werkzaam was ten behoeve van de zonnebankstudio en dat hij krap bij kas zat;

g- gebleken is dat in het Didam onderzoek de telefoon van de verdachte is getapt, terwijl in eerste instantie werd gesteld dat daarvan geen sprake was, dit terwijl ook die taps (dezelfde) ontlastende informatie bevatten;

h- de getuige [getuige 1] is buiten tegenwoordigheid van de verdediging gehoord door de politie, terwijl de verdediging om zijn verhoor bij de rechter-commissaris had gevraagd. Voorts werd daarna gesteld dat hij onvindbaar was, terwijl hij wel bereikbaar voor justitie bleek te zijn;

i- ten aanzien van de onderzoek Blauw, Tantalus en Kattekop is gesuggereerd dat de verdachte betrokken zou zijn bij ernstige feiten, dit terwijl de zaak Kattekop werd geseponeerd nadat slechts de verdenking van vuurwapenbezit was overgebleven, de verdachte in de zaak Blauw zelfs geheel niet als verdachte is aangemerkt en ook in de zaak Tantalus geen sprake zal zijn van concrete belastende informatie;

j- pas kort voor de inhoudelijke behandeling in hoger beroep is kenbaar geworden dat enveloppen in beslag zijn genomen met opschriften die mogelijk duiden op de dagopbrengst van de zonnestudio; dit werpt mogelijk een ander licht op de verdenking van witwassen; ook tapgesprekken uit Didam konden zo'n ander licht werpen;

k. in feite zijn de onderzoeken in de zaken Didam en Warande een onderzoek onder de paraplu van het onderzoek Passage, terwijl het openbaar ministerie bewust en ten onrechte heeft gesuggereerd dat Didam een op zichzelf staand onderzoek zou zijn.

Het hof overweegt als volgt.

Een aantal van de genoemde bezwaren richt zich tegen het feit dat het openbaar ministerie in het dossier informatie heeft gevoegd uit andere onderzoeken, waartoe de verdediging geen of slechts gedeeltelijk toegang kreeg. Aldus had de verdediging naar haar zeggen - met name in eerste aanleg - geen, althans onvoldoende, mogelijkheid de selectie van stukken te controleren en ontlastende informatie aan het dossier te doen toevoegen.

In het Nederlandse stelsel van strafvordering is de officier van justitie - als onderdeel van de rechterlijke macht - de autoriteit die het dossier samenstelt en alle stukken daarin voegt die redelijkerwijs van belang kunnen zijn in voor de verdachte belastende en ontlastende zin.

Indien de verdediging echter voldoende gemotiveerd naar voren brengt dat andere stukken van belang kunnen zijn voor enige door de rechter in het kader van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing zal de rechter op een daartoe strekkend verzoek die voeging kunnen bevelen. Dat is in deze zaak ook meermalen gebeurd. Aldus heeft rechterlijke controle op de samenstelling van het procesdossier plaatsgevonden, hetgeen ertoe heeft geleid dat de verdediging zich in hoger beroep op het standpunt heeft gesteld dat dit deel van haar bezwaren in wezen alleen betrekking heeft op de gang van zaken in eerste aanleg. Voorts is in dit verband van belang dat het hof de informatie afkomstig uit andere onderzoeken niet voor het bewijs heeft gebezigd. Het hof is dan ook van oordeel dat de raadsman voldoende in de gelegenheid is geweest de relevante informatie uit andere onderzoeken, waarnaar in het onderzoek Didam is verwezen, te onderzoeken. Het hof is voorts, anders dan de verdediging, van oordeel dat geen sprake is geweest van een slechts kunstmatig onderscheid tussen de zaken Didam en Warande, nu deze zaken betrekking hebben op verschillende strafbare feiten.

Het hof komt daarom tot de conclusie dat met betrekking tot de voeging van informatie in het onderhavige dossier geen sprake is geweest van een vormverzuim, dan wel van strijd met artikel 6 EVRM.

Een aantal andere bezwaren betreft het voegen in het dossier van onjuiste dan wel niet-onderbouwde informatie om een negatief beeld van de verdachte te creeren.

Het onderhavige onderzoek (Didam) is voortgevloeid uit de resultaten van een doorzoeking van de woning van de verdachte en autosleutels die in zijn fouillering werden aangetroffen, hetgeen heeft geleid tot het aantreffen van gestolen goederen en (zware) wapens.

In dit onderzoek is onder meer gerelateerd op welke wijze de verdachte naar voren kwam in andere onderzoeken, waaronder het onderzoek Warande, dat betrekking had op de liquidatie van [naam 2] en waarin is gerelateerd dat DNA dat aan de verdachte werd toegeschreven zich bevond in een voertuig dat bij die liquidatie als vluchtauto zou zijn gebruikt. Ook is melding gemaakt van belastende gegevens in de hiervoor door de raadsman bedoelde andere onderzoeken, die overigens geen betrekking hadden op liquidaties.

De vermelding van informatie uit Warande heeft kennelijk plaatsgevonden teneinde mede als onderbouwing te dienen voor de verdenking van voorbereidingshandelingen voor een liquidatie in de onderhavige zaak, nu automatische wapens, voorzien van munitie en voor direct gebruik gereed, waren aangetroffen in een gestolen auto waarvan de verdachte de sleutel in zijn bezit had. Het hof is van oordeel dat op grond van deze feiten en omstandigheden het vermoeden kon bestaan dat deze gestolen auto voor een later uit te voeren liquidatie was gereedgezet. Hetzelfde geldt voor de gedachte dat de verdachte hierbij mogelijk een rol kon hebben gespeeld, gelet op het aantreffen van genoemde autosleutel en (later) de vondst tussen de verbrande resten uit de kofferbak van de gestolen auto van een petje met daarop zijn DNA. Het hof acht de vermelding van een mogelijk verband met het onderzoek Warande, waarin eveneens een DNA-spoor van de verdachte zou zijn aangetroffen, daarom niet in strijd met enig beginsel van een behoorlijke procesorde of met artikel 6 EVRM.

De verwijzingen naar de zaken Kattekop, Blauw en Tantalus hadden kennelijk een ander doel, nu deze zaken geen betrekking hadden op liquidaties. Het openbaar ministerie heeft gesteld dat door deze vermeldingen werd duidelijk gemaakt dat al langer contacten bestonden tussen de verdachte en [persoon 1], [persoon 2] en/of [persoon 3], die naar het oordeel van het openbaar ministerie ook een rol spelen in het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan de onderhavige zaak. In hoger beroep is komen vast te staan dat de verwijzing naar de zaak Blauw onterecht was. Nu deze onjuistheid echter in hoger beroep is hersteld, is van een op de voet van artikel 359a Sv te beoordelen vormverzuim geen sprake. Ook overigens is het hof van oordeel dat de verdachte door deze verwijzingen, voor zover deze in eerste instantie al onvolledig zouden zijn geweest, niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad en dat derhalve van zo’n vormverzuim geen sprake is, hoewel moet worden betreurd dat in een aantal gevallen onzorgvuldig is geverbaliseerd.

Het volgende geldt nog meer specifiek ten aanzien van hetgeen is gesteld onder:

b en c: met de verdediging acht het hof het onwenselijk en onzorgvuldig dat een getuige is gehoord in een situatie waarin mogelijk derden het gesprek konden beluisteren. Niet aannemelijk is echter dat de verdachte daardoor enig nadeel heeft ondervonden. Voorts acht het hof het ongelukkig dat een proces-verbaal is toegevoegd waarin een telefoongesprek wordt weergegeven waaruit – volgens de politie – zou kunnen worden afgeleid dat (onder meer) de verdachte een persoon zou willen liquideren, waarbij de naam van die persoon niet wordt genoemd, terwijl in het dossier Passage de naam van deze persoon wel bekend is gemaakt. Hier geldt dat, voor zover hierdoor sprake zou zijn van een vormverzuim, dit in hoger beroep is hersteld.

c en g:

met de raadsman is het hof van oordeel dat onduidelijkheid heeft bestaan over welke taps er op de verdachte hebben gelopen en dat de verslaglegging over die taps niet in het proces-verbaal is terug te vinden. Nu echter uiteindelijk in de fase van het hoger beroep hierover wel duidelijkheid is ontstaan en de raadsman van de bedoelde taps kennis heeft kunnen nemen, is geen sprake van een vormverzuim dat op de voet van artikel 359a Sv dient te worden beoordeeld. Overigens is niet gebleken dat deze verslaglegging met opzet uit het dossier is weggelaten. Het hof wijt de onduidelijkheid veeleer aan het gegeven dat verschillende politieonderdelen gelijktijdig bezig waren met onderzoeken waarin de verdachte naar voren kwam, terwijl men onderling niet dan wel beperkt gegevens uitwisselde.

d en i:

hoewel informatie uit andere onderzoeken in het Didam dossier is vermeld en naar valt aan te nemen de bedoeling had aannemelijk te maken dat de verdachte mogelijk betrokken was bij voorbereiding van moord, is niet aannemelijk geworden dat het daarmee ook de bedoeling was de rechter te misleiden (door "stemmingmakerij") of de verdachte doelbewust tekort te doen. Gelet op hetgeen onder de verdachte in beslag was genomen lag het voor de hand dat de politie in het dossier ook melding zou maken van achtergrondgegevens rond de verdachte die bekend waren uit andere onderzoeken, die deze verdenking mogelijk konden ondersteunen.

Daarbij zijn onzorgvuldigheden opgetreden, doordat deze informatie niet altijd accuraat en volledig was. Niet kan worden echter worden gezegd dat het uitsluitende doel van deze vermeldingen was om de verdachte ten onrechte in verband te brengen met liquidaties en hem daarmee ten onrechte tekort te doen, noch dat deze vermeldingen geen redelijk doel dienden.

Het hof volstaat daarom met de constatering dat op onderdelen onzorgvuldigheden zijn opgetreden, maar verbindt daaraan geen strafrechtelijk relevant gevolg.

f:

de stelling van de raadsman mist elke grondslag. Van een dergelijk oogmerk is niet gebleken, nog daargelaten dat het hof die vordering wijziging tenlastelegging heeft toegewezen;

h:

de getuige [getuige 1] is - uiteindelijk - door de verdediging in de fase van het hoger beroep ondervraagd. Niet gebleken is dat de mededeling dat hij niet te traceren zou zijn ten doel had zijn ondervraging als getuige te belemmeren. Hoewel het hof het niet gepast vindt dat de getuige, nadat de verdediging het verzoek had gedaan hem te horen, buiten haar aanwezigheid door de politie is gehoord, is het gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte door de gewraakte gang van zaken niet in zijn verdediging is geschaad;

j:

De bedoelde enveloppen noch andere informatie (uit telefoongesprekken) omtrent de werkzaamheden van de verdachte bij de zonnestudio, hebben relevantie voor het ten laste gelegde witwassen, nu gebleken is dat de dagopbrengsten van die studio gemiddeld enkele honderden euro's bedroegen en regelmatig (en naar het hof aanneemt in volle omvang) bij de bank werden gestort, de laatste dagopbrengst zeer kort voor de aanhouding van de verdachte. Voorts is gebleken dat het salaris van de verdachte ter zake van zijn functie bij de zonnebankstudio weliswaar in eerste instantie contant door hem werd opgenomen, maar vervolgens door hem bij een andere bank werd gestort en aangewend voor diverse huishoudelijke uitgaven, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard en zoals blijkt uit de betreffende dagafschriften in het dossier. De bij de verdachte aangetroffen - en de door hem voor de aanschaf van een auto aangewende geldbedragen kunnen dan ook niet door die dagopbrengsten of zijn salaris worden verklaard. Overigens zal het hof de verdachte vrijspreken van de tenlastelegging met betrekking tot het witwassen van deze geldbedragen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat hoewel op onderdelen kan worden gesproken van onzorgvuldigheden, onder meer bij het correct verbaliseren, er geen sprake van is dat het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort heeft gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces, ook niet wanneer de geconstateerde onzorgvuldigheden in samenhang worden bezien.

Voor zover sprake was van verzuimen in het voorbereidend onderzoek zijn deze in de fase van het hoger beroep zoveel mogelijk hersteld. Mede gelet op de beslissingen die hierna worden genomen valt daarnaast niet in te zien welk nadeel de verdachte door de verzuimen zou hebben geleden.

Van een schending van artikel 6 EVRM is geen sprake.

Het primair en subsidiair gevoerde verweer wordt op alle onderdelen verworpen.

De onderdelen van het dossier die de raadsman op het oog heeft bij zijn onder meer subsidiair geformuleerde verweer gebruikt het hof niet voor het bewijs. Dit verweer behoeft daarom geen bespreking.

Vrijspraak

Ten aanzien van het plegen van voorbereidingshandelingen ter zake van moord/doodslag

Het openbaar ministerie heeft zich ten aanzien van feit 1 van zaak C op het volgende standpunt gesteld. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van voorbereidingshandelingen ten aanzien van moord dan wel doodslag, nu vastgesteld kan worden dat hij opzettelijk een Audi A6 met daarin twee (doorgeladen) volautomatische vuurwapens (te weten een Kalashnikov en een aangepaste Glock) voorzien van een groot aantal patronen, twee valse kentekenplaten en een pet voorhanden heeft gehad. Daarnaast heeft de verdachte daartoe opzettelijk een Peugeot 307 voorhanden gehad.

Gezien de omstandigheden dat voormelde voertuigen van diefstal afkomstig waren, van hun kentekenplaten waren ontdaan en geparkeerd stonden op de openbare weg ( in Amsterdam-Buitenveldert), de twee vuurwapens alsook de twee valse kentekenplaten zich in de kofferbak van de Audi A6 bevonden en zowel die Audi A6 als die Peugeot 307 in brand zijn gestoken nadat de verdachte door de politie was aangehouden, kan dit op de gemiddelde rechtsgenoot geen andere indruk maken dan dat deze voorwerpen in hun gezamenlijkheid hebben gediend tot voorbereiding van liquidaties. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de omstandigheden voornoemd grote gelijkenis vertonen met eerdere liquidatiezaken en dat de verdachte geen redengevende verklaring heeft gegeven die afdoet aan die conclusie. Aldus het openbaar ministerie.

Het hof overweegt als volgt.

Een onderzoek van de politie naar mogelijke slachtoffers en opdrachtgevers (zoals blijkt uit een verklaring van [getuige 2] d.d. 5 oktober 2010 bij de rechter-commissaris) heeft niets opgeleverd en ook overigens is uit het onderzoek daaromtrent onvoldoende concrete informatie naar voren gekomen. Wat wel vaststaat is dat de verdachte de hiervoor genoemde voertuigen en daarin aangetroffen voorwerpen onder de vorenomschreven omstandigheden opzettelijk voorhanden heeft gehad, maar het hof acht dit op zichzelf onvoldoende om reeds daaruit het opzet van de verdachte op het plegen van voorbereidingshandelingen voor het begaan van het misdrijf moord dan wel doodslag of een ander bepaald misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer staat af te leiden. Het enkele feit dat de omstandigheden rond het aantreffen van de Audi (grote) gelijkenis vertonen met omstandigheden rond eerdere liquidaties maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor het feit dat in de onmiddellijke nabijheid een Mercedes Vito busje is aangetroffen dat in verband kon worden gebracht met [persoon 1] en waarin bivakmutsen werden aangetroffen. Zonder enige informatie omtrent de plannen van – wat het openbaar ministerie aanduidt als – ‘de dadergroepering’, of de intentie van de verdachte op dit punt blijft dit onvoldoende om een bewezenverklaring te kunnen dragen.

De verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het witwassen van enkele geldbedragen.

Het openbaar ministerie heeft gesteld dat het niet anders kan dan dat de verdachte wist dat de geldbedragen die zijn aangetroffen in zijn woning en in de Volkswagen Golf (telkens een bedrag van EUR 2.500,-), alsmede het geldbedrag dat de verdachte heeft aangewend ter financiering van de aankoop van een Opel Antara (een bedrag van EUR 8.000,-) van misdrijf afkomstig waren, nu de verdachte geen legale inkomstenbron had.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat voormelde geldbedragen afkomstig zijn uit misdrijf. Daarnaast leiden noch de hoogte van de aangetroffen geldbedragen en het geldbedrag dat is gebruikt ter financiering voor de aankoop van de Opel Antara, noch de wijze van aantreffen van de contanten of de coupures waaruit zij bestonden, tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf. Dat het inkomen van de verdachte op zichzelf onvoldoende was om te verklaren hoe hij over deze bedragen kon beschikking en dat hij zich ter zake op zijn zwijgrecht heeft beroepen, maakt dat niet anders

De verdachte dient daarom van deze onderdelen in de tenlastelegging zoals hiervoor weergegeven onder 3 in zaak A te worden vrijgesproken.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde en in zaak B onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-529044-08 (zaak A)

Feit 2

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten

(op het adres [adres] te Amsterdam)

- een (doorgeladen) vuurwapen, te weten een pistool (merk Hrvatski Samokres) en

- een (geladen) patroonhouder (type 9 mm, merk Glock) en

munitie van categorie III, te weten

(op het adres [adres] te Amsterdam)

- (in het hierboven genoemde doorgeladen vuurwapen merk Hrvatski) 10 patronen (kaliber 9 x 19 mm volmantel profielen) en

- (in de hierboven genoemde geladen patroonhouder) 15 patronen (kaliber 9 x19 mm)

voorhanden heeft gehad;

Feit 3

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam voorwerpen, te weten:

- een navigatiesysteem (type 269 digiwalker, systeemmerk MIO, serienummer [serienummer]) en

- een horloge (goudkleurig, serienummer [serienummer], merk Rolex) en

- een (portable) computer (merk Toshiba, zwart, serienummer [serienummer])

voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Zaak met parketnummer 13-409008-08 (zaak B, gevoegd)

Feit 1

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam wapens van categorie II, te weten in een gedeeltelijk uitgebrande Audi A6, grijs kenteken [kenteken]

- een vuurwapen (volautomatisch, merk Kalashnikov, model M70 AB2, 7.62 x 39 mm) en

- een vuurwapen (volautomatisch, merk Glock, model 17C, 9 x 19 mm) en

- (in de patroonhouder van de Kalashnikov) munitie van categorie III, te weten 26 patronen (kaliber 7.62 x 39 mm) en

- (in de patroonhouder van de Glock) munitie van categorie III, te weten 26 patronen (kaliber 9 x 19 mm)

voorhanden heeft gehad;

Feit 2

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam een auto (merk Audi, kleur grijs afgegeven met kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 3

hij op 25 maart 2008 in de gemeente Amsterdam een personenauto (te weten een Peugeot, kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 4

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam een (portable) computer (merk Toshiba, zwart, serienummer [serienummer]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 5

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam een horloge (goudkleurig, serienummer [serienummer], merk Rolex) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 6

hij op 25 maart 2008 te Amsterdam een navigatiesysteem (type 269 digiwalker, systeemmerk MIO, serienummer [serienummer]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Hetgeen in zaak A onder 2 en 3 en in zaak B onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van het aangetroffen vuurwapen op het adres [adres]

De raadsman van de verdachte heeft het volgende aangevoerd. Uit het dossier kan niet blijken dat sprake was van bewustheid van de verdachte omtrent de aanwezigheid van het wapen op het adres [adres] te Amsterdam. Evenmin kan uit het dossier blijken dat de verdachte beschikkingsmacht had over het aldaar aangetroffen vuurwapen. Aldus is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Hij dient vrijgesproken te worden van dit feit.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het adres waar het vuurwapen is aangetroffen betreft het woonadres van de verdachte. Uit het proces-verbaal van bevindingen in zake de doorzoeking d.d. 25 maart 2008 (pagina 113 en 114 van het dossier) blijkt dat het vuurwapen is aangetroffen in een keukenkastje boven de koelkast in een zwart lederen tasje. Zo ook de patroonhouders en de munitie. Naar het oordeel van het hof is dit een plaats waar bewoners regelmatig plegen te komen. Het hof acht het dan ook onaannemelijk dat de verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het aangetroffen vuurwapen, de patroonhouders en de munitie. Daaraan doet niet af dat de doorzoeking in de woning van de verdachte gericht was op het vinden van goederen toebehorend aan [persoon 1]. Niet aannemelijk is geworden dat [persoon 1], of een ander dan de verdachte (en zijn vrouw), vrije toegang tot die woning had en/of daar buiten medeweten van de verdachte een wapen zou kunnen verbergen. Nu die voorwerpen zich bovendien op een voor de verdachte toegankelijke plaats bevonden, kan het niet anders dan dat de verdachte ook beschikkingsmacht had over die voorwerpen.

Het verweer wordt verworpen.

Ten aanzien van het aangetroffen Rolex horloge, het navigatiesysteem en de laptop

De raadsman van de verdachte heeft het volgende aangevoerd. Niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap had van het feit dat het in zijn woning aangetroffen Rolex horloge, de laptop en het navigatiesysteem van misdrijf afkomstig waren. De verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van zowel het witwassen als het helen van deze goederen, aldus de raadsman.

Het hof overweegt te dien aanzien dat vaststaat dat deze goederen op enig moment zijn gestolen, nu ten aanzien van die goederen telkens aangifte van diefstal is gedaan. Vervolgens zijn deze goederen thuis bij de verdachte aangetroffen en de verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat hij over deze goederen de beschikking had. De verdachte heeft geen aannemelijke verklaring willen geven over hoe hij aan die goederen is gekomen. Daarnaar gevraagd ter terechtzitting in hoger beroep, waar hij voor het eerst omtrent die goederen iets heeft verklaard, te weten dat het Rolex horloge niet van hem was, dat hij het navigatiesysteem van iemand heeft geleend en dat hij de laptop van iemand heeft gekocht, heeft hij deze verklaring niet nader willen onderbouwen, na daartoe uitdrukkelijk te zijn gevraagd, terwijl die verklaring onder de gegeven omstandigheden toelichting behoefde teneinde geloofwaardig en derhalve aannemelijk te zijn. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte (ook ten tijde van het verkrijgen van deze goederen) moet hebben geweten dat de goederen afkomstig waren uit enig misdrijf en hecht het geen geloof aan zijn summiere uitleg.

Ten aanzien van het voorhanden hebben van de Audi A6 en de Peugeot 307

De verdediging heeft het volgende aangevoerd. Het enkele feit dat de autosleutels van de Audi A6 en Peugeot 307 bij de verdachte zijn aangetroffen brengt niet zonder meer mee dat de verdachte deze voertuigen ook voorhanden heeft gehad. Niet kan worden uitgesloten dat de verdachte de autosleutels heeft gevonden in het dashboardkastje van zijn auto, zoals door de verdachte zelf is aangedragen, te meer nu hij – naar zijn zeggen – zijn auto daags voor zijn aanhouding heeft uitgeleend aan een ander. Evenmin kan worden uitgesloten dat de verdachte de autosleutels voor een derde in beheer heeft gehad. In elk geval kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de auto’s van misdrijf afkomstig waren, nu het de originele autosleutels betrof en uit het dossier niet blijkt op welke wijze de verdachte de beschikking heeft gekregen over die autosleutels.

Het hof overweegt als volgt.

De verdediging heeft de – louter hypothetische - mogelijkheid dat de verdachte de autosleutels in beheer heeft gehad voor een derde naar voren gebracht maar niet nader onderbouwd. Onduidelijk blijft voor wie de verdachte de sleutels dan mogelijk in beheer had en waarom. Het hof acht het dan ook niet aannemelijk dat deze mogelijkheid zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Het hof acht het evenmin aannemelijk dat de verdachte de autosleutels heeft gevonden in het dashboardkastje van zijn auto. Nog daargelaten dat de verdachte pas ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst met deze verklaring is gekomen, heeft hij, ook na daarnaar uitdrukkelijk te zijn gevraagd, op nadere vragen geen antwoord willen geven, terwijl ook deze verklaring toelichting behoefde teneinde geloofwaardig te zijn.

Deze door de verdediging aangedragen verklaringen voor het bezit van de desbetreffende sleutels vinden voorts geen steun in het dossier. Het hof gaat er daarom van uit dat de verdachte door het in het bezit hebben van de autosleutels ook daadwerkelijk de feitelijke zeggenschap heeft gehad over beide voertuigen.

Ten overvloede merkt het hof ten aanzien van de Audi A6 nog op dat de aanname dat de verdachte de feitelijke zeggenschap over dit voertuig had wordt ondersteund door het feit dat in een deels uitgebrande tas in de kofferbak van dat voertuig een pet is aangetroffen met aan de binnenzijde van die pet een hoofdhaar waarvan het DNA profiel matcht met dat van de verdachte. Niet aannemelijk is geworden dat een derde deze pet (of die tas) in die Audi A6 heeft achtergelaten, zodat ervan uit moet worden gegaan dat dit de verdachte is geweest, die deze auto dus heeft gebruikt.

Het bezit van de auto’s onder de vorenomschreven omstandigheden en het gebruik dat hij van de Audi, waarin zich valse kentekenplaten bevonden, heeft gemaakt, terwijl niet is gebleken dat hij rechtmatig over deze auto’s beschikte, voeren het hof ook tot de conclusie dat de verdachte bij de verkrijging ervan heeft geweten dat deze auto’s afkomstig waren uit enig misdrijf. Zo dit anders zou zijn had het onder de gegeven omstandigheden op de weg van de verdachte gelegen een aannemelijke verklaring omtrent die rechtmatige verkrijging te geven. De verdachte heeft dit niet willen doen, dan wel dit nagelaten.

Ten aanzien van de aangetroffen vuurwapens in de kofferbak van de Audi A6

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat, mede gelet op de verklaringen van de heer Koster bij de rechter-commissaris d.d. 16 maart 2009, niet kan worden uitgesloten dat derden toegang hebben gehad tot de Audi A6 en – zo begrijpt het hof – dat die derden de vuurwapens in de kofferbak van die Audi A6 hebben gelegd zonder medeweten van de verdachte. Aldus kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat de verdachte deze vuurwapens voorhanden heeft gehad, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2008 (pagina 265 van het dossier) blijkt dat de bij de verdachte aangetroffen sleutels van de Audi A6 de enige in omloop zijnde officiele sleutels waren. Dat er (valse) kopieen van die sleutels zijn gemaakt is niet aannemelijk geworden. In ieder geval beschikten de door een getuige waargenomen gemaskerde mannen, die kennelijk op de hoogte waren van het feit dat zich in de kofferbak van de Audi A6 vuurwapens bevonden, gezien het feit dat zij hebben gepoogd de kofferbak van die Audi A6 open te breken en welke mannen die Audi A6 vervolgens in brand hebben gestoken, klaarblijkelijk niet over een dergelijke (valse) kopiesleutel van die Audi A6. Gelet op die omstandigheid gaat het hof er dan ook van uit dat de verdachte als enige - naast de leasemaatschappij waar blijkens de verklaring van de aangever de andere hoofdsleutel was ingeleverd - over een sleutel beschikte die toegang gaf tot de Audi A6 alsook de kofferbak van die Audi A6 en dat hij zich aldus bewust moet zijn geweest van (in ieder geval) de aanwezigheid van de zich los in die kofferbak bevindende Glock.

Ook ten aanzien van de in de kofferbak aangetroffen Kalashnikov is het hof van oordeel dat de verdachte op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van dit vuurwapen. Het hof overweegt daartoe het volgende. [verbalisant 1] heeft op 5 oktober 2010 bij de rechter-commissaris verklaard dat de in de kofferbak aangetroffen Kalashnikov op de bodem lag van de eerder genoemde zich eveneens in die kofferbak bevindende en deels uitgebrande tas. Boven en onder die Kalashnikov lagen resten van die tas. Het hof leidt hieruit af dat de Kalashnikov zich in die tas moet hebben bevonden. De verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] doen niet af aan dit oordeel. Zoals hiervoor al door het hof overwogen, bevond zich in diezelfde tas een pet met in de binnenzijde daarvan een hoofdhaar met het DNA profiel dat matcht met dat van de verdachte. Het hof leidt daaruit af dat die tas kennelijk in gebruik was bij de verdachte, nu niet aannemelijk is geworden dat een ander dan de verdachte die pet in die tas heeft achtergelaten.

Gelet hierop en gelet op het feit dat de tas in de Audi A6 heeft gelegen waarover alleen de verdachte feitelijke zeggenschap had, moet de verdachte zich ook bewust zijn geweest van de aanwezigheid van de Kalashnikov in die tas.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 2 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in zaak A onder 3 bewezen verklaarde

witwassen, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in zaak B onder 1 bewezen verklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

ten aanzien van het in zaak B onder 2 tot en met 6 bewezen verklaarde telkens

opzetheling

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregelen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde, in zaak B onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde en in zaak C onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van voorarrest. Verder heeft de rechtbank twee geldbedragen van ieder EUR 2.500,- verbeurd verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadman van de verdachte heeft verzocht in geval van strafoplegging geen hogere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft verschillende wapens en munitie in zijn bezit gehad. Met name de volautomatische wapens die zijn aangetroffen in de kofferbak van de van diefstal afkomstige Audi A6 zijn zeer zware wapens en geschikt om in korte tijd zeer ernstig onheil aan te richten. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt onaanvaardbare risico’s en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg. De ervaring leert dat van die wapens op enig moment ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt, met alle daaraan verbonden leed. Het hof acht het bezit van die wapens dan ook zeer ernstig en rekent dit de verdachte zwaar aan.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen, door een van misdrijf afkomstig Rolex horloge, een laptop en een navigatiesysteem voorhanden te hebben. Ook dit zijn ernstige feiten, te meer nu het om meerdere goederen gaat van niet onaanzienlijke waarde.

Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van voormelde goederen en heling van twee personenauto’s. Ook dit zijn ernstige feiten, nu de verdachte hiermee een afzetmarkt creeert voor van misdrijf afkomstige goederen.

Voorts heeft het hof ten nadele van de verdachte in aanmerking genomen dat uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiele Documentatie van 21 februari 2011 blijkt dat de verdachte eerder meermalen voor misdrijven is veroordeeld.

In de door de raadsman aangedragen omstandigheden ziet het hof geen reden om de op te leggen straf te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het voorwaardelijk deel dient ertoe de verdachte uitdrukkelijk in te scherpen dat hij zich in de toekomst dient te onthouden van gedragingen als de bewezen verklaarde.

De hierna als zodanig te melden in beslag genomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezen verklaarde met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 63, 416 en 420 bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ten aanzien van het in zaak A onder 1, onder 2, derde gedachtestreepje, onder 3, tweede gedachtestreepje en in zaak C onder 2 .ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak C onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde en in zaak B onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in zaak A onder 2 en 3 ten laste gelegde en in zaak B onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 1 (een) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de onder 3 t/m 15, 22, 28, 28a en 29, 39 t/m 42, 45, 83 en 85 genoemde voorwerpen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de onder 31 t/m 37, 43, 44, 46, 51, 52, 54 t/m 82, 84 en 86 genoemde voorwerpen dan wel geldbedragen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de bewaring van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende, te weten: de onder 19 t/m 21, 30, 38, 47 t/m 50 en 53 genoemde voorwerpen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Gelast de bewaring bij de politie van de onder 17, 18 en 23 t/m 27 genoemde voorwerpen op de aan dit arrest gehechte beslaglijst.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E.M. Röttgering, mr. T.A.C. van Hartingsveldt en mr. L.A.J. Dun, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 maart 2011.

De oudste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.