Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8019

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
200.062.157/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof verklaart klager voor de klacht omschreven onder 4.2. niet-ontvankelijk en bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Klagers gaan kennelijk uit van de vooronderstelling dat artikelen 98 en 17 Wna elk een eigen tuchtrechtelijke norm bevatten waaraan de kamer de klacht had dienen te toetsen. Artikel 98 lid 1 Wna geeft echter aan ter zake van welk handelen of nalaten de (kandidaat)notarissen aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Waar in deze bepaling wordt gesproken over ‘handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling’ is de bepaling, neergelegd in artikel 17 lid 1 Wna daaronder begrepen. Voor zover de klachten van klagers ‘handelen of nalaten in strijd met het bepaalde in artikel 17 lid 1 Wna’ inhielden, kon de kamer bij de beoordeling van die klachten toetsen aan de bedoelde norm zonder het artikel uitdrukkelijk te noemen. Het hof heeft dit eveneens gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 25 januari 2011 in de zaak onder nummer 200.062.157/01 NOT van:

1. [klager sub 1],

wonende te [ ],

2. [klager sub 2],

wonende te [ ],

3. [klager sub 3],

wonende te [ ],

APPELLANTEN,

gemachtigde: mr. J.F. van Dijk,

t e g e n

[de notaris],

notaris te [ ],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellanten, hierna klagers, is bij een op 7 april 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Rotterdam, hierna de kamer, van 11 maart 2010, waarbij de kamer de klacht van klagers tegen geïntimeerde, hierna de notaris, ongegrond heeft verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 10 mei 2010 een verweerschrift en op 13 oktober 2010 een brief met nadere producties voor de mondelinge behandeling ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 oktober 2010. De klagers, de notaris alsmede hun gemachtigden zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigden aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klagers

4.1. Klagers verwijten de notaris dat zij tekort is geschoten in haar notariële zorgplicht ten opzichte van hen. Zij hebben hiervoor het volgende aangevoerd:

a. de notaris heeft de aan haar kwaliteit van notaris ontleende macht op een oneigenlijke wijze gebruikt, namelijk uitsluitend met het doel betaling van haar nota af te dwingen;

b. de notaris heeft geweigerd om op de kwitantie te doen aantekenen dat klagers de contante betaling van €5.627,34 uitsluitend verrichtten onder het voorbehoud van een dreigende veiling van hun woonhuis;

c. de notaris heeft de nota voor de veilingkosten aan klagers gestuurd in plaats van aan de opdrachtgever van de veiling, te weten [Q];

d. de door de notaris opgestelde nota van afrekening is buitensporig hoog voor de werkzaamheden met betrekking tot een veiling die niet is doorgegaan;

e. de notaris heeft toegestaan c.q. gedoogd dat één van haar medewerkers zich de kwaliteit van notaris heeft aangemeten, zonder daartoe bevoegd te zijn;

f. tijdens het bezoek bij klagers thuis heeft de heer mr. [X] de navolgende – ongepaste – opmerking gemaakt: “U bent wel voortvarend door de kerstboom neer te zetten.”;

g. door de vermelding “Estate-planner’ op haar briefpapier heeft de notaris de valse indruk gewekt dat zij lid zou zijn van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat terwijl zij niet als lid staat ingeschreven.

4.2. Daarnaast wijzen klagers erop dat de notaris heeft gehandeld in strijd met artikel 17 lid 2 Wet op het Notarisambt (hierna Wna).

Artikel 17 lid 2 Wna luidt:

“De notaris mag zijn ambt niet uitoefenen in dienstbetrekking of in enig ander verband waardoor zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid wordt of kan worden beïnvloed.”

Volgens klagers is er door het voor zichzelf oprichten van diverse besloten vennootschappen en een stichting een belangenverstrengeling ontstaan binnen het kantoor van de notaris. De aandelen van [ ] Notaris BV worden voor honderd procent gehouden door [1] BV wiens aandelen weer voor honderd procent worden gehouden door [2] BV. Door het opzetten van dit netwerk komen de persoonlijke eigenschappen (naar het hof verstaat: van de notaris) in het gedrang in het verkeer met de personen waarmee de notaris te maken krijgt. Voorts stellen klagers dat de notaris door middel van de Stichting [ ] rechtstreeks of middellijk handelt in registergoederen, hetgeen op grond van de Wna verboden is.

4.3. Voorts zijn klagers van oordeel dat de kamer heeft nagelaten hun klacht te toetsen aan artikel 17 lid 1 Wna, nu de kamer in haar beslissing uitsluitend heeft beoordeeld of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 98 lid 1 Wna.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris heeft de stellingen van klagers betwist en zich als volgt verweerd:

a. door klagers dringend te verzoeken de kosten vóór aanvang van de veiling te voldoen, heeft de notaris juist in het belang van klagers gehandeld. De notaris beoogde hiermee uitsluitend te bereiken dat klagers aan de door de hypotheekhoudster [Q] gestelde voorwaarde - betaling van een bedrag ad €1.002,00 en alle veilingkosten – zouden voldoen;

b. de notaris ontkent dat klagers hebben verzocht om een extra aantekening op de kwitantie te maken en dat zij of één van haar medewerkers dit zouden hebben geweigerd;

c. door de nota van afrekening – met inbegrip van de veilingkosten - aan klagers toe te sturen heeft de notaris gehandeld overeenkomstig hetgeen gebruikelijk is in de veilingpraktijk. Daarnaast hebben klagers, noch de gemachtigde van klagers, enig bezwaar gemaakt tegen deze nota van afrekening;

d. de notaris stelt dat de hoogte van de nota van afrekening niet ongebruikelijk is voor een veiling – ook als deze op het laatste moment niet doorgaat - en betwist dat deze te hoog is;

e. de notaris betwist dat de heer mr. [X] zich als notaris heeft gepresenteerd. Uit het door hem aan klagers overhandigde visitekaartje blijkt duidelijk dat hij geen notaris is, maar belast is met (onder andere) bijzonder beheer en diensten in het kader van veilingen;

f. uit de overgelegde verklaringen van de heer mr. [X] en de heer [Y] over hetgeen er tijdens dit bezoek heeft plaatsgevonden blijkt dat de heer mr. [X] de gestelde opmerking nimmer gemaakt heeft;

g. blijkens een overgelegde brief van de vereniging van Estate Planners in het Notariaat is de notaris wel degelijk lid van deze vereniging.

5.2. In de door klagers eerst in hoger beroep aangevoerde klachten van vermeende belangenverstrengeling en van verboden handel in registergoederen zijn nieuwe klachtonderdelen te onderkennen, die het hof op grond van vaste rechtspraak niet in behandeling kan nemen.

6. De beoordeling

6.1. Het onderzoek in hoger beroep heeft ten aanzien van de hiervoor onder 4.1. sub a. tot en met c. en e. tot en met g. weergegeven klachten niet geleid tot de vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.

6.2. Ten aanzien van het klachtonderdeel onder 4.1. sub d. ziet het hof eveneens geen aanleiding anders te oordelen dan de kamer, waarbij het hof nog het volgende aantekent. Nu klaagster sub 2. op de dag van ontvangst van de nota van afrekening, telefonisch aan de notaris heeft bevestigd dat zij het slotbedrag van de nota van afrekening op het kantoor van de notaris zou komen betalen en het bedrag daadwerkelijk de volgende dag heeft betaald, mocht de notaris ervan uitgaan dat klagers de nota van afrekening accepteerden. Bovendien betrof het hier een door [Q] gestelde voorwaarde - betaling van een bedrag ad €1002,00 en alle veilingkosten – om de veiling geen doorgang te laten vinden, en geen voorwaarde die door de notaris gesteld was.

6.3. Van de onder 4.2. geformuleerde klachten van vermeende belangenverstrengeling en verboden handel in registergoederen kan het hof geen kennis nemen, nu klagers deze verwijten voor het eerst in hoger beroep naar voren hebben gebracht. Klagers dienen in deze klachten niet-ontvankelijk te worden verklaard.

6.4. Aangaande de onder 4.3. geformuleerde klacht overweegt het hof als volgt.

Artikel 98 lid 1 Wna luidt:

“Notarissen en kandidaat-notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die zij als notarissen of kandidaat-notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.”

Artikel 17 lid 1 Wna luidt:

“De notaris oefent zijn ambt in onafhankelijkheid uit en behartigt de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze en met de grootst mogelijke zorgvuldigheid.”

Klagers gaan kennelijk uit van de vooronderstelling dat voormelde artikelen elk een eigen tuchtrechtelijke norm bevatten waaraan de kamer de klacht had dienen te toetsen. Artikel 98 lid 1 Wna geeft echter aan ter zake van welk handelen of nalaten de (kandidaat)notarissen aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen. Waar in deze bepaling wordt gesproken over ‘handelen of nalaten in strijd met enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling’ is de bepaling, neergelegd in artikel 17 lid 1 Wna daaronder begrepen. Voor zover de klachten van klagers ‘handelen of nalaten in strijd met het bepaalde in artikel 17 lid 1 Wna’ inhielden, kon de kamer bij de beoordeling van die klachten toetsen aan de bedoelde norm zonder het artikel uitdrukkelijk te noemen. Het hof heeft dit eveneens gedaan.

6.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.5. Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klachten als omschreven onder 4.2.;

- bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L. Verheij, M.W.E. Koopmann en A.H.N. Stollenwerck en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 januari 2011 door de rolraadsheer.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam

Reg.nr. 28/09

Beslissing op een klacht als bedoeld in artikel 99 van de Wet op het notarisambt van:

[klager sub 1],

wonende te [ ],

en

[klager sub 2],

wonende te [ ],

en

[klager sub 3],

wonende te [ ],

hierna te noemen klagers,

gemachtigde mr. J.F. van Dijk,

- tegen -

[de notaris],

notaris te [ ],

hierna te noemen de notaris,

advocaat mr. G.L. Maaldrink.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De Kamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- klaagschrift d.d. 9 oktober 2009 met bijlagen;

- verweerschrift d.d. 27 oktober 2009 met bijlagen;

- aanvullende producties klagers d.d. 27 januari 2010;

- aanvullende producties notaris d.d. 5 februari 2010;

- pleitnota van mr. J.F. van Dijk overgelegd ter zitting;

- pleitnota van mr. G.L. Maaldrink overgelegd ter zitting.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden tijdens de vergadering van de Kamer op 11 februari 2010. Daarbij is één van de klagers, [klager sub 2], bijgestaan door mr. J.F. van Dijk, alsook de notaris, bijgestaan door mr. G.L. Maaldrink, verschenen. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht.

2. De feiten

De Kamer gaat uit van de navolgende feiten:

2.1

Hypotheekhoudster [Q] (hierna: [Q]) heeft de executie van een door V.O.F. [Z] gelegd executoriaal beslag overgenomen.

2.2

Bij brief van 25 november 2008 heeft [Q] aan klagers bericht dat zij overgaat tot opeising van de hypothecaire lening. In deze brief is vermeld dat [Q] een bedrag van € 6.000,- aan interne kosten in rekening brengt.

2.3

Bij gebreke van betaling door klagers heeft [Q] de notaris opdracht gegeven tot openbare verkoop van de woning van klagers over te gaan. De veiling was gepland op 10 februari 2009 om 14.00 uur.

2.4

Ter voorbereiding op de veiling hebben twee medewerkers van het kantoor van de notaris, de heer mr. [X] en de heer [Y], op 17 december 2008 een bezoek gebracht bij klagers thuis.

2.5

Er is een minnelijke regeling getroffen enerzijds tussen V.O.F. [Z] en klagers en anderzijds tussen [Q] en klagers. Op 9 februari 2009 heeft [Q] de notaris van de getroffen regeling op de hoogte gesteld. [Q] heeft daarbij meegedeeld dat de (inzet)veiling kon worden gestaakt en het bedrag van € 6.000,- niet aan klagers in rekening zou worden gebracht op voorwaarde dat klagers ervoor zouden zorgen dat alle veilingkosten en de op dat moment bestaande achterstand ad € 1.002,82 uiterlijk 10 februari 2009 op de rekening van de notaris zou zijn bijgeschreven.

2.6

Vervolgens heeft de notaris onverwijld een nota van afrekening laten opstellen. De nota van afrekening, waarop het bedrag van € 1.002,82 ten behoeve van [Q] en alle veilingkosten zijn vermeld, betreft een totaalbedrag van € 5.627,34. De notaris heeft de nota per e-mail aan klagers en hun advocaat, mr. J.W. van der Kooi, toegezonden en daarbij meegedeeld dat het totaalbedrag uiterlijk op 10 februari 2009 voor 12.00 uur zichtbaar op een van de notariële bankrekeningen aanwezig diende te zijn, nu de veiling op 14.00 uur was bepaald. Vooraf heeft de notaris dit ook telefonisch aan klaagster [sub 3] meegedeeld.

2.7

Klaagster [sub 3] heeft per email aan het notariskantoor bevestigd dat de nota de volgende morgen voor 12.00 uur op het notariskantoor zou worden betaald.

2.8

Op 10 februari 2009 hebben klagers ten kantore van de notaris het totaalbedrag in contanten betaald. Ten bewijze van ontvangst van dit bedrag is op de nota van afrekening aangetekend dat deze per kas was voldaan. Tevens werd de nota van een kantoorstempel voorzien.

3. De klacht

3.1

Klagers verwijten de notaris de macht – ontleend aan haar kwaliteit van notaris – op een oneigenlijke wijze te hebben gebruikt, namelijk uitsluitend ten eigen bate. Klagers stellen dat de notaris gedreigd heeft met het laten doorgaan van de veiling van de woning van klagers, uitsluitend met het doel daarmee betaling van de nota af te dwingen, waarbij zij de belangen van klagers zeer veronachtzaamd heeft.

3.2

Klagers verwijten de notaris ook dat zij pertinent heeft geweigerd om op de kwitantie te doen aantekenen dat klagers de contante betaling van € 5.627,34 uitsluitend verrichtten onder voorbehoud van een dreigende veiling van hun woonhuis.

3.3

Daarnaast verwijten klagers de notaris dat zij de nota voor de veilingkosten aan hen heeft gezonden in plaats van aan [Q], die de opdracht tot het entameren van de veiling heeft gegeven.

3.4

Ook stellen klagers dat de nota van afrekening te hoog is. Gelet op het feit dat de veiling niet is doorgegaan en het feit dat op diezelfde dag nog vijf veilingen door de notaris zou worden verzorgd, zijn voor de zaalhuur te hoge kosten in rekening gebracht.

3.5

Tevens verwijten klagers dat de notaris toegestaan c.q. gedoogd heeft dat een van haar medewerkers, te weten de heer mr. [X], zich de kwaliteit van notaris aanmeet, zonder daartoe bevoegd te zijn. Klagers stellen dat de heer mr. [X] verwarring heeft gewekt wat betreft zijn kwaliteit onder andere door aan klagers gerichte brieven persoonlijk te ondertekenen, terwijl bovenaan de brieven ‘[naam notaris] Notaris’ is vermeld. Ook geeft de aanduiding achter zijn naam van ‘bijzonder beheer’ geen indicatie over zijn bevoegdheden.

3.6

Voorts stellen klagers dat de heer mr. [X] tijdens het bezoek bij klagers thuis heeft opgemerkt: ‘U bent wel voortvarend door de kerstboom neer te zetten’. Klagers achten deze opmerking ongepast.

3.7

Tot slot verwijten klagers de notaris dat zij door de vermelding ‘Estate-planner’ op haar briefpapier een valse indruk wekt, omdat zij niet als lid is ingeschreven bij de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat.

4. Standpunt van de notaris

4.1

De notaris geeft aan dat het verwijt dat zij bij het uitvoeren van haar taak zou handelen met gebruikmaking van macht, en dat nog wel ten eigen bate, volstrekt ongefundeerd is. Door klagers dringend te verzoeken de kosten vóór aanvang van de veiling te voldoen, heeft de notaris juist in het belang van klagers gehandeld.

4.2

De notaris betwist dat klagers zouden hebben verzocht om een extra aantekening op de kwitantie te maken en dat zij of één van haar medewerkers dit pertinent zou hebben geweigerd.

4.3

Voorts stelt de notaris dat zij juist heeft gehandeld door de nota van afrekening aan klagers toe te zenden. Dit sluit aan bij hetgeen klagers in het kader van de minnelijke regeling met [Q] waren overeengekomen en is de gebruikelijke gang van zaken in de veilingpraktijk. Daarnaast hebben klagers destijds geen enkel bezwaar gemaakt tegen betaling van de nota.

4.4

De notaris betwist dat de nota van afrekening te hoog is. Voor de veilingen wordt een zaal gehuurd van de Stichting [ ]. De zaalhuur en de advertentiekosten worden door deze stichting per veilingobject bij de notaris gefactureerd en vervolgens door de notaris als verschotten in de veilingnota doorberekend. Deze kosten zijn ook verschuldigd voor een veiling die op het laatste moment niet doorgaat.

4.5

De notaris betwist dat de heer mr. [X] zich als notaris heeft gepresenteerd. De notaris stelt onder meer dat de heer mr. [X] tijdens het bezoek op 17 december 2008 aan klagers zijn visitekaartje heeft overhandigd en dat daaruit blijkt dat hij geen notaris is, maar belast is met (onder andere) bijzonder beheer en diensten in het kader van veilingen.

4.6

Tevens betwist de notaris dat mr. [X] tijdens het bezoek de door klagers genoemde opmerking heeft gemaakt.

4.7

De notaris merkt voorts op dat zij wel lid is van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat en het verwijt dat zij de valse indruk wekt Estate-planner te zijn derhalve volstrekt ongefundeerd is.

5. De beoordeling

5.1

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 98 van de Wna. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

5.2

Klachtonderdeel 1 klaagt erover dat de notaris jegens klagers heeft gehandeld met gebruikmaking van macht, ten eigen bate en met veronachtzaming van de belangen van klagers. De Kamer overweegt dat het door klagers ingenomen standpunt dat de notaris uitsluitend beoogde betaling van de nota af te dwingen onjuist is. In het kader van de minnelijke regeling waren klagers zelf met [Q] overeengekomen dat de veiling geen doorgang zou vinden en het bedrag van € 6.000,- niet in rekening zou worden gebracht, indien klagers de nota van afrekening uiterlijk 10 februari 2009 aan de notaris zouden betalen. De notaris heeft conform deze regeling gehandeld met in achtneming van de belangen van alle bij deze rechtshandeling betrokken personen. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.3

Ten aanzien van klachtonderdeel 2 overweegt de Kamer als volgt. Klagers hebben twee verklaringen overgelegd ter ondersteuning van hun standpunt dat de notaris pertinent heeft geweigerd de door hen verzochte verklaring op de kwitantie op te nemen. De notaris heeft haar betwisting van dit standpunt eveneens onderbouwd met twee verklaringen. De aan de klacht ten grondslag gelegde feiten zijn aldus niet komen vast te staan. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.4

Klachtonderdeel 3 betreft het verwijt dat de nota van afrekening ten onrechte aan klagers is gepresenteerd. Gelet op het onder 5.2 overwogene, namelijk dat klagers zelf met [Q] zijn overeengekomen dat zij de nota van afrekening aan de notaris zouden betalen, is ook dit klachtonderdeel ongegrond.

5.5

Met betrekking tot klachtonderdeel 4, dat klaagt over de hoogte van de nota van afrekening, merkt de Kamer op dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de juistheid en de verschuldigdheid van de op de nota vermelde kosten. Het betreft naar het oordeel van de Kamer volstrekt gebruikelijke tarieven. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.6

Klachtonderdeel 5 klaagt erover dat de heer mr. [X] zich de kwaliteit van notaris aanmeet en dat de notaris dit heeft toegestaan c.q. gedoogd. Dit is door de notaris gemotiveerd betwist. De notaris stelt dat de heer mr. [X] aan klagers zijn visitekaartje heeft overhandigd en dat uit dit visitekaartje duidelijk blijkt dat de heer mr. [X] geen notaris is. Dit klachtonderdeel ontbeert dus feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond.

5.7

Ook klachtonderdeel 6, dat klaagt over een opmerking die de heer mr. [X] volgens klagers zou hebben gemaakt tijdens het huisbezoek op 17 december 2008, ontbeert feitelijke grondslag. Dit is door de notaris gemotiveerd betwist met overlegging van verklaringen van de heer mr. [X] en de heer [Y] over hetgeen tijdens dit bezoek heeft plaatsgevonden. Ook dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.

5.8

Klagers hebben klachtonderdeel 7 ingetrokken, nu uit een door de notaris overgelegde brief van het secretariaat van de Vereniging van Estate Planners in het Notariaat blijkt dat de notaris wel lid is van deze vereniging.

6. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam,

verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.F.L. Geerdes, F. Hoppel, R. Veenendaal, F. Roos en H.M. Kolster in tegenwoordigheid van de plaatsvervangend secretaris, mr. A.K. van Zanten.

Uitgesproken ter openbare vergadering op 11 maart 2010.

De plaatsvervangend secretaris, De plaatsvervangend voorzitter,

A.K. van Zanten A.F.L. Geerdes

Deze beslissing is verzonden op:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.