Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8003

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
200.062.556/01 NOT en 200.063.579/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negatieve bewaringspositie.

Ten aanzien van de oud-notaris oordeelt het hof als volgt. Het hof is van mening dat de oud-notaris zijn ogen heeft gesloten voor de negatieve bewaringspositie en welbewust deze negatieve bewaringpositie heeft laten voortduren. Het hof tilt hierbij zwaar aan de duur van de negatieve bewaringspositie - ruim 9 maanden – en het feit dat de oud-notaris onverminderd door bleef gaan met het onttrekken van gelden aan het kantoor te zijnen behoeve. Het hof acht, gelet op de aard en de ernst van het tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de oud-notaris en de structureel negatieve bewaringspositie de door de kamer opgelegde maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden.

Ten aanzien van de notaris oordeelt het hof als volgt. Het hof is van mening dat ook de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof neemt echter bij zijn beoordeling in aanmerking dat de notaris vanaf de zomer van 2009 alles in het werk heeft gesteld om de financieel hachelijke situatie van het kantoor te herstellen. Daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting, is naar voren gekomen dat de notaris pas eind december 2009 dan wel begin januari 2010 contact heeft opgenomen met de voorzitter van de kamer. Naar het oordeel van het hof had de notaris dit reeds (aanzienlijk) eerder moeten doen toen hem bleek dat de situatie niet intern kon worden opgelost en zowel het BFT als de KNB (op korte termijn) klaarblijkelijk geen oplossing boden. Aan de notaris kan daarom worden verweten, dat hij de situatie aldus geruime tijd op zijn beloop heeft gelaten en in die periode ook steeds gewoon zijn managementvergoedingen is blijven opnemen. Het hof acht de door de kamer opgelegde maatregel van berisping eveneens passend en geboden en zal het deze maatregel in stand laten.

Het hof bekrachtigt de beslissing waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 15 maart 2011,

in de zaak met nummer 200.062.556/01 NOT van:

[de oud-notaris],

oud-notaris te [X],

APPELLANT,

gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink, advocaat te ‘s-Gravenhage,

tegen

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigden: mr. R. Wisse en A.C.M. Hesselberth RA,

en in de zaak met nummer 200.063.579/01 NOT van:

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

APPELLANT,

gemachtigden: mr. R. Wisse en A.C.M. Hesselberth RA,

tegen

1. [de oud-notaris],

oud-notaris te [X],

gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink, advocaat te ’s-Gravenhage,

2. [de notaris],

notaris te [X],

GEÏNTIMEERDEN.

1. Voeging van beide zaken in hoger beroep

De beide procedures in hoger beroep tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Breda, verder te noemen de kamer, van 18 maart 2010, zijn door het hof – met instemming van partijen - gevoegd daar zij op hetzelfde onderwerp betrekking hebben.

2. De stukken van het geding in de gevoegde zaken

2.1. In de procedure met zaaknummer 200.062.556/01 NOT is namens [de oud-notaris], verder de oud-notaris, bij een op 14 april 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met één bijlage - hoger beroep ingesteld tegen de onder 1. genoemde beslissing van de kamer. In deze beslissing heeft de kamer de klacht van het Bureau Financieel Toezicht, verder het BFT, gegrond verklaard. Hierbij is ten aanzien van de oud-notaris de maatregel van ontzetting uit het ambt opgelegd en ten aanzien van [de notaris], verder de notaris, de maatregel van berisping opgelegd.

2.2. Van de zijde het BFT is op 4 juni 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.3. Op 28 september 2010 is van de zijde van de oud-notaris nog een aantal producties en op 21 oktober 2010 nog één productie ter griffie van het hof ingekomen.

2.4. In de procedure met zaaknummer 200.063.579/01 NOT is van de zijde van het BFT bij een op 20 april 2010 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met één bijlage – eveneens hoger beroep ingesteld tegen de onder 1. genoemde beslissing van de kamer.

2.5. Op 31 mei 2010 is van de zijde van het BFT een aanvulling op het verzoekschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.6. Namens de oud-notaris is op 1 juli 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.7. Van de zijde van de notaris is op 14 juli 2010 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

2.8. De zaken zijn gezamenlijk behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 oktober 2010. Verschenen zijn de gemachtigden van het BFT, de oud-notaris en zijn gemachtigde alsmede de notaris. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigden aan de hand van pleitnotities.

2.9. Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. Het standpunt van het BFT

3.1. Het BFT heeft ingevolge de hem bij artikel 110 lid 1 en 112 lid 2 van de Wet op het notarisambt, verder Wna, toegekende bevoegdheid bij de oud-notaris en de notaris, verder de notarissen, een vervolgonderzoek ingesteld naar aanleiding van een eerder geconstateerde negatieve bewaringspositie per 30 juni 2009 en de zwakke financiële positie van het kantoor van de notarissen.

Het BFT verwijt de notarissen dat er gedurende 2009 sprake was van een structurele negatieve bewaringspositie zowel bij de vestiging te [X] alsook bij de vestiging te [Y] (bij deze laatste volgens de interne opgave vanaf 31 augustus 2009). De bewaringspositie van beide vestigingen samen bedroeg volgens het BFT op 30 september 2009 afgerond € 140.000 negatief en op 31 oktober 2009 afgerond € 179.000 negatief.

3.2. Het BFT stelt dat de negatieve bewaringspositie bij de vestigingen van de notarissen te [X] zijn ontstaan doordat gelden van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening zijn overgemaakt en zijn aangewend voor betaling van lopende kosten waaronder de managementvergoeding van de notarissen. De omslag van de bewaringspositie van de vestiging te [Y] van positief naar negatief zou zijn veroorzaakt door het overboeken van in totaal € 64.800 naar de zakenadministratie, ten gevolge van een interne discussie over de vermeende onrechtmatigheid van uitbetalingen welke zijn verricht door oud-notaris mr. [A].

3.3. Het BFT is van mening dat het achterwege blijven van het terstond aanvullen van die tekorten de notarissen valt te verwijten en dat zij daarmee hebben gehandeld in strijd met de artikelen 23 lid 1 en 25 lid 3 Wna, artikel 15 Verordening beroeps- en gedragsregels, verder Vbg, artikel 2 Administratieverordening en artikel 4 lid 1 Reglement Verslaggevingsstaten. Uit de door de notarissen inmiddels verstrekte nadere gegevens blijkt van een negatieve bewaringspositie van beide vestigingen op 30 november 2009 van € 193.000, op 31 december 2009 van € 154.000 en op 31 januari 2010 van € 228.000.

3.4. Het BFT meent dat de kamer in haar beoordeling van de klacht inzake de negatieve bewaringspositie, ten onrechte de notaris niet – mede – als veroorzaker van die bewaringstekorten heeft aangemerkt. Beide notarissen hebben, ondanks de uiterst zorgwekkende financiële positie van het kantoor vanwege een negatief kantoorresultaat, een negatief kantoorvermogen en een negatieve bewaringspositie, verzuimd om maatregelen te nemen. Beide notarissen hebben nadat zij de negatieve bewaringspositie constateerden, deze laten voortbestaan (en laten oplopen), aldus het BFT.

4. Het standpunt van de notarissen

4.1. De notarissen hebben de stellingen van het BFT – gedeeltelijk - betwist en verweren zich als volgt.

4.2. De notarissen erkennen dat met de geconstateerde negatieve bewaringspositie in strijd met de voorschriften is gehandeld. Zij realiseren zich dat door het alsnog inbrengen van bedragen ter herstel van de bewaringspositie, het handelen in strijd met die voorschriften niet wordt uitgewist. Volgens de notarissen lag de oorsprong van de negatieve bewaringspositie in opstartperikelen bij de in aanvang gekozen (interdisciplinaire) samenwerking binnen het kantoor. Hierdoor waren de oud-notaris, voormalig associée mr. [B] en hun in [Y] gevestigde en inmiddels gedefungeerde associé mr. [A] genoodzaakt om substantieel bij te storten teneinde een positieve bewaringspositie te handhaven. De oud-notaris en mr. [B] hebben deze stortingen gedaan, dit in tegenstelling tot mr. [A] die stelde dat hem daarvoor de middelen ontbraken.

4.3. Daarnaast wijzen de notarissen erop dat er sprake is geweest van een mislukte implementatie van een nieuw kantoorautomatiseringssysteem. Volgens de notarissen heeft toenmalig notaris mr. [A] daarbij een weinig constructieve rol gespeeld en heeft één en ander geleid tot een gedwongen financieel vergelijk met de leverancier, wat een grote financiële tegenslag betekende.

4.4. Deze financiële tegenslag werd gevolgd door het onverwachte vertrek van mr [A], na een periode van ernstig disfunctioneren en het doen van dubieuze kasopnames. Dit heeft naar de mening van de notarissen geleid tot een “ernstig negatieve nalatenschap”. Op dit moment zou er sprake zijn van een aanmerkelijke schuld van mr. [A] aan het kantoor uit hoofde van een rekening-courant, alsmede uit hoofde van incidentele kasopnames die door de notarissen als een greep uit de kantoorkas worden bestempeld. Mr. [A] heeft ten tijde en bij de beëindiging van de samenwerking geen financiële middelen ingebracht en is tot op heden niet bereid gebleken om over terugbetaling te spreken.

4.5. De notaris heeft thans een vordering op het kantoor ter zake van de bij zijn intreding betaalde intreesom. In tegenstelling tot de oud-notaris is hij geen rekening-courantverhouding met het kantoor aangegaan. Aanvankelijk was de notaris van oordeel dat van hem geen financiële storting verwacht mocht worden, zolang zijn toenmalige associés geldelijke verplichtingen aan het kantoor hadden. Van dit standpunt is hij teruggekomen en hij realiseert zich nu dat – zeker gezien het zwaarwegende belang van derden - van hem evenzeer aanzuivering verwacht had mogen worden. Dit weegt des te zwaarder nu hij bekend is met de voor hem nog bestaande mogelijkheden om het kantoor - na het aangekondigde vertrek van de oud-notaris - zelfstandig voort te zetten.

4.6. Op grond het vorenstaande menen de notarissen dat de tegen hen ingediende klachten, in aanmerking nemend de betreffende regelgeving als uitgangspunt, terecht zijn. De notarissen hebben nimmer het probleem willen bagatelliseren en er was zeker geen sprake van onwil om correctiemaatregelen te nemen. Zij zijn van oordeel dat de ontstane situatie - en hun omgang met het probleem – dient te worden bezien in het licht van de geschetste omstandigheden waarin hun kantoor is komen te verkeren.

5. De beoordeling

5.1. Het hof oordeelt als volgt.

Artikel 23 lid 1 Wna bepaalt:

“Het is de notaris verboden, rechtsreeks of middellijk, handelingen te verrichten waarvan hij redelijkerwijs moet verwachten dat zij er toe kunnen leiden, dat hij te eniger tijd niet zal kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen.”

Artikel 25 lid 3, derde volzin Wna bepaalt:

“De notaris, of, indien het een gezamenlijke rekening als bedoeld in het eerste lid, zesde volzin betreft, iedere notaris, is verplicht een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond aan te vullen, en hij is ter zake daarvan aansprakelijk, tenzij hij aannemelijk kan maken dat hem ter zake van het ontstaan van het tekort geen verwijt treft.”

Blijkens het navolgende hebben de notarissen deze bepalingen met voeten getreden.

5.2. Ten aanzien van de oud-notaris oordeelt het hof als volgt. Het hof is van mening dat de oud-notaris zijn ogen heeft gesloten voor de negatieve bewaringspositie en welbewust deze negatieve bewaringpositie heeft laten voortduren. Het hof tilt hierbij zwaar aan de duur van de negatieve bewaringspositie - ruim 9 maanden – en het feit dat de oud-notaris onverminderd door bleef gaan met het onttrekken van gelden aan het kantoor te zijnen behoeve. Dit ondanks de wetenschap van de hachelijke financiële situatie van zijn kantoor. Herhaalde waarschuwingen van de notaris om in te grijpen in de situatie door middel van aanzuivering van de financiën, heeft hij volkomen genegeerd. De oud-notaris wekt hiermee de indruk de zaken gewoon op hun beloop te hebben gelaten.

Het verweer van de oud-notaris dat er sprake was van een heel hectisch jaar – mede in verband met de uittreding toenmalig associé mr. [A] - en hij al zijn tijd en energie moest inzetten om twee kantoren draaiende te houden, kan hem niet baten, reeds daarom niet omdat de (interne) kantoorbelangen niet behoren te prevaleren boven de belangen van derden. Door zijn handelwijze heeft de oud-notaris willens en wetens niet voldaan aan zijn wettelijke verplichting om ervoor te zorgen dat er geen negatieve bewaringspositie ontstaat en als zulks wel het geval is, die niet te laten voortduren en het tekort terstond aan te vullen. De oud-notaris heeft hiermee het vertrouwen in de rechtsbedeling, in het bijzonder die aan het notariaat is opgedragen, in ernstige mate geschaad. Net als de kamer rekent ook het hof de oud-notaris in hoogst ernstige mate aan dat de tekorten in belangrijke mate door zijn opnames van aanzienlijke bedragen aan managementfees zijn veroorzaakt. Diens handelen – en nalaten – tast niet alleen zijn eigen integriteit aan, maar ook die van de beroepsgroep. Het verweer dat derden nimmer benadeeld zijn door de negatieve bewaringspositie faalt. De geschonden normen, die ieder risico van benadeling van derden beogen tegen te gaan, zijn van een zodanig gewicht dat overtreding ervan zwaar dient te worden aangerekend, ongeacht of het in het leven geroepen risico zich daadwerkelijk heeft gerealiseerd.

Het hof acht, gelet op de aard en de ernst van het tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de oud-notaris en de structureel negatieve bewaringspositie die door het BFT over de periode maart 2009 tot en met 31 december 2009 is geconstateerd, de door de kamer opgelegde maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden. Het hof zal de beslissing van de kamer ten aanzien van de oud-notaris dan ook bekrachtigen.

5.3. Ten aanzien van de notaris oordeelt het hof als volgt. Het hof is van mening dat ook de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het hof neemt echter bij zijn beoordeling in aanmerking dat de notaris vanaf de zomer van 2009 alles in het werk heeft gesteld om de financieel hachelijke situatie van het kantoor te herstellen. De notaris heeft de oud-notaris herhaaldelijk gewezen op de problematische financiële situatie van het kantoor en hem gewaarschuwd voor de gevolgen hiervan. Toen het de notaris niet lukte om de situatie intern – samen met zijn associés – op te lossen, heeft hij advies ingewonnen bij zowel het BFT (al in januari 2009) als de KNB en ook bij eigen adviseurs. In zijn eigen beleving heeft dat hem niet in beslissende mate verder geholpen. Daarnaar gevraagd tijdens de mondelinge behandeling ter terechtzitting, is naar voren gekomen dat de notaris pas eind december 2009 dan wel begin januari 2010 contact heeft opgenomen met de voorzitter van de kamer.

Naar het oordeel van het hof had de notaris dit reeds (aanzienlijk) eerder moeten doen toen hem bleek dat de situatie niet intern kon worden opgelost en zowel het BFT als de KNB (op korte termijn) klaarblijkelijk geen oplossing boden. Aan de notaris kan daarom worden verweten, dat hij de situatie aldus geruime tijd op zijn beloop heeft gelaten en in die periode ook steeds gewoon zijn managementvergoedingen is blijven opnemen.

Daarentegen is aannemelijk geworden dat de oorzaak van het bewaringstekort niet te wijten is aan de notaris. Wel heeft de notaris er blijkens het vorenstaande aan bijgedragen dat het bewaringstekort heeft voortgeduurd en is toegenomen. Een en ander rechtvaardigt op zichzelf oplegging van een maatregel van schorsing voor de duur van enkele weken. Nu echter aannemelijk is geworden dat de notaris veel heeft gedaan om aan de onaanvaardbare situatie een einde te maken en daarbij kennelijk zich te laat heeft gerealiseerd dat inschakeling van de voorzitter van de kamer had kunnen helpen om de impasse te doorbreken, ziet het hof in de concrete omstandigheden van dit geval aanleiding om geen zwaardere maatregel op te leggen dan de kamer. Het hof tekent daarbij aan dat, nu het nog eens duidelijk heeft gemaakt dat aan de opstelling van notarissen in dergelijke situaties – in het belang van derden en in het belang van het vertrouwen in het notariaat – zware eisen mogen worden gesteld, in nieuwe vergelijkbare gevallen waarschijnlijk niet meer met een berisping zal worden volstaan. Gezien het vorenstaande acht het hof de door de kamer opgelegde maatregel van berisping eveneens passend en geboden en zal het deze maatregel in stand laten.

5.4. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel thans niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

5.5. Het voorgaande leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof,

in de zaken met nummers 200.062.556/01 NOT en 200.063.579/01 NOT:

- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep, onder aanvulling van de gronden.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L.Verheij, M.W.E. Koopmann en A.H.N. Stollenwerck en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 15 maart 2011 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE BREDA

Beslissing

op de op 22 december 2009 ingekomen klachten van

het Bureau Financieel Toezicht,

gevestigd te Utrecht,

verder te noemen klager,

tegen

[de oud-notaris], en

[de notaris],

beiden (in associatief verband) gevestigd te [X],

verder ook te noemen de notarissen.

1. Het verloop van de zaak.

Na ontvangst van de klachten is aan de notarissen de gelegenheid geboden hierop schriftelijk te reageren, van welke gelegenheid zij bij brief van 15 januari 2010 gebruik hebben gemaakt.

De mondelinge behandeling van de klachten door de kamer heeft gevoegd en gelijktijdig plaatsgevonden op 17 maart 2010, waarbij zijn verschenen namens klager A.C.M. Hesselberth en R.K. Sipkema, evenals de notarissen in persoon.

2. De inhoud van de klachten en het standpunt van klager.

Klager heeft ingevolge de hem bij artikel 110, lid 1 en 112, lid 2 van de Wet op het notarisambt toegekende bevoegdheid bij de notarissen een vervolgonderzoek ingesteld naar aanleiding van een eerder geconstateerde negatieve bewaringspositie per 30 juni 2009 en de zwakke financiële positie van het kantoor van de notarissen. Klager is daarbij tot de volgende bevindingen gekomen.

Financiële positie

De door de notarissen bij klager ingediende cijfers, welke zijn ontleend aan de financiële administratie van de werkmaatschappij van hun kantoor, [ ] Notarissen B.V., tonen volgens klager per 30 juni 2009 de volgende kengetallen:

- bewaringspositie afgerond € 62.000 negatief;

- liquiditeitspositie afgerond € 10.000 positief;

- kantoorvermogen afgerond € 50.000 positief, en

- kantoorresultaat afgerond € 1000 negatief (vóór aftrek managementfee).

Omdat de houdstermaatschappij [Z] onlosmakelijk is verbonden aan de genoemde werkmaatschappij, heeft klager de geconsolideerde cijfers beoordeeld. Op grond daarvan èn omdat de ingediende cijfers niet geheel correct waren ingedeeld, is klager van mening dat het kantoorvermogen (per 30 juni 2009) niet circa € 50.000 positief, maar circa € 228.000 negatief bedraagt. Daarnaast is door klager ten aanzien van de solvabiliteit van het kantoor geconstateerd, dat sprake is van een aan het kantoor door oud-notaris mr. [B], alsook door [de oud-notaris] verstrekte achtergestelde lening van telkens circa € 113.000 en van een rekening-courantschuld aan [de notaris] van afgerond € 101.000, zodat klager van mening is dat de liquiditeitspositie per 30 juni 2009 niet € 10.000 positief, maar circa € 100.000 negatief was.

Op grond van deze zorgelijke financiële positie heeft klager de notarissen verzocht maandcijfers te verstrekken, waaraan zij hebben voldaan en waaruit volgens klager de volgende kengetallen per 31 oktober en 30 september 2009 moeten worden herleid:

- bewaringspositie afgerond respectievelijk € 179.000 en € 140.000 negatief;

- liquiditeitspositie afgerond respectievelijk € 134.000 en € 112.00 negatief;

- kantoorvermogen afgerond respectievelijk € 300.000 en € 294.000 negatief, en

- kantoorresultaat afgerond € 8.000 en € 4.000 negatief.

Klager voert aan dat, waar tot en met oktober 2009 een bedrag van afgerond € 290.000 aan managementfees is uitbetaald, het kantoorresultaat over de periode 1 januari tot en met 31 oktober 2009 na aftrek van die fees derhalve € 298.000 negatief bedroeg.

Negatieve bewaringspositie

Klager stelt verder dat uit de financiële administratie de volgende ontwikkeling van de bewaringspositie vanaf 31 maart 2009 is gebleken, waarbij klager heeft betrokken het kantoor te [Y] van de met de notarissen geassocieerde inmiddels gedefungeerde notaris mr. [A] (afgerond en -/- = negatief):

Datum [X] [Y] Totaal

31 maart € 57.000 -/- € 62.000 €

30 april € 84.000 -/- € 68.000 € 16.000 -/-

31 mei € 67.000 -/- € 76.000 € 9.000

30 juni € 88.000 -/- € 26.000 € 62.000 -/-

31 juli € 89.000 -/- € PM € PM

31 augustus € 102.000 -/- € 35.000 -/- € 137.000

Hieruit volgt, aldus klager, dat er gedurende 2009 sprake is van een structurele negatieve bewaringspositie in [X] en volgens de interne opgave vanaf 31 augustus ook in [Y], dat de gezamenlijke bewaringspositie van beide vestigingen vanaf 31 maart 2009 niet stabiel en in april 2009 voor het eerst negatief was en dat vanaf 30 juni 2009 sprake was van een aanzienlijk negatief saldo. De bewaringspositie van beide vestigingen samen bedroeg volgens klager per 30 september en per 31 oktober 2009 respectievelijk afgerond € 140.000 en € 179.000 negatief.

Klager voert voorts aan dat de negatieve bewaringsposities bij het kantoor van de notarissen te [X] zijn ontstaan doordat gelden van de kwaliteitsrekening naar de kantoorrekening zijn overgemaakt en vervolgens zijn aangewend voor betaling van lopende kosten waaronder managementfees en dat de omslag van de bewaringspositie van het kantoor in [Y] van positief naar negatief is veroorzaakt door het overboeken van in totaal € 64.800 naar de zakenadministratie vanwege een interne discussie over een vermeende onrechtmatigheid van uitbetalingen door oud-notaris mr. [A].

De mutaties betreffende [Y] laten echter volgens klager onverlet de doorlopende en toenemende problemen ter zake van de bewaringspositie in de vestiging [X].

Klager stelt zich op grond het vorenstaande op het standpunt dat zowel de structurele negatieve bewaringsposities, alsook het achterwege blijven van het terstond aanvullen van die tekorten, de notarissen valt te verwijten en dat zij daarmee hebben gehandeld in strijd met de artikelen 23, lid 1 en 25, lid 3 Wet op het notarisambt (Wna), artikel 15 Verordening beroeps- en gedragsregels, artikel 2 Administratieverordening en artikel 4, eerste lid Reglement Verslaggevingsstaten.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van de klachten is namens klager nog aangevoerd dat uit de door de notarissen inmiddels nader verstrekte gegevens blijkt van een negatieve bewaringspositie van beide vestigingen van € 193.000 per 30 november 2009, € 154.000 per 31 december 2009 en van € 228.000 per 31 januari 2010.

3. Het standpunt van de notarissen

Bij brief van 15 januari 2010 hebben de notarissen de volgende standpunten ingenomen.

Zij stellen voorop dat zij zich realiseren dat met de geconstateerde tekorten in strijd met de voorschriften is gehandeld. Door beiden zal een bedrag (van ieder € 100.000) ter herstel van de bewaringspositie worden ingebracht. Zij realiseren zich tevens dat daarmee het handelen in strijd met die voorschriften niet wordt uitgewist. Wel schetsen zij de achtergrond die volgens hen heeft geleid tot het ontstaan van de kwestie.

Allereerst was volgens de notarissen sprake van opstartperikelen bij de gekozen (interdisciplinaire) samenwerking waardoor [de oud-notaris], de voormalig associée [B] en hun in [Y] gevestigde en inmiddels gedefungeerde associé mr. [A], substantieel financieel moesten bijstorten. [de oud-notaris] en mr. [B] hebben hieraan voldaan, in tegenstelling tot notaris mr. [A], omdat hem daarvoor de middelen ontbraken.

Verder was sprake van een mislukte implementatie van een nieuw kantoorautomatiseringssysteem. Volgens de notarissen heeft mr. [A] daarbij een weinig constructieve rol gespeeld en heeft een en ander geleid tot een gedwongen financieel vergelijk met de leverancier, wat de eerste financiële tegenslag heeft veroorzaakt.

Tenslotte heeft in de opvatting van de notarissen de mate van disfunctioneren van hun associé [A], met name door hem gedane dubieuze kasopnames, geleid tot een onverwacht vertrek van [A], waardoor zij zijn opgezadeld met zijn negatieve “nalatenschap”.

De notarissen schetsen vervolgens hun positie en die van hun associé [A].

[de oud-notaris] heeft een schuld aan het kantoor wegens opgenomen gelden en is zich ten volle bewust dat deze afgelost zal dienen te worden, waartoe hij ook bereid is, maar neemt tevens het (door de accountant onderschreven standpunt) in dat hij die verplichting deels kan verrekenen met zijn vordering die hij tegelijkertijd op het kantoor heeft vanwege in het verleden gefourneerde gelden. Hij zal een substantieel deel van zijn schuld (€ 100.000) nu betalen. Hij heeft daarmee willen wachten totdat duidelijkheid was verkregen over de financiële stand van zaken in [Y].

Oud-notaris mr. [A] heeft een aanmerkelijke schuld aan het kantoor uit hoofde van een rekening-courant, alsmede vanwege incidentele kasopnames, die de door notarissen als een greep uit de kantoorkas worden bestempeld. [A] heeft destijds geen middelen ingebracht en is niet bereid gebleken over terugbetaling te spreken.

[De notaris] heeft een vordering op het kantoor ter zake van de bij zijn intreding betaalde intreesom en is geen rekening-courantverhouding aangegaan. Zijn aanvankelijk ingenomen standpunt, dat van hem geen financiële storting verwacht mocht worden, zolang de collegae geldelijke verplichtingen aan het kantoor hadden, heeft hij verlaten en hij realiseert zich thans dat -naar externe verhoudingen bezien- van hem evenzeer aanzuivering verwacht mag worden. Ook hij zal een bedrag van € 100.000 inbrengen en heeft daartoe stappen ondernomen richting de bank.

Tot dit gewijzigde standpunt is de notaris met name gekomen vanwege de voor hem nog bestaande mogelijkheden om het kantoor, na het op termijn aangekondigde vertrek van [de oud-notaris], voort te zetten.

Wat betreft dit laatste zal het benodigde herstel van de financiële situatie gepaard moeten gaan met een ingrijpende reorganisatie van het kantoor. Maatregelen in de kosten, voortvloeiende uit de interdisciplinaire samenwerking (met advocaten), èn ook in de personele sfeer, zijn dan ook aangekondigd. Het kantoor in [Y] zal worden afgezonderd en met de daar zittende kandidaat-notaris zijn onderhandelingen gaande voor overname op eigen rekening, waar tegenover een vergoeding dient te staan. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [de oud-notaris] nog verklaard dat het kantoor in [Y] niet zal worden voortgezet.

Op grond van dit alles menen de notarissen dat de tegen hen ingediende klachten, in aanmerking nemend de betreffende regelgeving als uitgangspunt, terecht zijn, dat zij nimmer het probleem hebben willen bagatelliseren, dat er geen sprake is van onwil om correctiemaatregelen te nemen en dat de ontstane situatie en hun omgang met het probleem niet los kan worden gezien van de omstandigheden waarin hun kantoor is komen te verkeren.

4. De beoordeling en de gronden daarvoor

Ingevolge artikel 25, lid 1 Wna is de notaris verplicht bij een krachtens de Wet toezicht kredietwezen 1992 ingeschreven kredietinstelling op zijn naam een of meer bijzondere rekeningen aan te houden met vermelding van zijn hoedanigheid, die uitsluitend bestemd zijn voor gelden, die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig onder zich neemt. Gelden die aan de notaris in verband met zijn werkzaamheden als zodanig worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. In genoemde bepaling is verder (onder meer) opgenomen dat, indien meer notarissen in een maatschap samenwerken, die bijzondere rekening ten name van die notarissen tezamen, van de maatschap of de vennootschap kan worden gesteld, terwijl lid 3 van die bepaling voorschrijft dat de notaris, of indien het een gezamenlijke rekening als hiervoor bedoeld betreft, iedere notaris verplicht is een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond aan te vullen.

Artikel 23, lid 1 Wna verbiedt de notaris rechtstreeks of middellijk handelingen te verrichten waarvan hij redelijkerwijs moet verwachten dat die ertoe leiden dat hij te eniger tijd niet zal kunnen voldoen aan zijn financiële verplichtingen.

Daarnaast legt artikel 15, lid 1 van de Verordening beroeps- en gedragsregel aan de notaris de verplichting op dat de aan hem toevertrouwde gelden te allen tijden en ten volle in geldmiddelen aanwezig moeten zijn en dat hij daarover onmiddellijk en zonder enige beperking moet kunnen beschikken, wat dient te blijken uit de administratievoering.

In de toelichting op laatstgenoemde bepaling wordt aangegeven, dat het in artikel 23, lid 1 Wna neergelegde voorschrift ertoe leidt, dat de notaris te allen tijde ten volle over de onder hem berustende cliëntengelden moet kunnen beschikken.

Op grond van de niet weersproken uit het door klager gehouden onderzoek naar voren gekomen bevindingen, moet onmiskenbaar worden vastgesteld dat de notarissen niet aan bovengenoemde verplichtingen hebben voldaan.

De door hen als hiervoor aangevoerde omstandigheden disculperen hen daarvoor niet. Deze omstandigheden kunnen en mogen nimmer reden zijn voor het doen ontstaan van bewaringstekorten, zeker niet van een (structurele) omvang als door klager is geconstateerd. De notarissen, en met name [de oud-notaris], verliezen bij de door hen geschetste omstandigheden die volgens hen tot die tekorten hebben geleid, uit het oog, dat deze in hoofdzaak zijn ontstaan door opnames van [de oud-notaris] van de kwaliteitsrekening gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 oktober 2009 van in totaal het aanzienlijke bedrag van ca. € 290.000 aan managementsfees.

Deze opnames waren, gelet op het negatieve kantoorresultaat, volstrekt onverantwoord en [de oud-notaris] heeft daarmee het kantoor in een zeer risicovolle positie gebracht.

Dit handelen en nalaten getuigt van gebrek aan inzicht van hetgeen een goed notaris betaamt en moet, gelet op de maatschappelijke vertrouwenspositie die een notaris inneemt, als hoogst tuchtrechtelijk laakbaar worden aangemerkt.

Dit klemt nog temeer nu bij gelegenheid van de mondelinge behandeling de notarissen, niettegenstaande de reeds op 22 december 2009 ingediende klachten en ondanks hun eerdere toezeggingen, nog steeds niet zijn overgegaan tot het aanzuiveren van het tekort, maar hebben volstaan met hun verklaring dat dit alsnog op uiterlijk een termijn van 14 dagen zal plaatsvinden, waartoe inmiddels opdracht aan de bank zou zijn verstrekt. Zij zijn daarmee blijven handelen in strijd met de hiervoor genoemde regelgeving en hebben op volstrekt onaanvaardbare wijze hun verplichting om ontstane tekorten onmiddellijk aan te vullen, verzaakt en evenmin oog gehad voor de positie van hun cliënten.

De klacht is dan ook ten aanzien van beide notarissen gegrond.

De kamer stelt zich ten aanzien van [de oud-notaris] op het standpunt dat zijn handelen/nalaten hem dusdanig ernstig moet worden aangerekend, dat ter zake daarvan aan hem de zwaarst mogelijke tuchtmaatregel van ontzetting uit het ambt moet worden opgelegd. Naast de omstandigheid dat in het hiervoor genoemde tijdvak is gebleken van aanzienlijke structurele tekorten en nog steeds door hem niet is voldaan aan het aanzuiveren daarvan, rekent de kamer hem in hoogst ernstig mate aan dat deze tekorten voornamelijk door zijn opnames van aanzienlijke bedragen aan managementfees zijn veroorzaakt, dit niettegenstaande de uiterst zorgelijke financiële positie van het kantoor. Uit de omstandigheid dat [de oud-notaris] desondanks en ten onrechte die tekorten voornamelijk wijt aan het handelen van zijn inmiddels gedefungeerd associé, getuigt volgens de kamer van gebrek aan ieder inzicht in de ernst van zijn eigen handelen en nalaten.

Dit handelen en nalaten tast naar het oordeel van de kamer niet alleen de integriteit van de notaris zelf aan, maar ook die van de beroepsgroep. De kamer laat daarbij voorts nog meewegen de omstandigheid dat de notaris ter zake van eerdere tuchtrechtelijke verwijten, overigens van een andere strekking als het onderhavige, tot tweemaal toe de maatregel van waarschuwing is opgelegd, hetgeen klaarblijkelijk niet aan het thans geconstateerde verwijt, in de weg heeft gestaan.

Dit alles ligt ten aanzien van [de notaris] naar het oordeel van de kamer anders. Ofschoon [de notaris] de als niet veroorzaker van de als hiervoor gebleken tekorten kan worden aangemerkt, moet hem wel worden aangerekend dat hij, ondanks zijn volle (hoofdelijke) verantwoordelijkheid voor het aanzuiveren van de ontstane tekorten, hiertoe eerst bereid is gebleken na interne discussie en daarmee onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van cliënten. De kamer acht dit dermate laakbaar dat zij hierop de maatregel van berisping geboden acht.

5. De beslissing

De kamer van toezicht

verklaart de klachten gegrond;

legt ter zake daarvan aan [de oud-notaris] de maatregel op van ontzetting uit het ambt;

legt aan [de notaris] ter zake daarvan op de maatregel van berisping;

bepaalt dat laatstgenoemde maatregel zal worden uitgesproken door de voorzitter in een van de vergaderingen van de kamer, waartoe [de notaris] zal worden opgeroepen.

Deze beslissing is gegeven op 18 maart 2010 door mrs. H.C. Naves, voorzitter, C. Wallis en J. Kos, leden, mr. J.C.M. Roelen-Nuijten en drs. M. Scherphof, plaatsvervangend leden, in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong, secretaris, en in het openbaar uitgesproken.

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notaris te Breda.

Tegen deze beslissing kan binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief waarbij de beslissing is toegezonden hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.