Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP7924

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
200.034.904-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaaksbeschadiging. Schadebegroting. Perceelseigenaar heeft een bos beschadigd op een aangrenzend perceel. Het hof begroot de schade niet op basis van de herstelkosten, maar op basis van de waardevermindering, die verwaarloosbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer 200.034.904/01

15 maart 2011

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. W.B. van den Berg te Meppel,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.W. Kastelein te Groningen.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

Bij dagvaarding van 22 december 2008, hersteld bij exploot van 2 juni 2009, is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Assen van 23 januari 2008 en

24 september 2008, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 64862/HA ZA 07-770 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser

en [appellant] als gedaagde, hierna respectievelijk: het tussenvonnis en het eindvonnis.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] achttien (niet correct doorgenummerde) grieven tegen de vonnissen aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd, zakelijk weergegeven, dat het hof de vonnissen zal vernietigen en alsnog de vordering van

[geïntimeerde] zal afwijzen voorzover die het bedrag van

€ 600,00 te boven gaat, met (gedeeltelijke) veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties en met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] reeds uit hoofde van het eindvonnis heeft voldaan, met rente, uitvoerbaar bij voorraad.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, bewijs aangeboden, enige foto's als productie in het geding gebracht en geconcludeerd dat het hof de vonnissen zal bekrachtigen en [appellant] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep.

[Appellant] heeft een akte met producties genomen. Vervolgens heeft [geïntimeerde] een akte genomen met enige foto's als productie.

Ten slotte heeft [geïntimeerde] arrest op de stukken gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het eindvonnis onder 2 feiten vastgesteld. Grief II is gericht tegen een van de vaststellingen. Het hof zal daarmee rekening houden.

Voor het overige bestaat over de vastgestelde feiten geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2.2 Kort gezegd gaat het om het volgende.

a. [Geïntimeerde] is eigenaar van een perceel aan de [adres] te [plaats], gemeente [gemeente]. Op dit perceel staat een woning. Op een ander deel van dit perceel staat een aanplant van bomen (hierna te noemen: het bos).

b. [Appellant] is eigenaar van een aangrenzend perceel. Hierop kweekt hij Amerikaans eikenblad op stobben.

c. In het voorjaar van 2007 hing een aantal op het perceel van [geïntimeerde] gewortelde bomen, althans takken daarvan, over het perceel van [appellant] heen. [Appellant] heeft toen met zijn zoon een van die bomen geveld en van enige andere bomen takken afgezaagd.

2.2 In dit geding heeft [geïntimeerde] betaling gevorderd van € 14.688,-, met nevenvorderingen, op grond van zijn stelling dat de hiervoor onder 2.2 sub c bedoelde handelingen van [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde] zijn geweest en

[geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden ten belope van genoemd bedrag. De rechtbank heeft de hoofdvordering en een deel van de nevenvorderingen toegewezen.

2.3 Het hof ziet aanleiding eerst de grieven VII tot en met XIII (waaronder beide grieven XII) te behandelen, met uitzondering van grief IX. Deze grieven hebben betrekking op de (wijze van) schadebegroting en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Bij de behandeling van deze grieven gaat het hof veronderstellenderwijs uit van de voor de toewijsbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] meest gunstige situatie, te weten de situatie waarin:

a. [appellant] [geïntimeerde] niet heeft aangemaand als bedoeld in art. 5:44 lid 1 BW;

b. de handelingen van [appellant] (het vellen van een boom en het afzagen van takken van andere bomen) niet beperkt zijn gebleven tot het wegsnijden van het overhangende als bedoeld in art. 5:44 lid 1 BW;

c. deze handelingen erin geresulteerd hebben dat het bos op het perceel van [geïntimeerde] in een slechtere staat is komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest indien [appellant] zich had beperkt tot het (op vakkundige wijze) wegsnijden van het overhangende en ook slechter dan het geval zou zijn geweest indien hij geheel zou hebben afgezien van zijn handelingen.

2.4 In een geval van zaaksbeschadiging - zoals zich dat hier voordoet - geldt als hoofdregel dat de eigenaar van de beschadigde zaak een nadeel in zijn vermogen lijdt gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten welke met het herstel zullen zijn gemoeid. Wanneer herstel niet mogelijk of verantwoord is - bijvoorbeeld omdat de daarmee gemoeide kosten het bedrag van de als gevolg van de beschadiging opgetreden waardevermindering te zeer overtreffen - heeft de eigenaar in elk geval aanspraak op compensatie van de waardevermindering van het vermogensbestanddeel.

2.5 Volgens het rapport van 25 juli 2007 van

ir. E.R.P. Platje is door de handelwijze van [appellant] de bufferende invloed van de randbomen van het bos grotendeels verloren gegaan, hetgeen ten koste is gegaan van de natuurlijke structuurvariatie van het bos en van het belang om in het bos een ruime mate van beslotenheid te creëren. Het hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat deze betwiste conclusie juist is. Mede gelet op de omstandigheid dat de vordering van [geïntimeerde] op deze conclusie is gebaseerd, zal het hof niet de afzonderlijke bomen, maar het bos op het perceel van [geïntimeerde] als geheel beschouwen als de beschadigde zaak.

2.6 Ter beoordeling staat of het mogelijk en verantwoord is het bos op zodanige wijze te herstellen dat de rand ervan weer de bufferende invloed heeft die het had voordat [appellant] een boom velde en takken afzaagde van andere bomen.

Uit art. 5:44 lid 1 BW vloeit voort dat [appellant] niet behoeft te dulden dat blijvend sprake is van een situatie waarin op het perceel van [geïntimeerde] wortelende bomen of takken daarvan over zijn perceel heen hangen. Daarom kan

[geïntimeerde] in elk geval geen aanspraak maken op een zodanige wijze van herstel dat er weer bomen of takken over het perceel van [appellant] heen hangen.

De bomen waarop de handelingen van [appellant] betrekking hadden, zijn vanuit de woning op het perceel van

[geïntimeerde] niet zichtbaar. [Geïntimeerde] woont niet in die woning. Deze bomen staan ook niet aan een openbare weg of pad of aan een pad op het perceel van [geïntimeerde], maar direct aan de rand van de stobbenakker van [appellant].

Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat, zo het al mogelijk is het bos op zodanige wijze te herstellen dat de rand ervan weer de vroeger bestaande bufferende invloed heeft zonder dat er bomen of takken over het perceel van

[geïntimeerde] heen hangen, dit herstel, gezien voornoemd rapport van ir. Platje, gepaard zal gaan met zo hoge kosten in verhouding tot het beperkte belang daarbij voor

[geïntimeerde], dat dit herstel objectief bezien niet verantwoord is.

2.7 [Geïntimeerde] heeft dus slechts aanspraak op een eventuele waardevermindering van het bos. Nu een zelfstandige waardering van het bos niet voor de hand ligt omdat het bos deel uitmaakt van een perceel dat in hoofdzaak een woonbestemming heeft, moet aansluiting worden gezocht bij een eventuele waardevermindering van het gehele perceel van [geïntimeerde] als gevolg van de handelingen van [appellant].

Onvoldoende is gesteld of gebleken dat die waardevermindering een hoger dan verwaarloosbaar bedrag vertegenwoordigt.

2.8 Uit het voorgaande volgt dat de stellingen van

[geïntimeerde] ook in het voor hem gunstigste geval niet tot toewijzing van zijn vordering kunnen leiden. De hierop gerichte grieven slagen dus. De overige grieven behoeven geen bespreking.

2.9 Gelet op de conclusie van de memorie van grieven is het bedrag van € 600,00, dat [appellant] bereid is te betalen, toewijsbaar. Omwille van de overzichtelijkheid zal het hof de bestreden vonnissen geheel vernietigen. [Geïntimeerde] zal als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Voorts zal [geïntimeerde] worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellant] reeds uit hoofde van het bestreden eindvonnis heeft voldaan, met rente.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden vonnissen;

en alsnog rechtdoende:

veroordeelt [appellant] tot betaling van € 600,- aan

[geïntimeerde];

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en begroot die kosten, voor zover aan de zijde van [appellant] gevallen, op € 345,00 aan verschotten en

€ 1.130,00 aan salaris van de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de zijde van [appellant] gevallen, op € 525,44 aan verschotten en € 894,00 aan salaris van de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van het bedrag dat [appellant] uit hoofde van het bestreden eindvonnis heeft voldaan aan [geïntimeerde], voorzover dat meer bedraagt dan

€ 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat meerdere met ingang van de dag waarop [appellant] heeft betaald tot de dag van de algehele terugbetaling;

verklaart alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het over en weer meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen,

C.C. Meijer en G.C.C. Lewin en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 15 maart 2011.