Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP7025

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
200.062.034-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wijziging overeenkomst; schriftelijkheidsvereiste; wils- vertrouwensleer; uitleg garantiebepaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIJFDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE IN PRINCIPAAL APPEL,

GEÏNTIMEERDE IN INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, te Amsterdam,

t e g e n

Mr. P.F. SCHEPEL, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GLOBALVIEW MANAGEMENT IMPLACEMENT B.V.,

gevestigd te Deventer,

GEÏNTIMEERDE IN PRINCIPAAL APPEL,

APPELLANT IN INCIDENTEEL APPEL,

advocaat: mr. J.L.A. Nicolai, te ‘s-Gravenhage.

De partijen worden hierna ING en GVM genoemd.

Bij dagvaarding van 15 maart 2010 is ING na daartoe verkregen verlof in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van de rechtbank te Amsterdam van 30 december 2009, onder zaak/rolnummer 410553/HA ZA 08-2891 gewezen tussen GVM als eiseres en ING als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft ING acht grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort samengevat, dat het hof het vonnis van 30 december 2009 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van GVM alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de GVM in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

Bij memorie van antwoord heeft GVM de grieven bestreden, harerzijds een grief in het incidenteel appel aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort samengevat, tot verwerping van het principaal beroep en bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met verbetering van rechtsoverweging 4.7 als toegelicht in de incidentele grief en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank te Amsterdam ter verdere afdoening, met veroordeling van ING in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad en te vermeerderen met wettelijke rente.

Vervolgens heeft ING in het incidenteel appel bij memorie geantwoord en geconcludeerd tot afwijzing van het incidenteel appel, met veroordeling van GVM in de kosten van het hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad en te vermeerderen met wettelijke rente.

Partijen hebben op 19 januari 2011 de zaak doen bepleiten, ING door mrs. P. Smits en H. Ouled Ali, advocaten te Amsterdam en GVM door mr. L. Amperse, advocaat te ’s-Gravenhage aan de hand van door beide partij¬en overge¬legde pleitnotities. Partijen hebben bij akte een aantal op voorhand toegestuurde producties in het geding gebracht en ter zitting inlichtingen verstrekt.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 30 december 2009 onder rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.12 een aantal feiten vermeld. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Daarnaast zal het hof hieronder een aantal feiten vaststellen die enerzijds gemotiveerd zijn gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

3. Beoordeling

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1 GVM is een aanbieder van implacement, dat wil zeggen dat zij medewerkers van andere bedrijven voor een bepaalde periode in dienst neemt, zodat die medewerkers zich kunnen oriënteren op een toekomstige werkkring.

3.1.2 ING heeft aan haar medewerkers die door veranderingen binnen haar organisatie mogelijk hun functie verliezen dan wel boventallig worden, implacement bij GVM aangeboden, als een van de instrumenten om preventieve uitstroom uit haar organisatie te stimuleren.

3.1.3 GVM en ING hebben in verband met implacement van medewerkers van ING in maart 2007 een raamovereenkomst (hierna te noemen: Overeenkomst) gesloten. Deze Overeenkomst, door GVM en ING ondertekend op 15 maart 2007 bevat, voor zover hier relevant, de volgende artikelen:

“Artikel 1 Implacement

1.1 In het kader van Implacement Collectief laat ING binnen de periode 15 maart 2007-31 december 2008, vanuit haar organisatie minimaal 100 en maximaal 250 medewerkers gefaseerd instromen hij GlobalViewManagement onder de in deze raamovereenkomst genoemde voorwaarden. Minimaal 50 medewerkers zullen instromen tussen 15 maart 2007 en 15 september 2007.(…)

Artikel 2 Toepasselijke bepalingen /algemene voorwaarden

(…)

2.2 Op deze raamovereenkomst(…) zijn (…) van toepassing de Algemene Voorwaarden voor Inkoop 2006 van ING, (…).

Artikel 3 Garantie

3.1 ING garandeert binnen de periode 15 maart 2007-31 december 2008 dat vanuit haar organisatie minimaal 100 en maximaal 250 medewerkers gefaseerd instromen bij GlobalViewManagement.

3.2 ING garandeert tevens dat van het in artikel 3.1. genoemde aantal er minimaal 50 medewerkers zullen instromen tussen 15 maart 2007 en 15 september 2007.

3.3 Indien ING in de periode van 15 maart 2007 en 15 september 2007 niet het minimumaantal medewerkers laat instromen bij GlobalViewManagement, is ING per medewerker minder aan GlobalViewManagement een vergoeding verschuldigd van € 18.000, vrij van BTW,

(…)

Artikel 6 Wijzigingen

6.1 Eventuele wijzigingen van deze overeenkomst dienen steeds schriftelijk te worden overeengekomen.”

3.1.4 In de Algemene Voorwaarden en Condities van ING voor de inkoop van goederen en diensten, versie 2006 (hierna te noemen: Algemene Voorwaarden) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

“2. TOTSTANDKOMING VAN EEN OVEREENKOMST

(…)

2.3 Een wijziging in een Overeenkomst (…) is uitsluitend van kracht tussen partijen indien schriftelijk opgemaakt en ondertekend door vertegenwoordigers van beide partijen, zoals uiteengezet in artikel 39.

39. WIJZIGINGENBELEID

39.1 De Overeenkomst kan uitsluitend gewijzigd worden door middel van een schriftelijk document dat ondertekend is door bevoegde vertegenwoordigers van beide partijen.”

3.1.5 Tot 15 september 2007 zijn 17 ING-medewerkers ingestroomd bij GVM en na die datum 5 ING-medewerkers, waarvan de laatste per 1 maart 2008.

3.1.6 Op 31 maart 2008 en op 11 april 2008 zijn er besprekingen geweest tussen GVM en ING naar aanleiding van het uitblijven van de verwachte instroom van ING medewerkers bij GVM. Partijen kwamen toen tot een aantal afspraken.

3.1.7 Voornoemde afspraken zijn bevestigd in een brief van ING van 16 april 2008 en herhaald in een brief van GVM van 18 april 2008. De afspraken zijn door ING vastgelegd in een concept addendum op de Overeenkomst, dat op 22 april 2008 naar GVM is gestuurd. Vervolgens heeft [werknemer V.] van ING op 28 april 2008 per e-mail het als bijlage bijgesloten addendum naar GVM gezonden en daarbij het volgende bericht:

“Bijgaand het addendum (ms.word). Als jij deze uitprint en getekend naar mij toezendt, zal ik intern de benodigde handtekeningen halen om e.e.a. formeel juridisch te formaliseren.

Je suggesties zijn verwerkt, met een (1) toevoeging onzerzijds: (…) Ik neem dat je daar geen bezwaar tegen hebt.”

3.1.8 GVM heeft daarna het "Addendum op de Raamovereenkomst GlobalViewManagement Implacement Collectief - ING Bank NV" (hierna te noemen: het Addendum) op 28 april 2008 ondertekend en op enig moment teruggestuurd naar ING. In het Addendum is, voor zover van belang, het volgende bepaald:

“1. SCHIKKING MET BETREKKING TOT ARTIKEL 3.2 VAN DE OVEREENKOMST

1.1 Conform artikel 3.3. van de Overeenkomst zal ING een vergoeding aan GlobalViewManagement betalen van Euro 504.000,- vrij van BTW. De betaling van deze vergoeding is de enige verplichting die ING heeft op grond van artikel 3.2 en 3.3. van de Overeenkomst. Op voorwaarde van betaling van deze vergoeding door ING verleent GlobalViewManagement finale kwijting aan ING voor hetgeen ING verschuldigd is uit hoofde van artikel 3.2 en 3.3. van de Overeenkomst.

(…)

2. NADERE AFSPRAKEN MET BETREKKING TOT DE UITVOERING VAN DE OVEREENKOMST

2.1 In afwijking op artikel 3.1 van de Overeenkomst, zullen partijen ernaar

streven om het resterende overeengekomen aantal instromers, te weten in ieder geval 60, bij GlobalViewManagement Implacement BV te laten instromen.(…)”

3.1.9 Op 24 april 2008 heeft ING aan GVM € 504.000,-- betaald.

3.1.10 [Werknemer S.], algemeen directeur van GVM, heeft ING in zijn brief van 6 juli 2008, voor zover relevant, het volgende bericht:

“Hoewel uwerzijds gedeeltelijk uitvoering aan de concept-vaststellings overeenkomst is gegeven door betaling van het overeengekomen bedrag van € 504.000,- is er uwerzijds verder geen uitvoering aan gegeven.(…) Ook is mij tot nu niet een ondertekende vaststellingsovereenkomst toegezonden zulks ondanks een sms-bericht van 25 juni 2008 (…). Inmiddels is ons meegedeeld dat in tegenstelling tot de mededeling van mevrouw [J.] ondertekening uwerzijds niet zou hebben plaatsgevonden.

Samenvattend is per vandaag de situatie dat u de overeenkomst van 15 maart 2007 niet nakomt en evenmin uitvoering geeft aan de afspraken die wij op 31 maart jl. hebben gemaakt. (…) Voor dinsdag 8 juli 2008 13.00 uur willen wij uw standpunt schriftelijk vernemen. (…) Wij hopen nog deze week een goede regeling betreffende instromers en aanvullende schadevergoeding met u te kunnen treffen.

Als die uitblijft achten wij ons ook onzerzijds niet meer gebonden aan de principe afspraken als neergelegd in de concept- vaststellingsovereenkomst van april 2008. Wij zullen alsdan onze volledige schadevergoeding claimen uitgaande van de overeengekomen aantal instromers in de overeenkomst van 15 maart 2007.”

3.1.11[X.], destijds directeur Operations & IT Banking CD&AM van ING, heeft bovengenoemde brief op 9 juli 2008 als volgt, voor zover relevant, beantwoord.

“Wij hebben uw brief d.d. 6 juli jl. in goede orde ontvangen. (…) Met verwijzing naar onze eerdere gesprekken in april van dit jaar en de wederzijdse intenties die wij toen hebben besproken, stellen wij voor de wederzijdse afspraken tussen GVM en ING voor de toekomst op een andere wijze inhoud te gaan geven.

Wij willen daarbij voorop stellen dat ING de dienstverlening zoals door GVM wordt aangeboden, wil continueren. De termijn waarbinnen en de aantallen waarmee willen wij echter graag op een andere wijze invullen.

Achtergrond hierbij is dat het concept van de preventieve mobiliteit een groot succes is, waardoor uit de oorspronkelijke doelgroep er inmiddels 295 medewerkers de ING hebben verlaten. Hiervan hebben 22 medewerkers de route via GVM gekozen. Met het vertrek van dit aantal medewerkers is de oorspronkelijk neergezette doelstelling grotendeels behaald en is voor ING de basis van de regeling zoals met GVM is afgesproken, dan ook sterk gereduceerd.

Op basis van deze huidige inzichten (eind juni jl.) is het dan ook voor beiden niet reëel om de intentie uit te spreken nog voor het eind van dit jaar 60 medewerkers via GVM te laten uitstromen. (…)

ING wil graag met GVM hierover afspraken maken op welke wijze wij dit inhoud kunnen gaan geven en rekent op een positieve opstelling van GVM in deze. Hiertoe wordt deze week een overleg met u ingepland.”

3.1.12 Op 10 juli 2008 heeft ING aan mr. Bouma, raadsman van GVM, het reeds door GVM en op dat moment ook door ING getekende Addendum gestuurd. Aan de zijde van ING staan drie handtekeningen met daarbij telkens een handgeschreven datum: 24 juni 2008 respectievelijk 26 mei 2008 respectievelijk 23 mei 2008.

3.1.13 Op 6 januari 2009 is GVM in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. P.F. Schepel als curator.

3.2 GVM heeft in eerste aanleg gevorderd, kort samengevat, te verklaren voor recht dat ING tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen jegens GVM en ING te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken staat, inclusief rente en kosten.

3.3 De rechtbank heeft in het bestreden tussenvonnis, voor zover aan het hof ter beoordeling voorgelegd, overwogen dat het Addendum tussen GVM en ING geen gelding heeft en dat zij voor haar verdere oordeel de Overeenkomst met de daarbij door ING ingeroepen en niet betwiste artikelen uit de Algemene Voorwaarden van ING als uitgangspunt zal nemen. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de vordering van GVM tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden toegewezen, waarbij deze kosten berekend dienen te worden op basis van het uiteindelijk toegewezen bedrag aan schadevergoeding.

Artikel 6 EVRM

3.4 Alvorens aan een inhoudelijke beoordeling toe te komen, dient het hof te beslissen op het door ING bij pleidooi gedane beroep op artikel 6 EVRM. ING heeft dit beroep onderbouwd met de stelling dat er geen sprake is van gelijke proceskansen (‘equality of arms’) nu de bestuurder van GVM,[werknemer S.], niet op de zitting is verschenen.

3.5 Voor zover ING beoogt te stellen dat hiermee niet voldaan is aan het beginsel van hoor en wederhoor, overweegt het hof dat mr. Schepel in zijn hoedanigheid van curator van GVM als partij ter zitting is verschenen. Mr. Schepel kan desgevraagd namens GVM inlichtingen verstrekken. Reeds daarom valt naar ’s hofs oordeel niet in te zien dat ING door de afwezigheid van[werknemer S.] in een nadelige positie is gebracht die zou moeten worden gecompenseerd. Het beroep op artikel 6 EVRM wordt daarom verworpen.

Principaal appel

3.6 In dit (tussentijds) hoger beroep staat de vraag centraal of het Addendum met de daarin vastgelegde afspraken tussen ING en GVM gelding heeft.

De rechtbank heeft geoordeeld dat daarvan geen sprake is. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding en het aanbod van GVM om tot een overeenkomst te komen, namelijk door ondertekening en toezending aan ING van het Addendum, is met het uitblijven van ondertekening van het Addendum aan de zijde van ING door haar (ING) niet tijdig aanvaard, aldus de rechtbank.

3.7 ING baseert haar grieven op de stelling dat het Addendum tussen partijen wel gelding heeft.

Het hof oordeelt als volgt.

3.8 Het hof stelt voorop dat zowel in de tussen partijen gesloten Overeenkomst (artikel 6.1, geciteerd onder 3.1.3) als in de daarin van toepassing verklaarde Algemene Voorwaarden van ING (artikelen 2.3 en 39.1, geciteerd onder 3.1.4) is opgenomen dat een wijziging in de Overeenkomst schriftelijk dient te worden opgemaakt en ondertekend door bevoegde vertegenwoordigers van beide partijen. Nu het hof niet is gebleken dat partijen hiervan afstand hebben gedaan, geldt als uitgangspunt dat nadere overeenkomsten tussen partijen niet vormvrij maar (slechts) schriftelijk tot stand komen.

3.9 Uit de wijze waarop partijen zich bij het overleg over voortzetting van hun relatie en het opstellen van een concept voor een Addendum jegens elkaar hebben opgesteld, leidt het hof af zij zich er beiden van bewust waren dat ondertekening door ieder van partijen vereist was om tot een overeenkomst te komen. Illustratief in dat verband is dat[werknemer V.] namens ING in zijn e-mail van 28 april 2008 bij het toezenden van de definitieve versie van het Addendum heeft bericht dat na ondertekening en retournering van het Addendum door GVM hij “intern de benodigde handtekeningen (zal) halen om e.e.a. formeel juridisch te formaliseren.”

3.10 Ter zitting van 19 januari 2011 heeft[werknemer V.], contractonderhandelaar bij ING, desgevraagd bevestigd dat na afloop van de bespreking tussen ING en GVM op 11 april 2008 waarbij hij als enige vertegenwoordiger namens ING aanwezig was, is afgesproken dat de aldaar gemaakte afspraken schriftelijk vastgelegd zouden worden, ondertekend door de daartoe bevoegde personen.

3.11 De stelling van ING dat partijen zowel mondeling als in de gewisselde schriftelijke correspondentie reeds tot volledige overeenstemming waren gekomen en dat het Addendum en de ondertekening daarvan door partijen dus overbodig was, valt met het bovenstaande niet te rijmen. Dit geldt eveneens, zo niet in nog sterkere mate, voor het standpunt van ING dat niet kan worden aangenomen dat[werknemer V.] met zijn mededeling “ik zal intern de benodigde handtekeningen halen” heeft beoogd een vormvereiste voor contractuele binding voor partijen te creëren. Dit vormvereiste is tussen partijen bij het aangaan van de Overeenkomst immers schriftelijk overeengekomen en[werknemer V.] heeft zich dit als contractonderhandelaar, zo blijkt mede uit diens bovengenoemde verklaring ter zitting, ook gerealiseerd.

3.12 Aan het bovenstaande doet evenmin af dat GVM het Addendum al ondertekend aan ING had teruggestuurd. Van een rechtsgeldige overeenkomst tussen partijen was immers pas sprake zodra de afspraken waarover overeenstemming was bereikt, schriftelijk zouden zijn vastgelegd en ondertekend door beide partijen. Op grond van de eigen mededeling van ING (zie de e-mail van[werknemer V.]) dat ondertekening door de bestuurders van ING diende te geschieden, kon en mocht GVM er niet op vertrouwen dat (slechts) haar ondertekening van het Addendum de overeenkomst tot stand zou brengen. Dat GVM daarop ook niet heeft vertrouwd blijkt duidelijk uit de brief van haar directeur[werknemer S.] van 6 juli 2008, waarin deze zijn zorg uitspreekt over het uitblijven van een door ING ondertekend exemplaar van het Addendum. Op grond van het overeengekomen schriftelijkheidsvereiste had ING immers nog de mogelijkheid om onder de mondeling gemaakte afspraken met GVM uit te komen.

3.13 Dat het Addendum van ING zijde al op 23 mei 2008 door[werknemer V.] en op 26 mei door [werknemer G.] is ondertekend, zoals ING aanvoert, is niet relevant. Afgezien van het feit dat GVM gemotiveerd heeft betwist dat zij met voldoende zekerheid wist dat de betreffende handtekeningen op die data al waren geplaatst, betrof het een interne procedure bij ING die op genoemde data, naar achteraf ook is gebleken, kennelijk nog niet was afgerond.

3.14 Onder bovengenoemde omstandigheden mocht GVM de in haar brief van 6 juli 2008 genoemde termijn aan ING stellen (zie 3.1.10) om tot ondertekening van het Addendum te komen en behoefde zij zich na 8 juli 2008 niet meer aan de principe afspraken in de concept-vaststellingsovereenkomst gebonden te achten. Aan het standpunt van ING dat de door GVM gestelde termijn te kort was, gaat het hof voorbij. Indien ING, nadat ondertekening harerzijds (in ieder geval) sedert medio mei 2008 op zich had laten wachten, van oordeel was dat de gestelde termijn voor ondertekening te kort was, had zij daarvan in haar brief van 9 juli 2008 melding moeten maken. Er blijkt echter uit niets dat ING destijds de korte termijn problematisch vond.

3.15 Uit het voorgaande volgt dat het Addendum tussen partijen niet geldt bij gebreke van ondertekening hiervan door ING. Het hof komt derhalve tot eenzelfde conclusie als de rechtbank, zij het op andere gronden.

Aangezien ING haar grieven I tot en met VII baseert op de stelling dat het Addendum tussen partijen geldt, behoeven deze geen behandeling meer.

3.16 Met grief VIII komt ING op tegen de toewijzing door de rechtbank van de door GVM gevorderde buitengerechtelijke (incasso)kosten.

Deze grief slaagt. Naar ’s hofs oordeel heeft GVM, tegenover de gemotiveerde betwisting door ING, te algemeen en daarmee onvoldoende concreet onderbouwd waaruit deze kosten bestaan. De verwijzing naar de inhoud van de inleidende dagvaarding (1.6 t/m 1.28) en de opsomming van 8 producties die gedeeltelijk dateren uit de periode dat de onderhandelingen nog liepen, bieden in dit verband te weinig houvast. De gevorderde buitengerechtelijke kosten dienen derhalve te worden afgewezen.

Incidenteel appel

3.17 De rechtbank heeft overwogen dat ING met betaling van het bedrag van € 504.000,-- deels aan haar garantieverplichting op grond van artikel 3.1 tot en met 3.3 van de Overeenkomst heeft voldaan en dat de vordering van GVM voor zover zij schade vordert over méér dan 45 medewerkers zal worden afgewezen.

Tegen dit oordeel richt zich de grief van GVM.

3.18 Het hof overweegt als volgt. De onder 3.1.3 weergegeven garantieverplichting houdt in dat ING in de periode 15 maart 2007 tot 31 december 2008 minimaal 100 medewerkers en maximaal 250 medewerkers gefaseerd laat instromen. Dit betekent dat deze verplichting voor ING niet verder strekt dan de garantie voor een minimum aantal van 100 medewerkers.

Gelet op het feit dat voor de periode van 15 maart 2007 tot 15 september 2007 een vaste garantiesom geldt voor 50 medewerkers van € 18.000,-- per medewerker en vanaf 15 september 2007 tot 1 maart 2008 5 medewerkers van ING bij GVM zijn ingestroomd, is de rechtbank naar ’s hofs oordeel terecht uitgegaan van een aantal van 45 werknemers (100-55) waarover ING nog schade dient te vergoeden.

De stelling van GVM dat de rechtbank hiermee geen recht doet aan de door haar verrichte inspanningen en gemaakte kosten, gaat voorbij aan de garantiebepaling uit de Overeenkomst, waarvan de inhoud door GVM niet wordt betwist.

De grief faalt derhalve.

4. Slotsom

Met uitzondering van grief VIII (buitengerechtelijke kosten) faalt het principaal appel.

Het incidenteel appel faalt eveneens. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en de zaak zal worden verwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van hetgeen het hof onder r.o. 3.16 van dit arrest heeft beslist.

ING zal worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel en GVM in de kosten van het incidenteel appel, telkens vermeerderd met de wettelijke rente zoals gevorderd.

De bewijsaanbiedingen zullen worden verworpen omdat zij niet zijn gebaseerd op voldoende geconcretiseerde stellingen die, indien al bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

5. Beslissing

Het hof:

Bekrachtigt zowel in principaal als in incidenteel appel het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 30 december 2009, gewezen tussen ING als gedaagde en GVM als eiseres onder verbetering van gronden zoals hiervoor overwogen;

wijst de zaak voor verdere behandeling en afdoening terug naar de rechtbank Amsterdam;

veroordeelt ING in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van GVM tot op heden begroot op € 314,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente ingeval deze kosten niet binnen veertien dagen na datum van dit arrest zijn voldaan;

veroordeelt GVM in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van ING tot op heden begroot op € 1.341,-- aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente ingeval deze kosten niet binnen acht dagen na betekening van dit arrest zijn voldaan;

verklaart de veroordeling tot betaling van de proceskosten, zowel in principaal appel als in incidenteel appel uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M van der Reep, C.A. Joustra en E.M. Polak en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 maart 2011.