Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6989

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
200.066.095/01 SKG en 200.066.097/01 SKG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BM0564, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2010:BM1465, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BW9230, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BW9230
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Uitzending in tv- programma van met verborgen opnameapparatuur verkregen geluids- en beeldopnamen. Afweging recht op vrije meningsuiting (art. 10 EVRM) versus recht op bescherming persoonlijke levenssfeer (art. 8 EVRM). Betekenis in die afweging van de wijze waarop de informatie is verkregen en van de wijze van openbaarmaking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummers 200.066.095/01 SKG en 200.066.097/01 SKG

8 maart 2011

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak (met het zaaknummer 200.066.097 SKG) van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENDEMOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTEN,

advocaat: mr. A. Knigge, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

verblijvende op de longstay afdeling van de Pompekliniek te Vught,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. B.J.C. Pleiter, kantoorhoudende te Amsterdam,

en in de zaak (met het zaaknummer 200.066.095 SKG) van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENDEMOL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SBS BROADCASTING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. Peter Rudolf DE VRIES,

wonende te [ plaatsnaam ],

APPELLANTEN,

advocaat: mr. A. Knigge, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

[ GEÏNTIMEERDE ],

verblijvende op de longstay afdeling van de Pompekliniek te Vught,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. B.J.C. Pleiter, kantoorhoudende te Amsterdam,

Appellanten in de beide zaken worden hierna gezamenlijk aange-duid als SBS c.s. en afzonderlijk als Endemol, SBS en De Vries en geïntimeerde als [ Geïntimeerde ].

1. Het geding in hoger beroep

in zaaknummer 200.066.097/01 SKG

Bij dagvaarding van 7 mei 2010 zijn SBS en Endemol in hoger be¬roep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de recht-bank Amsterdam onder zaaknummer/rolnummer 455768/KG ZA 10-694 tussen [ Geïntimeerde ] als eiser en hen als gedaagden gewe¬zen en op 9 april 2010 uitge¬sproken vonnis in kort geding. De dag-vaarding bevat de grieven.

SBS en Endemol hebben tegen het vonnis van 9 april 2010 zeven grieven aangevoerd en gecon¬cludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, primair, de vorderingen van [ Geïntimeerde ] alsnog zal afwijzen en, subsidiair, het opgelegde verbod ten aanzien van (het gebruik van) de beelden zal beperken tot een verbod op het zonder voorafgaande toestemming van [ Geïntimeerde ] uitzenden of anderszins vertonen en/of ten gehore brengen van opnamen van of over [ Geïntimeerde ], gemaakt in de kliniek, waarop [ Geïntimeerde ] voor het algemene publiek herkenbaar in beeld of herkenbaar te horen is en de vorderingen van [ Geïnti-meerde ] voor het overige zal afwijzen, met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van beide instanties.

Bij antwoordmemorie heeft [ Geïntimeerde ] de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd tot be-krachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van SBS en Endemol in de proceskosten.

in zaaknummer 200.066.095/01 SKG

Bij dagvaarding van 12 mei 2010 zijn SBS c.s. in hoger be¬roep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Am-sterdam onder zaaknummer/rolnummer 456618/KG ZA 10-747 tussen [ Geïntimeerde ] als eiser in conventie, verweerder in reconven-tie, en hen als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, gewe¬zen en op 16 april 2010 uitge¬sproken vonnis in kort geding, waarvan de motivering deels is neergelegd in het proces-verbaal van de op 16 april 2010 gehouden zitting. De appeldagvaarding bevat de grieven.

SBS c.s. hebben tegen het vonnis van 16 april 2010 zeven grieven aangevoerd en gecon¬cludeerd, samengevat, primair dat het hof het vonnis in conventie zal vernietigen en het vonnis in reconventie gedeeltelijk zal bekrachtigen en gedeeltelijk zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vorderingen van [ Geïn-timeerde ] alsnog zal afwijzen en in reconventie alsnog alle vorderingen van SBS c.s. zal toewijzen, althans, subsidiair, dat het hof het vonnis in conventie zal vernietigen en in reconven-tie zal bekrachtigen voor wat betreft de toewijzing van het ver-bod genoemd in het vonnis onder 5.7, en, opnieuw rechtdoende, in conventie het opgelegde verbod ten aanzien van (het gebruik van) de beelden zal beperken tot een verbod op het zonder voorafgaan-de toestemming van [ Geïntimeerde ] uitzenden of anderszins ver-tonen en/of ten gehore brengen van opnamen van of over [ Geïnti-meerde ], gemaakt in de kliniek, waarop [ Geïntimeerde ] voor het algemene publiek herkenbaar in beeld of herkenbaar te horen is, en de vorderingen van [ Geïntimeerde ] voor het overige zal afwijzen, en in reconventie de vordering met betrekking tot het gevraagde executieverbod voor de aflevering van 18 april 2010 alsnog zal toewijzen in voornoemde zin met afwijzing van het meer of anders gevorderde, een en ander met veroordeling van [ Geïntimeerde ] in de kosten van beide instanties.

Bij antwoordmemorie heeft [ Geïntimeerde ] de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd tot be-krachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van SBS c.s. in de proceskosten.

in beide zaken

Onder depotnummer 11/2010 hebben SBS c.s. ter griffie van het hof een DVD-opname gedeponeerd.

Bij arrest van dit hof van 20 juli 2010 zijn de beide zaken ge-voegd.

Ter zitting van 1 oktober 2010 hebben partijen hun zaak monde-ling door hun advocaat doen bepleiten, SBS c.s. door mr. J.A. Schaap, advocaat in Amsterdam, en [ Geïntimeerde ] door mr. Pleiter voornoemd. Beide advocaten hebben zich bediend van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. De in eerste aanleg aan de voorzieningenrechters toegezonden brieven zijn nagezonden en maken deel uit van het procesdossier.

Partijen hebben arrest gevraagd.

2. De feiten (in beide zaken)

2.1. In het vonnis van 9 april 2010 heeft de voorzieningen-rechter onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten opgesomd waarvan zij is uitgegaan. In het (uitgewerkte) vonnis van 16 april 2010 staan de feiten, waarvan de voorzieningenrechter in dat vonnis is uitgegaan, vermeld onder 2.1 tot en met 2.9. De op-sommingen komen voor een groot deel overeen.

2.2. In grief 1 (in beide zaken) is een bezwaar gericht tegen de (volledigheid van de) vaststellingen onder 2.3 en 2.5 in genoemde vonnissen. In de hierna te geven weergave van de fei-ten zal het hof met het door SBS en Endemol aangevoerde be-zwaar tegen de vaststelling onder 2.3 rekening houden. Het be-zwaar tegen de vaststelling onder 2.5 mist feitelijke grond-slag.

2.3. Voor het overige bestaat tussen partijen omtrent de fei-ten die door de voorzieningenrechters in de beide zaken tot uitgangspunt zijn genomen geen geschil, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.

2.4. Deze feiten, op enkele onderdelen aangepast en aangevuld door het hof, zijn de volgende:

(i) [ Geïntimeerde ], ook bekend als Koos H., is door het ge-rechtshof te ‘s-Gravenhage op 14 oktober 1982 veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens het ontvoeren, misbruiken en vermoorden van drie meisjes. Zijn tegen die uitspraak ge-richte cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen. Hij ver-blijft momenteel op de zogenoemde ‘longstay’-afdeling van een TBS-kliniek. [ Geïntimeerde ] heeft tijdens zijn berechting de bij de rechtbank en het gerechtshof te ‘s-Gravenhage alle hem ten laste gelegde feiten ontkend.

(ii) In 1983, toen het cassatieberoep van [ Geïntimeerde ] nog liep, zijn met medewerking van [ Geïntimeerde ] in het blad Panorama drie artikelen verschenen over de zaak waarbij ook foto’s van [ Geïntimeerde ] zijn geplaatst en dagboekfragmen-ten van [ Geïntimeerde ] zijn aangehaald. De lezing van [ Ge-intimeerde ] was toen dat hij wel als medeplichtige bij de za-ken betrokken is geweest, maar hij bleef bij zijn ontkenning de meisjes te hebben vermoord: “Vorige week verbrak Koos H. in Panorama zijn stilzwijgen. (…) Ik heb straf verdiend, maar ik ben geen moordenaar” zei hij.” In die artikelen wordt ook ge-refereerd aan een brief van 9 juni 1977 van een (inmiddels overleden) rechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage waarin deze [ Geïntimeerde ] aanbiedt om rijlessen voor hem te rege-len en die ook te betalen.

(iii) In 1997 heeft [ Geïntimeerde ] alsnog een (toen niet openbaar bekend gemaakte) bekentenis ter zake van de drie moorden afgelegd. Nadien is [ Geïntimeerde ] - op basis van artikel 13 Wetboek van Strafrecht - overgeplaatst naar een TBS-kliniek.

(iv) In 2003 heeft het televisieprogramma Netwerk een uitzen-ding gewijd aan de zaak van [ Geïntimeerde ]. In die uitzen-ding is van vorenbedoelde bekentenis gewag gemaakt. In dat-zelfde jaar verscheen van de hand van de voormalige hoofdre-dacteur van dagblad Het Parool, [ Z ], het boek “Zuidwal”, dat eveneens als onderwerp heeft de misdrijven van [ Geïntimeerde ], waaronder ook een aantal onopgeloste zaken waarmee hij in verband is gebracht, zoals de moord in 1980 op twee Zweedse meisjes. In het boek komt ook de kwestie met de rechter ter sprake en wordt uitdrukkelijk de vraag gesteld bij hoeveel on-opgeloste moorden [ Geïntimeerde ] mogelijk verder nog betrok-ken is.

(v) Eind maart 2010 heeft De Vries, misdaadverslaggever van SBS, op zijn website bekend gemaakt dat ten behoeve van zijn televisieprogramma heimelijk (met een verborgen camera) opna-men van [ Geïntimeerde ] zijn gemaakt in de TBS-kliniek waar hij toen verbleef (en thans weer verblijft). De opnamen zijn gemaakt tijdens acht bezoeken van een jeugdvriend van [ Geïn-timeerde ], [ X ](verder: [ X ]), aan [ Geïntimeerde ]. Uit mededelingen op vorenbedoelde website blijkt dat de opnamen en/of daaruit verkregen informatie zouden worden gebruikt in de uitzendingen van De Vries van 4, 11 en 18 april 2010. Ende-mol is de producent van het programma van De Vries.

(vi) Bij dagvaarding in kort geding van 2 april 2010 heeft [ Geïntimeerde ] gevorderd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag en per iedere overtreding,

a. Endemol en SBS te veroordelen tot afgifte van de uitzend-banden/mastertapes en alle overige in hun bezit zijnde band- en beeldopnamen van of over [ Geïntimeerde ], alsmede van alle informatie afkomstig van [ Geïntimeerde ] en verkregen door middel van de opnamen en/of contacten voortspruitende uit [ Geïntimeerde ] contacten met [ X ], zonder behoud van kopieën;

b. Endemol en SBS te verbieden zonder voorafgaande schrifte-lijke toestemming van [ Geïntimeerde ] enig beeld en/of audi-tief materiaal dan wel citaten of andere informatie uit voor-noemde vertrouwelijke communicatie tussen [ Geïntimeerde ] en [ X ], al dan niet afkomstig uit de geheime opnamen, uit te zenden of anderszins openbaar te maken, en voorts te verbieden enige informatie afkomstig uit de opnamen te openbaren, te ge-bruiken of te bezigen;

c. Endemol en SBS te verbieden enig beeld- en auditief mate-riaal over [ Geïntimeerde ], voor zover niet gemaakt in het kader van de gewone nieuwsgaring, zonder het volledig onher-kenbaar maken van [ Geïntimeerde ], openbaar te maken of te verspreiden.

(vii) In het tussenvonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 april 2010 is het verbod op de voor-genomen uitzending van 4 april 2010 afgewezen, op grond van de volgende overweging:

“Met betrekking tot de voorgenomen uitzending (…) heeft SBS c.s. (hof: SBS en Endemol) bij monde van Peter R. de Vries het volgen-de verklaard. In die uitzending zullen de zonder toestemming van [ Geïntimeerde ] gemaakte beeld- en/of geluidsopnamen niet worden vertoond. Ook zal daarin niet worden geciteerd, direct noch indi-rect, uit de op die beelden of geluidsopnamen voorkomende concre-te uitlatingen van [ Geïntimeerde ]. Gelet op deze verklaring en in het licht van de overige omstandigheden van dit geval, wordt geoordeeld dat voorshands niet aannemelijk is dat het uitzenden van deze aflevering van Peter R. de Vries een zodanige onrechtma-tige schending van de persoonlijke levenssfeer van [ Geïntimeerde ] zal opleveren dat die tot rechterlijk ingrijpen noopt. Voor een verbod tot uitzending bestaat dan ook thans geen grond.”

(viii) Bij vonnis van 9 april 2010 heeft de voorzieningenrech-ter, met afwijzing van het meer of anders gevorderde, SBS en Endemol verboden (a) zonder voorafgaande toestemming van [ Ge-intimeerde ] (enig onderdeel van) de heimelijke beeld- en ge-luidsopnamen van of over [ Geïntimeerde ], gemaakt in de kli-niek, uit te zenden of anderszins openbaar te maken en voorts (b) enig andere beeld- en geluidsopnamen van of over [ Geïnti-meerde ], voor zover niet gemaakt in het kader van gewone nieuwsgaring, zonder volledig onherkenbaar maken van [ Geïnti-meerde ], uit te zenden of anderszins openbaar te maken, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000,- voor iedere overtreding.

(ix) Niettegenstaande het in het vonnis van 9 april 2010 opge-legde verbod is bij de uitzending van het tv programma “Peter R. de Vries, misdaadverslaggever” van zondag 11 april 2010 ge-bruik gemaakt van de onder (v) genoemde beeld- en geluidsopna-men, gemaakt in de kliniek.

(x) [ Geïntimeerde ] heeft in een tweede kort geding, waarin hij deze keer naast SBS en Endemol ook De Vries heeft betrok-ken, gevor¬derd, kort gezegd, dat de bij vonnis van 9 april 2010 uitge¬sproken verboden ook gelden jegens De Vries en dat de dwangsom, voor alle drie gedaagden, (hoofdelijk) wordt be-paald op € 1.000.000 per overtreding met een maximum van € 5.000.000. [ Geïntimeerde ] vordert voorts SBS c.s. te veroor-delen tot afgifte van de banden (zonder behoud van kopieën), op straffe van een dwangsom. In reconventie hebben SBS c.s. een verbod gevorderd het vonnis van 9 april 2010 ter zake van het onder (viii, a) genoemde verbod wat betreft het programma op zondag 18 april 2010 en herhalingen van dat programma (ver-der) ten uitvoer te leggen en een verbod de aan het verbod verbonden dwangsom te (trachten te) incasseren, alsmede een verbod het vonnis van 9 april 2000 wat betreft het onder (vi-ii, b) genoemde verbod (verder) ten uitvoer te leggen voor wat betreft het gebruik van de twee portretten van [ Geïntimeerde ] die voorafgaand aan het vonnis van 9 april 2010 op de websi-te van het programma van De Vries en in de uitzending van 4 april 2010 waren getoond, en de aan dit verbod verbonden dwangsom te (trachten te) incasseren.

(xi) Bij vonnis van 16 april 2010 heeft de voorzieningenrech-ter (in conventie), onder afwijzing van het meer of anders ge-vorderde, De Vries verboden zonder voorafgaande toestemming van [ Geïntimeerde ] de heimelijke beeld- en geluidsopnamen van of over [ Geïntimeerde ], gemaakt in de kliniek, uit te zenden of anderszins te vertonen en/of ten gehore te brengen, met bepaling van de dwangsom op een bedrag van € 500.000,- voor iedere overtreding. Ten aanzien van SBS en Endemol is de dwangsom, ter zake van overtreding van de in het vonnis van 9 april 2010 genoemde verboden, eveneens op € 500.000,- gesteld. De reconventionele vordering is toegewezen voor zover deze be-trekking had op het gebruik van de twee portretten en voor het overige afgewezen.

(xii) In de op het vonnis van 16 april 2010 gevolgde uitzen-ding van 18 april 2010 zijn de litigieuze beeld- en geluidsop-namen niet vertoond, respectievelijk gebruikt, maar is de plaats van [ Geïntimeerde ] ingenomen door een acteur.

(xiii) In de zaak met het zaaknummer 200.066.097/01 gaat het om het hoger beroep tegen het onder (viii) genoemde vonnis van 9 april 2010. In de zaak met het zaaknummer 200.066.095/01 gaat het om het hoger beroep tegen het onder (xi) gewezen von-nis van 16 april 2010, behoudens het daarin onder 5.7 in re-conventie toegewezen deel. Tegen de toewijzing in dit vonnis van dit deel van de reconventionele vordering heeft [ Geïnti-meerde ] geen incidenteel appel ingesteld.

3. Beoordeling van het geschil in zaaknummer 200.066.097/01

3.1. Zoals onder (vi) weergegeven vordert [ Geïntimeerde ], met een beroep op zijn recht op eerbiediging van de persoon-lijke levenssfeer, in deze procedure (onder meer) een verbod om van hem gemaakte beeld- en geluidsopnamen uit te zenden of anderszins openbaar te maken. Daartegenover beroepen SBS en Endemol zich op het recht op vrijheid van meningsuiting. Te-recht hebben partijen geen bezwaar gemaakt tegen de door de voorzieningenrechter terzake gehanteerde maatstaf. Bij een botsing immers van enerzijds het recht op vrijheid van me-ningsuiting met anderzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. In het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting komt daarbij aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te ver-spreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en anderzijds het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij de afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan het door artikel 7 Gw. en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Ditzelfde geldt voor de door artikel 8 EVRM beschermde rechten. Het voorgaande leidt ertoe dat de toetsing in één keer dient te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van artikel 10 EVRM dan wel het tweede lid van artikel 8 EVRM. Voor de toe te passen afweging maakt het geen verschil of, indien gebruik wordt gemaakt van herkenbare beelden, naast de schending van de persoonlijke levenssfeer tevens schending van het portret-recht aan de vordering ten grondslag wordt gelegd.

3.2. De grieven 2 tot en met 4 hebben alle betrekking op door de voorzieningenrechter in de afweging betrokken elementen en het daaraan door de voorzieningenrechter gegeven gewicht. De grieven lenen zich grotendeels voor gezamenlijke behandeling.

3.3. Bij de beantwoording van de vraag of, zoals SBS en Ende-mol aanvoeren, het door de voorzieningenrechter gegeven verbod in de onderhavige zaak een te ver gaande inperking vormt van het recht op vrijheid van meningsuiting, acht het hof het vol-gende van belang.

(i) De opnamen zijn tot stand gekomen zonder medeweten en toe-stemming van [ Geïntimeerde ]. [ Geïntimeerde ] verbleef, toen de opnamen werden gemaakt, op de longstay afdeling van een TBS-kliniek, een zwaar beveiligde inrichting waarin het bin-nenbrengen van (onder meer) elektronische apparatuur ten strengste verboden is. In deze omgeving mocht [ Geïntimeerde ] zich veilig wanen en hoefde hij er in geen enkel opzicht op bedacht te zijn dat van hem (door een bezoeker) beeld- en ge-luidsopnamen zouden worden gemaakt. Om hem tot praten te bren-gen is gebruik gemaakt van een oude jeugdvriend. [ Geïntimeer-de ], die zich in een sociaal isolement bevond, stelde de be-zoeken van deze jeugdvriend op hoge prijs. Het hof concludeert dat, gezien de beslotenheid van de omgeving waarin [ Geïnti-meerde ] verbleef en waarin de gesprekken plaatsvonden alsmede het door [ Geïntimeerde ] terecht veronderstelde privé-karakter van de gesprekken, door het gebruik van verborgen op-nameapparatuur sprake is van een ernstige inbreuk op de per-soonlijke levenssfeer van [ Geïntimeerde ].

Wat SBS en Endemol stellen over de vraag of en in hoeverre een cel als woning kan gelden, doet daar niet aan af.

(ii) Het openbaar maken van de gemaakte opnames maakt, behalve dat daardoor mogelijk het portretrecht zou worden geschonden, de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer nog beduidend gro-ter.

(iii) SBS en Endemol benadrukken terecht dat programmamakers in beginsel de vrijheid hebben een misstand onder de aandacht van het publiek te brengen in de vorm die hun goeddunkt. Arti-kel 10 EVRM beschermt immers niet alleen de inhoud van de in-formatie maar ook de wijze waarop de informatie wordt overge-bracht. Anders dan SBS en Endemol verdedigen, betekent dit echter niet dat het medium dat voor de openbaarmaking wordt gebruikt, en de wijze waarop het medium wordt gebruikt, bij de toe te passen afweging geen gewicht in de schaal zouden mogen leggen. Uitzending op de televisie van gesprekken die hebben plaatsgevonden, met herkenbare beelden en geluiden, vormen een aanzienlijk grotere inbreuk op de privacy van de desbetreffen-de persoon dan (bijvoorbeeld) een gedrukte weergave van de in-houd van die gesprekken. Onontkoombaar is daarom dat de wijze waarop een journalist eventuele misstanden aan de kaak wil stellen, in de afweging wordt betrokken. Dit geldt ook waar het gaat om het (voorgenomen) gebruik van het medium televi-sie, ook al is duidelijk dat bij dat medium een grote afhanke-lijkheid bestaat van het kunnen gebruiken van gemaakte beel-den.

In dit verband merkt het hof op dat ook in de eigen normen van de journalistieke beroepsgroep (onder meer kenbaar uit de ambtshalve gegeven uitspraak van de Raad voor de journalistiek inzake het gebruik van verborgen opname-apparatuur van 20 au-gustus 1996, RvdJ 1996-44) betekenis wordt toegekend aan de wijze van openbaarmaking. In de genoemde uitspraak van de Raad wordt vooropgesteld dat door het – zonder toestemming en/of medeweten van de betrokkene - maken van opnames met verborgen apparatuur en het openbaar maken daarvan, in beginsel de gren-zen van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verant-woordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is zijn over-schreden. Een afwijking van de norm kan (behoudens in een hier niet terzake doend geval) volgens de Raad slechts toelaatbaar zijn wanneer zwaarwichtige redenen van algemeen belang een af-wijking van de norm rechtvaardigen, waarvan in het algemeen slechts sprake zal zijn “indien na behoorlijk onderzoek geble-ken is dat de journalist geen andere middelen ten dienste staan om overeenkomstig de taak van de pers in een democrati-sche samenleving, het publiek voor te lichten over ernstige misstanden of ernstige rechtsschendingen dan wel andere infor-matie te verstrekken die wezenlijk is voor publieke menings-vorming over zaken die het algemeen belang direct raken.” Een dergelijk uitgangspunt is ook te vinden in regel 20 van de Co-de voor de Journalistiek, zoals deze in 2008 is opgesteld door het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren: publicatie van tekst/foto’s/audio-opnames of beelden die zijn gemaakt van personen in privésituaties vindt zonder toestemming van de be-trokkene niet plaats “tenzij met de publicatie een groot maat-schappelijk belang is gediend”.

Het door de Raad geformuleerde criterium vereist, zo vervolgt de uitspraak van de Raad, dat, voordat tot die opnamemethode en/of openbaarmaking van de aldus verkregen opnames wordt be-sloten, steeds een zorgvuldige afweging van alle omstandighe-den van het geval en de betrokken belangen door de journalis-tiek verantwoordelijken als nader in de uitspraak is aangege-ven plaatsheeft. In de uitspraak van de Raad wordt een aantal omstandigheden en factoren genoemd die bij de afweging dienen te worden betrokken. Daarbij wordt de vorm van openbaarmaking met zoveel woorden genoemd onder VIII.B.8: “(…) Aan de vorm waarin de openbaarmaking plaatsvindt, dient met het oog op het ontzien van de belangen van de betrokkenen aandacht te worden besteed.”

(iv) In de door het hof te verrichten weging is van grote be-tekenis of juist is de stelling van Endemol en SBS dat de ge-maakte opnames belangrijke nieuwsfeiten bevatten en ernstige misstanden aan de kaak stellen. SBS en Endemol noemen in dit verband:

a. de rol van rechter [ rechter ];

b. het feit dat [ Geïntimeerde ] in een TBS-kliniek zit zonder dat dit bekend is en zonder dat hij tot TBS is veroordeeld;

c. het feit dat zijn bekentenis nooit aan de nabestaanden is meegedeeld;

d. het feit dat het mogelijk is dat ook een veroordeelde als [ Geïntimeerde ] in de TBS-kliniek porno ziet en onbeperkt en ongecontroleerd ontvangt;

e. de nadere informatie over de moorden op de drie meisjes waarvoor [ Geïntimeerde ] is veroordeeld;

f. de informatie over moorden waarvan [ Geïntimeerde ] werd verdacht maar waarvoor hij nooit is veroordeeld, zoals bij-voorbeeld de moord op twee Zweedse meisjes in België.

Ten slotte hebben SBS en Endemol aangevoerd dat de uitzendin-gen een bijdrage vormen aan belangrijke maatschappelijke dis-cussies over proefverloven in het kader van TBS en de reïnte-gratie van veroordeelden van het soort ernstige feiten als waarvoor [ Geïntimeerde ] is veroordeeld.

Het hof zal deze stellingen bespreken en daarbij ook ingaan op de vraag of de (onder (i) tot en met (iii) vastgestelde) ern-stige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [ Geïntimeer-de ] wel of niet zwaarder moet wegen dan het recht van Endemol en SBS op openbaarmaking door middel van uitzending van de beeld- en geluidsopnamen van de desbetreffende door hen ge-stelde nieuwsfeiten en misstanden.

ad a.

De hier genoemde misstand houdt onder meer in dat een dubieuze relatie heeft bestaan tussen [ Geïntimeerde ] en [ rechter ], toentertijd vice-president van de rechtbank Den Haag. Deze re-latie heeft mogelijk invloed gehad op een door [ rechter ] (als een van de betrokken rechters) in een strafzaak van [ Ge-intimeerde ] uitgesproken vrijspraak. Het hof onderkent dat mogelijk sprake is van een zeer ernstige misstand, bij de be-kendmaking waarvan, hoewel de relatie tussen [ Geïntimeerde ] en rechter [ rechter ] speelde in de jaren ’70 en de rechter inmiddels is overleden, een niet te miskennen maatschappelijk belang bestaat. Aan beoordeling van de vraag of voor het aan de kaak stellen van deze misstand het uitzenden van de met de verborgen opnameapparatuur gemaakte beeld- geluidsopnamen van [ Geïntimeerde ] gerechtvaardigd is, komt het hof evenwel niet toe. De uitzending over deze misstand heeft inmiddels, met - zoals het hof heeft waargenomen: overtuigende - inzet van een acteur plaatsgevonden. Daardoor is een nieuwe situatie ont-staan. Of, zoals SBS en Endemol stellen, de bedoelde misstand nog effectiever (op een wijze die recht doet aan de ernst van de misstand) over het voetlicht zou kunnen worden gebracht en de hiervoor onder 3.1 beschreven afweging anders zou moeten uitvallen wanneer het verkregen beeld en geluid – al dan niet op enige wijze aangepast, bijvoorbeeld door onherkenbaar maken van het gezicht en/of stem - zou kunnen worden uitgezonden, kan door het hof niet worden beoordeeld. Daarvoor zou een ver-gelijking moeten worden gemaakt tussen enerzijds de beelden met de acteur en anderzijds de beelden met [ Geïntimeerde ]. Deze vergelijking is niet mogelijk omdat de van [ Geïntimeerde ] gemaakte beelden met betrekking tot de gesprekken over [ rechter ] niet in het geding zijn gebracht.

ad b. en c.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat SBS en Endemol alle uit de contacten tussen [ Geïntimeerde ] en [ X ] verkre-gen informatie mogen gebruiken en dat zij zelfs [ Geïntimeerde ] letterlijk mogen citeren en zijn brieven in beeld mogen brengen. De beide feiten zijn niet van dien aard dat het recht van SBS en Endemol op vrijheid van meningsuiting door middel van (verdergaande) openbaarmaking van het met de verborgen op-name-apparatuur verkregen beeld en geluid in verband met deze feiten zwaarder moet wegen dan het recht op privacy van [ Ge-intimeerde ].

ad d.

Door SBS en Endemol is geen goede reden gegeven waarom, naast het tonen van de (met de verborgen camera verkregen) beelden van de bij de ingang van de TBS-kliniek uitgeoefende controle, het gebruik van het met betrekking tot dit onderwerp uit de opnamen van [ Geïntimeerde ] verkregen beeld en geluid zou dienen te prevaleren boven het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [ Geïntimeerde ]. Het door de voorzieningenrechter gegeven verbod is reeds op die grond juist.

ad e.

Ook hier geldt dat in het vonnis van de voorzieningenrechter geen belemmering is gelegen voor SBS en Endemol om de verkre-gen informatie als zodanig openbaar te maken. Het gaat erom of de door de voorzieningenrechter opgelegde beperking – kort ge-zegd een verbod om daarbij de heimelijk gemaakte beeld- en ge-luidsopnamen van [ Geïntimeerde ] in de kliniek uit te zenden – gerechtvaardigd is in verband met het recht op privacy van [ Geïntimeerde ]. Tegen de achtergrond van het gegeven dat [ Ge-intimeerde ] in 1982 bij onherroepelijk geworden uitspraak voor de moord op de drie meisjes tot levenslange gevangenis-straf is veroordeeld, acht het hof, ook indien de belangen van de nabestaanden en van degenen die in de omgeving van de drie door [ Geïntimeerde ] vermoorde meisjes hebben geleefd in de beoordeling worden betrokken, het maatschappelijk belang om door middel van uitzending van de met de verborgen apparatuur verkregen beeld- en geluidsopnamen van de precieze details van de moorden op de hoogte te worden gesteld, onvoldoende opwegen tegen het belang van [ Geïntimeerde ] niet herkenbaar in zijn leefomgeving te zien en te horen te zijn. Het hof acht het door de voorzieningenrechter gegeven verbod in dit opzicht dan ook juist. Daarbij zij nog opgemerkt dat denkbaar is dat de nabestaanden en andere betrokkenen door SBS en Endemol was aangeboden – desgewenst - in kleine kring de bewuste beeld- en geluidsopnames te zien en beluisteren.

ad f.

[ Geïntimeerde ] heeft, zo blijkt uit de opnames, over deze moorden enige (op zichzelf weinig duidelijke) informatie gege-ven, die mogelijk voor de politie en het openbaar ministerie van belang kan zijn. Het hof is van oordeel dat het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [ Geïntimeerde ] zwaarder weegt dan het recht van Endemol en SBS op openbaar-making van deze informatie door middel van de verkregen beeld- en geluidsopnamen.

Tenslotte: niet valt in te zien dat uitzending van de litigi-euze beeld- en geluidsopnamen in enig opzicht noodzakelijk is voor de door Endemol en SBS genoemde maatschappelijke discus-sie. Een reden om het door de voorzieningenrechter gegeven verbod onjuist te achten, kan hierin dus niet worden gevonden.

3.4. Aan deze oordelen doet niet af hetgeen SBS en Endemol in grief 2 hebben aangevoerd. Zij stellen daarin onder meer dat de voorzieningenrechter in haar oordeel ten onrechte heeft be-trokken dat de openbaarmaking mogelijk negatieve invloed zal hebben op de wijze van tenuitvoerlegging van de detentie, en voorts benadrukken zij dat de voorzieningenrechter te weinig aandacht heeft gehad voor de beperktheid van de gevolgen van de openbaarmaking voor [ Geïntimeerde ]. Ook als juist zou zijn wat SBS en Endemol aanvoeren op het punt van de gevolgen voor [ Geïntimeerde ], zou dit het resultaat van de door het hof gemaakte afweging niet anders maken.

3.5.1. Ook de stelling van SBS en Endemol (memorie van grie-ven, 61) dat “een drievoudig moordenaar als [ Geïntimeerde ] er altijd op beducht [dient] te zijn dat, als hij iets ver-klaart over gepleegde en soms nog onopgeloste moorden en cor-ruptie van een rechter, dit naar buiten komt”, doet, wat daar-van ook zij, aan voormelde oordelen niet af. Het hof tekent hierbij nog aan dat in dit hoger beroep niet zozeer aan de or-de is of de bewuste informatie “naar buiten” kan komen maar of de gemaakte beeld- en geluidsopnamen openbaar mogen worden ge-maakt. Dit onderdeel van grief 4 treft daarom geen doel.

3.5.2. In het tweede gedeelte van grief 4 voeren SBS en Ende-mol aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte de wijze waarop de informatie is vergaard in de te maken afweging (zie 3.1) heeft betrokken. SBS en Endemol betogen dat wanneer de inzet en het gebruik van verborgen opname-apparatuur rechtma-tig zijn (volgens SBS en Endemol: een verborgen camera-actie is toegestaan als de ernst van de misstand de actie rechtvaar-digt en de informatie niet op andere wijze had kunnen worden achterhaald), het nieuws (altijd) kan worden gebracht in de vorm zoals door de journalist wordt bepaald en dus, als het om het medium televisie gaat, ook door (onbeperkte) uitzending van de gemaakte opnames.

3.5.3. Het hof deelt die zienswijze niet. Zoals uit het eer-deroverwogene blijkt kent het hof in de weging als beschreven in 3.1 betekenis toe aan de wijze waarop de informatie is ver-gaard. Het hof overweegt daartoe dat ook als bij het vergaren van informatie aan de beide door SBS en Endemol genoemde eisen is voldaan, dit nog niet betekent dat de verkregen informatie altijd mag worden gepubliceerd op de door de journalist voor-gestane wijze. Met betrekking tot de vraag of (en de wijze waarop) het verkregen beeld en geluid mag worden uitgezonden, heeft steeds de weging als bedoeld in 3.1 plaats te vinden. Het hof heeft dit een en ander in zijn hiervoor gegeven beoor-delingen betrokken.

3.6. Aan de stelling van SBS en Endemol dat door de reeds ge-publiceerde foto's (zie hierover 3.10) het gezicht van [ Geïn-timeerde ] al in zekere mate bij het publiek bekend was en dat om die reden openbaarmaking van de beelden minder ingrijpend zou zijn, kent het hof weinig waarde toe: het effect van waar-neming van enkele foto's is van een andere orde dan dat van het aanschouwen van een uitgebreid, minutenlang, op televisie in beeld gebrachte persoon.

3.7. Het hof verwerpt de stelling van SBS en Endemol dat de beelden nodig zijn voor het bewijs en dat het om die reden noodzakelijk is de beelden openbaar te maken. Overwegingen ten aanzien van bewijslevering kunnen aan de orde zijn in het ge-val [ Geïntimeerde ] de gedane mededelingen zou betwisten. Dit doet zich evenwel niet voor. Immers, gesteld noch gebleken is dat [ Geïntimeerde ] vooraf op de hoogte is gebracht van de (inhoud van de) uitzendingen en dat hij de juistheid van het-geen men naar buiten wilde brengen bestreed. Een argument voor openbaarmaking kan in de betrokken stelling daarom niet worden gevonden.

3.8.1. Grief 3 komt meer in het bijzonder nog op tegen het door de voorzieningenrechter gegeven algeheel verbod op het uitzenden van de opnamen. SBS en Endemol klagen dat de voor-zieningenrechter niet heeft gemotiveerd waarom beelden, waarop [ Geïntimeerde ] niet herkenbaar is, ook niet mogen worden uitgezonden.

3.8.2. Met betrekking tot de openbaarmaking van de beelden die zien op de relatie tussen [ Geïntimeerde ] en rechter [ rech-ter ] verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder ad. e werd overwogen. Met betrekking tot de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de tweede door SBS en Endemol voorziene uitzen-ding geldt het volgende. Tegen de achtergrond dat deze uitzen-ding, ondanks het door de voorzieningenrechter uitgesproken verbod, integraal, zonder beperking van de herkenbaarheid van [ Geïntimeerde ], inmiddels heeft plaatsgevonden, valt niet in te zien welk belang SBS en Endemol thans nog hebben bij een oordeel van het hof omtrent de toelaatbaarheid van deze uit-zending in een andere vorm, met gebruikmaking van beelden van [ Geïntimeerde ] waarop deze onherkenbaar of gedeeltelijk on-herkenbaar is gemaakt. Dat belang zou wel hebben bestaan wan-neer met de uitzending zou zijn gewacht, bijvoorbeeld tot een in turbo-appel gevraagd oordeel van het hof omtrent de juist-heid van de omvang van het door de voorzieningenrechter uitge-sproken verbod. Het belang zou ook hebben bestaan wanneer de uitzending met onherkenbaar (of grotendeels onherkenbaar) ge-maakte beelden van [ Geïntimeerde ] zou hebben plaatsgevonden (hetgeen, indien SBS en Endemol van oordeel waren dat die vorm van openbaarmaking was toegestaan, dan voor de hand had gele-gen). In dit laatste geval had het hof kunnen beoordelen of het verbod ook voor die gekozen vorm van openbaarmaking te-recht was opgelegd. Voor een zodanige aanpak is door SBS en Endemol evenwel niet gekozen. Ook dit deel van grief 4 treft derhalve geen doel.

3.9. Het vorenstaande leidt ertoe dat de grieven 2, 3 en 4 fa-len.

3.10. Grief 5 richt zich tegen het verbod van de voorzienin-genrechter portretten en enig andere beeld- en geluidsopnames van of over [ Geïntimeerde ], voor zover niet gemaakt in het kader van de gewone nieuwsgaring, zonder volledig onherkenbaar maken, uit te zenden of openbaar te maken. In het vonnis in reconventie van de voorzieningenrechter van 16 april 2010 heeft de voorzieningenrechter, onbestreden in hoger beroep, [ Geïntimeerde ] verboden het verbod onder 5.2 in het dictum van het vonnis van 9 april 2010 verder ten uitvoer te leggen voor wat betreft het gebruik van de twee portretten van [ Geïnti-meerde ] die voorafgaande aan het vonnis van 9 april 2010 op de website van het programma van De Vries en in de eerste uit-zending zijn vertoond. In zoverre hebben Endemol en SBS geen belang bij deze grief. Zij hebben daarnaast nog gewezen op an-der materiaal dat mogelijk onder het desbetreffende verbod kan vallen. Nu zij echter niet duidelijk hebben gemaakt welk - reeds bestaand (en daar ziet dit verbod op)- materiaal dit zou kunnen betreffen, ontbreekt het de grief ook overigens aan be-lang.

3.11. In grief 6 klagen SBS en Endemol over de formulering “anderszins openbaar te maken” in het dictum onder 5.1 en 5.2. Zij voeren aan dat het verbod dat de litigieuze beeld- en ge-luidsopnamen niet mogen worden uitgezonden of anderszins mogen worden openbaar gemaakt, ruimer is dan de voorzieningenrechter kennelijk heeft bedoeld. Bij hun klacht hebben SBS en Endemol onvoldoende belang omdat aan de hand van hetgeen in het vonnis is overwogen voldoende duidelijk is waarop de in dit vonnis uitgesproken veroordeling, versterkt met een dwangsom, betrek-king heeft. Dat in het vonnis van 16 april 2010 de jegens De Vries uitgesproken veroordeling (iets) anders luidt doet hier-aan niet af. Duidelijk is dat aan het verbod zoals dat is ge-geven in het vonnis van 9 april 2010 onder 5.1 dezelfde bete-kenis toekomt als aan het verbod zoals dat in het vonnis van 16 april 2010 onder 5.1 is geformuleerd.

3.12. Grief 7 heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat de grief geen aparte bespreking behoeft.

4. Beoordeling van het geschil in zaaknummer 200.066.095/01

4.1. Het tweede kort geding, waarin naast SBS en Endemol ook De Vries partij is, vindt, althans wat betreft het geschil in conventie (voor zover hier nog aan de orde), zijn reden in het feit dat, ondanks het in het vonnis van 9 april 2001 gegeven verbod, in de tweede uitzending, op 11 april 2010, uitgebreid gebruik is gemaakt van met de verborgen opnameapparatuur ver-kregen beelden en geluiden uit de gesprekken tussen [ Geïnti-meerde ] en [ X ]. De voorzieningenrechter heeft de ingestelde vorderingen opnieuw zelfstandig beoordeeld, van een eigen na-dere motivering voorzien en heeft, zoals eerder weergegeven, de dwangsom bepaald op € 500.000,- per overtreding.

4.2. Hetgeen SBS c.s. in deze zaak met hun grieven aanvoeren is reeds aan de orde gekomen bij de bespreking van grieven in de zaak 200.066.097/01. Het hof verwijst daarnaar. Uit de overwegingen blijkt dat de grieven niet kunnen leiden tot ver-nietiging van het bestreden vonnis.

5. Slotsom

5.1. Geen van de in de beide zaken aangevoerde grieven treft doel. De vonnissen waarvan beroep zullen daarom worden be-krachtigd.

5.2. In de beide zaken zullen de geïntimeerden (SBS en Ende-mol/De Vries) als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld, met dien verstande dat in de beide zaken het gehouden pleidooi op 1 punt zal worden gewaar-deerd.

6. Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.066.097/01:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt SBS en Endemol in de kosten van het geding in hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van [ Geïnti-meerde ] begroot op € 314,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris, op de voet van art. 243 (oud) Rv te betalen aan de griffier van dit hof;

in de zaak met zaaknummer 200.066.095/01:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt SBS c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van [ Geïntimeerde ] begroot op € 314,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris, op de voet van art. 243 (oud) Rv te betalen aan de griffier van dit hof.

in beide zaken:

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voor¬raad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.A. Goslings en M.M.M. Tillema en op 8 maart 2011 in het openbaar door de rol-raadsheer uitgesproken.