Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6965

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
21/004804-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van :in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004804-09

Uitspraak d.d.: 9 februari 2011

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

4 december 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1946],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 januari 2011 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr R. Zilver, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging door de rechtbank is gewijzigd, dat:

feit 1:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2001 tot en met 01 mei 2004 te 's-Hertogenbosch, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, en/of te Amersfoort en/of te Leusden, althans in het arrondissement Utrecht, althans elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Waz/premie ziekenfondsverzekering over het jaar 2000, althans een of meer andere aangiftetijdvak(ken), en/of een aangifte (voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Waz/premie ziekenfondsverzekering) over het jaar 2001, althans een of meer andere aangiftetijdvak(ken), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij (telkens) opzettelijk op het/de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Hertogenbosch ingeleverd(e) aangiftebiljet(ten)

- over het jaar 2000 in strijd met de waarheid vermeld dat het belastbare inkomen

Fl. 150.840,00 bedraagt (bijlage D36) en/of

- over het jaar 2001 in strijd met de waarheid vermeld dat zijn (totaal) aan salaris, loon en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (rubriek 5a) EUR 71.659,00 bedraagt (bijlage D36a), en/of over het jaar 2001 in strijd met de waarheid geen opbrengsten uit voerige werkzaamheden (rubriek 10a) aangegeven,

althans over genoemd(e) en/of een of meer andere aangiftetijdvak(ken) (telkens) een te laag belastbaar bedrag en/of een te laag bedrag aan salaris, loon en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking, althans (telkens) een te laag bedrag waarover belasting diende te worden geheven, opgegeven, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

feit 2:

hij op of omstreeks 26 februari 2001 en/of 27 maart 2001, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2001 tot en met 01 mei 2001, te Leusden, althans in het arrondissement Utrecht, althans elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) geschrift(en), te weten

- een factuur, welke blijkens het logo afkomstig was van "[bedrijf]", gevestigd te [vestigingsplaats], gedateerd op 26 februari 2001, en gericht aan [de Vennootschap], op welke factuur een factuurbedrag van (ongeveer) USD 631.697,55 was vermeld in verband met de 'Participation in the Antonov-project in accordance with agreement, and as approved' (bijlage D/1) en/of

- een factuur, welke blijkens het logo afkomstig was van "[bedrijf]", gevestigd te [vestigingsplaats], gedateerd 27 maart 2001, en gericht aan [de Vennootschap], op welke factuur een factuurbedrag van (ongeveer) USD 600.350,00 was vermeld in verband met de 'Participation in the Antonov-project in accordance with agreement, and as approved' (bijlage D/2),

dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig(e) feit(en) te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, hierin bestaande dat hij (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- heeft doen voorkomen dat voornoemde factu(u)r(en) afkomstig was/waren van en/of opgemaakt was/waren door "[bedrijf]", gevestigd te [vestigingsplaats], zulks terwijl voornoemde factu(u)r(en) in werkelijkheid afkomstig was/waren van en/of opgemaakt was/waren door verdachte,

met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De beslissingen inzake het bewijs en de motivering daarvan.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van de tenlastegelegde feiten wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze hieronder en later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Hiertoe wordt in het bijzonder het navolgende overwogen.

Ten aanzien van feit 1.

Op grond van het dossier blijken de volgende feiten en omstandigheden.i

Verdachte is eind 2000 als bemiddelaar betrokken geweest bij de verkoop van een vrachtvliegtuig, type Antonov. Dit vliegtuig werd geveild door veilinghuis [de Vennootschap]

Verdachte werd hiervoor benaderd door de directeur van dit veilinghuis, de heer [getuige]'ii [getuige] heeft hierover verklaard dat verdachte in het verleden regelmatig voor hem als juridisch adviseur en advocaat was opgetreden en dat hij verdachte voor de veiling van het vliegtuig had benaderd omdat hij zelf geen Russisch spreekt en omdat hij zelf niet juridisch was onderlegd. Volgens [getuige] heeft hij verdachte benaderd als privépersoon en waren er geen afspraken over betalingen gemaakt. [getuige] wist dat verdachte in verleden het Russische bedrijf '[bedrijf]' vertegenwoordigde.iii Verdachte heeft vervolgens als juridisch adviseur bemiddeld bij de veiling van dit vliegtuig. Het vliegtuig werd uiteindelijk op 4 december 2000 door [de Vennootschap] geveild.iv

Voor werkzaamheden van verdachte is één factuur opgemaakt door [bedrijf 2] waar verdachte van november 1999 tot april 2002 in dienst is geweest. Deze factuur is gedateerd 14 februari 2001 en is opgemaakt voor een bedrag van fl. 179.762,37, waarbij als omschrijving is opgegeven: `wegens verleende juridische bijstand inzake Antonov.v Verdachte heeft voorts een drietal andere facturen opgemaakt en ingediend bij [de Vennootschap]

Eén van de drie facturen, gedateerd 10 december 2000, is door verdachte opgemaakt en ingediend ten name van [bedrijf verdachte] - zijnde een handelsnaam van de eenmanszaak van verdachte - voor een bedrag van $ 240.000.vi

De twee andere facturen, respectievelijk gedateerd 26 februari 2001 en 27 maart 2001, zijn door verdachte opgemaakt en ingediend met als naamsvermelding de Russische onderneming `[bedrijf]' te [vestigingsplaats] voor een bedrag van respectievelijk $ 631.697,55 en $ 600.350,00.vii

[de Vennootschap] heeft deze door verdachte gefactureerde bedragen op het op de facturen vermelde rekeningnummer (door tussenkomst van de aan [de Vennootschap] gelieerde stichting, de stichting [naam stichting] ii) voldaan op een Belgische zichtrekening, [nummer ],ix welke op naam stond van de echtgenote van verdachtex en waartoe ook verdachte gerechtigd was.xi

Van deze ontvangen gelden heeft verdachte onder meer een woning in Amersfoort gekocht, verbouwd en ingericht, een woning waar hij thans nog woonachtig is en welke op naam van verdachte staat. Daarnaast heeft verdacht dit geld aangewend voor de aankoop van een woning in Frankrijk, een appartement in St. Petersburg (Rusland) op naam van zijn echtgenote, de aankoop van een auto, betalingen aan crediteuren in zijn faillissement en vakanties in Australië, India en Zuid-Afrika.xii

Uit de belastingaangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 2000 en 2001 blijkt dat verdachte deze bedragen, zoals gefactureerd bij de hiervoor genoemde facturen, niet heeft opgegeven als inkomsten die vallen onder de loonbelasting of anderszins als persoonlijk inkomen zijn genoten.xiii Verdachte heeft dit laatste ook niet ontkend.xiv

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht de feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft door hem ontvangen betalingen voor bemiddeling bij de verkoop van een vrachtvliegtuig, type Antonov laten storten op een Belgische bankrekening op naam van de echtgenote van verdachte en de advocaat-generaal heeft gesteld dat deze geldbedragen volledig zijn opgegaan aan privébestedingen van verdachte en van zijn echtgenote. Deze betalingen heeft verdachte welbewust niet op de betreffende belastingaangiftes vermeld.

Voorts acht de advocaat-generaal bewezen dat verdachte twee facturen welke blijkens het logo afkomstig waren van '[bedrijf]', gevestigd te [vestigingsplaats], valselijk heeft opgemaakt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat niet kan worden gesproken van door verdachte genoten inkomsten in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, omdat verdachte de bedragen niet voor zichzelf maar voor zijn Russische zakenpartner [Russische zakenpartner] met het oog op het doen van investeringen ten behoeve van [Russische zakenpartner] heeft ontvangen. Verdachte hoefde daarvan dan ook geen aangifte te doen. De raadsman van verdachte heeft om die reden primair vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen omdat het bestanddeel 'opzettelijk' niet bewezen kan worden wegens afwezigheid van alle schuld. Gelet op de met [Russische zakenpartner] gemaakte afspraken ging verdachte er volgens de raadsman van uit - en mocht hij er ook van uitgaan - dat hij juist handelde door de ontvangen bedragen niet in zijn aangiften te vermelden.

De beoordeling

In beschouwing nemend de hiervoor weergegeven onbetwiste feiten en omstandigheden acht het hof het standpunt van de verdediging dat de gelden niet verdachte toekwamen maar een Russische zakenpartner genaamd [Russische zakenpartner] en dat verdachte optrad als investeerder voor deze [Russische zakenpartner], niet geloofwaardig. Verdachte kan met betrekking tot dit standpunt geen enkele op schrift gestelde onderbouwing tonen, behalve een schriftelijke verklaring van [Russische zakenpartner] van 19 februari 2010 waarin deze [Russische zakenpartner] verklaart dat verdachte inderdaad voor hem de gelden mocht beheren. [Russische zakenpartner] verklaart voorts dat omdat alles in onderling vertrouwen ging deze afspraak niet schriftelijk is gedocumenteerd.

Het Hof hecht niet die waarde aan deze verklaring die verdachte blijkbaar aan deze verklaring gehecht wil zien. In verdachtes lezing zou hij een bedrag van meer dan

1,2 miljoen dollar gaan beheren. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat er tussen hem en [Russische zakenpartner] niets is vastgelegd met betrekking tot de investeringen van dit bedrag. Verdachte beschikt niet over enige correspondentie tussen hem en [Russische zakenpartner] hieromtrent. Verdachte kan niet aangeven welke vergoeding hij voor het beheer van de gelden zou ontvangen. Voorts verklaart verdachte dat er tussen hem en [Russische zakenpartner] niet is gesproken over het rendement dat verdachte met het beheer van de gelden zou ontvangen.xv

Het komt het hof zeer onwaarschijnlijk voor dat iemand voor privé doeleinden vrijelijk mag beschikken over zulke grote geldbedragen, zonder dat hierover schriftelijk afspraken worden gemaakt met betrekking tot bijvoorbeeld rente, aflossing en zekerheden. Daarnaast zijn door verdachte gedane uitgaven voor een groot gedeelte ook zuivere privé-uitgaven die op geen enkele manier als investering kunnen worden bestempeld. Deze bedragen zouden in ieder geval in de aangiften dienen te worden opgegeven omdat voor dat deel de ontvangen gelden als inkomsten - als bedoeld in rubriek 10a van de aangifte Inkomstenbelasting... - dienen te worden aangemerkt.

Voor zover verdachte stelt dat het bestanddeel 'opzettelijk' niet bewezen kan worden wegens afwezigheid van alle schuld in de vorm van verontschuldigbare dwaling, wordt dit verweer verworpen. Op grond van functie, maatschappelijke status, beroep of rol in het maatschappelijke en sociale leven worden in het strafrecht ten aanzien van sommige personen verhoudingsgewijs hogere eisen gesteld dan aan anderen in vergelijkbare omstandigheden. De bijzondere 'hoedanigheid' of 'kwaliteit' rechtvaardigt in die gedachtegang een hogere standaard van verantwoordelijkheid in rechte. Verdachte is als voormalig advocaat voldoende (juridisch) geschoold om niet aannemelijk te doen zijn dat hij in deze verontschuldigbaar gedwaald zou hebben.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hijzelf de twee facturen, gedateerd 26 februari 2001 en 27 maart 2001, door verdachte ingediend bij [de Vennootschap], ingediend ten name van de Russische onderneming `[bedrijf]' te vestigingsplaats] voor een bedrag van respectievelijk $ 631.697,55 en $ 600.350,00xvi heeft opgemaakt - ook qua lay-out - en die heeft ingediend bij [de Vennootschap] Hiermee is komen vast te staan dat verdachte de betreffende facturen valselijk heeft opgemaakt. De valsheid zit hem reeds in het feit dat wordt voorgewend dat de facturen van een ander afkomstig zijn, namelijk van het bedrijf [bedrijf] in plaats van verdachte, en in het feit van de gefingeerde plaatsnaam [vestigingsplaats] (Rusland)) waar de facturen zouden zijn opgesteld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

feit 1:

hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 april 2001 tot en met 01 mei 2004 te 's-Hertogenbosch, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, en/of te Amersfoort en/of te Leusden, althans in het arrondissement Utrecht, althans elders in Nederland, meermalen,

opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Waz/premie ziekenfondsverzekering over het jaar 2000, en een aangifte (voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen/premie Waz/premie ziekenfondsverzekering) over het jaar 2001, onjuist en onvolledig heeft gedaan,

immers heeft hij telkens opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te 's-Hertogenbosch ingeleverde aangiftebiljetten

- over het jaar 2000 in strijd met de waarheid vermeld dat het belastbare inkomen Fl. 150.840,00 bedraagt en

- over het jaar 2001 in strijd met de waarheid vermeld dat zijn totaal aan salaris, loon en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking (rubriek 5a) EUR 71.659,00 bedraagt en over het jaar 2001 in strijd met de waarheid geen opbrengsten uit overige werkzaamheden (rubriek 10a) aangegeven,

terwijl die feiten telkens ertoe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven;

feit 2:

hij op of omstreeks 26 februari 2001 en 27 maart 2001 te Leusden, althans in het arrondissement Utrecht, althans elders in Nederland, geschriften, te weten

- een factuur, welke blijkens het logo afkomstig was van "[bedrijf]", gevestigd te [vestigingsplaats], gedateerd op 26 februari 2001, en gericht aan [de Vennootschap], op welke factuur een factuurbedrag van (ongeveer) USD 631.697,55 was vermeld in verband met de 'Participation in the Antonov-project in accordance with agreement, and as approved' en

- een factuur, welke blijkens het logo afkomstig was van "[bedrijf]", gevestigd te [vestigingsplaats], gedateerd 27 maart 2001, en gericht aan [de Vennootschap], op welke factuur een factuurbedrag van (ongeveer) USD 600.350,00 was vermeld in verband met de 'Participation in the Antonov-project in accordance with agreement, and as approved'

die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, hierin bestaande dat hij telkens opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- heeft doen voorkomen dat voornoemde facturen afkomstig waren van en opgemaakt waren door "[bedrijf]", gevestigd te [vestigingsplaats], zulks terwijl voornoemde facturen in werkelijkheid afkomstig waren van en opgemaakt was/waren door verdachte,

met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,

meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Valsheid in geschrift,

meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 20 november 2009 heeft de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren gevorderd.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 4 december 2009 ten aanzien van de feiten 1 en 2 een straf opgelegd van twaalf maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de ouderdom van de feiten en het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.

De advocaat-generaal heeft tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren gevorderd.

Bij het bepalen van de strafsoort en -hoogte zijn de strafdoeleinden (vergelding, speciale en generale preventie) bepalend.

Voor de vergelding is de ernst van het bewezenverklaarde (zoals onder meer tot uiting komend in de gevolgen) van belang, maar ook zijn de (negatieve) gevolgen relevant die het strafbare feit voor de verdachte heeft gehad of zal hebben.

Vanuit het oogpunt van de speciale preventie speelt de persoon van de verdachte een rol, de vraag of hij eerder is veroordeeld, maar ook de gevolgen die het strafbare feit voor hem heeft gehad of zal hebben.

Bij de generale preventie spelen motieven (zoals financiële belangen) die tot het delict hebben geleid een rol.

Ernst van het bewezenverklaarde en de (mogelijke) gevolgen ervan

Vast staat dat verdachte meer malen een onjuiste aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan. Volgens het onderzoek van de FIOD-ECD bedraagt het nadeel over de jaren 2000 en 2001 in totaal € 1.109.575,-.

Het betreft een ernstig feit waarmee de Staat der Nederlanden voor een fors bedrag is benadeeld. Verdachte heeft zich verrijkt met geld dat gedeeltelijk toekwam aan de Nederlandse staat. Dergelijk gedrag kan leiden tot een aantasting van de belastingmoraal en tot gevoelens van onrechtvaardigheid bij diegenen die wel hun belastingverplichtingen nakomen. Aantasting van de belastingmoraal kan er bovendien toe leiden dat meer mensen niet aan hun belastingverplichtingen voldoen en/of meer (met belastinggeld gefinancierde) controle noodzakelijk is.

Daarnaast heeft verdachte twee facturen valselijk opgemaakt. Verdachte heeft hierdoor het vertrouwen dat in het handelsverkeer aan facturen gesteld mogen worden geschaad.

De persoon van de verdachte

Verdachte is in het verleden onherroepelijk veroordeeld voor een vermogensdelict.

Verdachte is door de fiscus met betrekking tot het niet juist doen van de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2000 en 2001 fors aangeslagen. Ter terechtzitting heeft verdachte een concept vaststellingsovereenkomst overgelegd, waarin melding wordt gemaakt van betaling door verdachte van een bedrag van € 500.000,-.

Oordeel hof

Bij de strafoplegging dient gelet te worden op de strafdoeleinden. Het gaat daarbij om de vergelding van het bewezenverklaarde en de generale en speciale preventie. Door oplegging van de straf dient een bijdrage te worden geleverd aan het voorkomen van nieuwe gevallen van belastingontduiking en dient een (verdere) aantasting van de belastingmoraal te worden tegengegaan.

Verdachte had als voormalig advocaat het juridisch laakbare van zijn gedrag behoren in te zien en bovendien moet aannemelijk worden geacht dat hij op de hoogte was van de consequenties die dit handelen zou kunnen hebben. Dit heeft hem er niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het hof rekent verdachte daarbij mede aan dat in de administratie van verdachte een door hem op 18 januari 2004xvii opgemaakte, weliswaar nog niet gebruikte, 'Agreement of Finances'xviii is aangetroffen, welke geantedateerd is op 20 oktober 2000 en blijkbaar diende om achteraf de afspraken met [Russische zakenpartner] alsnog schriftelijk te kunnen aantonen.

Bij de straftoemeting in fraudezaken wordt aansluiting gezocht bij de door het hof ontwikkelde uitgangspunten, waarbij (dus als uitgangspunt) geldt dat gelet op de hoogte van het nadeelbedrag in deze zaak in beginsel een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden zou zijn.

Ten voordele van verdachte houdt het hof rekening met het feit dat verdachte, in tegenstelling tot zijn houding bij de rechtbank, thans inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen en in dit kader met de fiscus tot een vaststellingsovereenkomst probeert te komen. Daarnaast wordt rekening gehouden met de ouderdom van de feiten.

Het hof is tevens van oordeel dat uit oogpunt van speciale preventie een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is om verdachte in de toekomst er van te weerhouden wederom de fout in te gaan.

Gelet op het bovenstaande is een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk passend en geboden. Deze straf is hoger dan door de rechtbank is opgelegd, gelet op het hier vorenomschreven uitgangspunt in soortgelijke zaken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr R. de Groot, voorzitter,

mr J.A. Coster van Voorhout en mr M.J. Stolwerk, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 9 februari 2011 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr J.A. Coster van Voorhout en mr M.J. Stolwerk zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

i Tenzij anders aangeduid, hebben verwijzingen in het navolgende betrekking bijlagen behorende bij het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 33115 van FIOD-ECD van 17 mei 2006, alsmede de daarbij behorende deeldossiers en bijlagen in de vorm van processen-verbaal en overige bescheiden.

ii Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011.

iii Verklaring van getuige, afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011.

iv Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011.

v Bijlage D3a bij voornoemd proces-verbaal.

vi Bijlage D4 bij voornoemd proces-verbaal.

vii Respectievelijk bijlage D1 en D2 bij voornoemd proces-verbaal.

viii Bijlage D11 en D12 bij voornoemd proces-verbaal.

ix Verklaring van geetuige, afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011.

x Bijlage D12a bij voornoemd proces-verbaal.

xi Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011.

xii Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011, alsmede ten aanzien van

- de aankoop van de woning in Amersfoort: bijlagen D17, D18, D20, D22 en D24 van voornoemd proces-verbaal,

- de aankoop van de woning in Frankrijk: bijlagen D26 en D27 van voornoemd proces-verbaal,

de aankoop van het appartement te St. Petersburg: bijlage D37 van voornoemd proces-verbaal, alsmede het relaas van de verbalisant in het stamproces-verbaal, blz. 20

- de overige bestedingen: bijlagen D39 tot en met D41 van het proces-verbaal en de verklaring van verdachte van 30 mei 2005, bijlage V1-1 van voornoemd proces-verbaal.

xiii Bijlagen D36 en D36a van voornoemd proces-verbaal en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2011.

xiv Verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2011.

xv Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2011

xvi Respectievelijk bijlage D1 en D2 bij voornoemd proces-verbaal.

xvii Bijlage D16a bij voornoemd proces-verbaal.

xviii Bijlage D16 bij voornoemd proces-verbaal.