Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
02-03-2011
Zaaknummer
09-00704
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft belasting betaald naar het bestelautotarief.

Vaststaat dat het motorrijtuig met een dubbele cabine op de openbare weg is aangetroffen, voorzien van een – gemakkelijk te verwijderen – kunststof overkapping over de laadbak. Vaststaat dat de interne hoogte van de laadruimte slechts 106 cm bedroeg.

Het Hof is van oordeel dat door het aanbrengen van de overkapping een dichte laadruimte isontstaan die - ook qua uiterlijk - niet meer te vergelijken is met een open laadbak. Het Hof concludeert dat het motorrijtuig niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, aanhef en onder 1º van de Wet MRB gestelde eis dat de laadruimte een hoogte heeft van ten minste 130 cm.

Aan jurisprudentie en de Leidraad BPM is geen vertrouwen te ontlenen dat het motorrijtuig onder de geschetste omstandigheden als een bestelauto dient te worden aangemerkt.

Het Hof is van oordeel dat de boete niet in strijd is met enige wettelijke bepaling dan wel beginsel van behoorlijk bestuur. De ingewikkeldheid van regelgeving vormt geen reden om de boete te matigen. Ook overigens acht het Hof de boete passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67c
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 3
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 24b
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 33
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-0571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P09/00704

17 februari 2011

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. J.L. Oudshoorn (De Vink Oudshoorn Douma Advocaten),

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/6899 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie/Apeldoorn,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 30 juni 2008 aan belanghebbende over het tijdvak 23 maart 2007 tot en met 22 maart 2008 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.933, alsmede een boete van € 1.933. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend. Bij uitspraak van 12 september 2008 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 11 september 2009 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is per fax bij het Hof ingekomen op 22 oktober 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2010, alwaar gezeten was mr. B.A. van Brummelen, lid van de veertiende enkelvoudige belastingkamer. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat door het Hof bij brief van 2 juli 2010 aan partijen is gezonden. In het proces-verbaal is vermeld dat geconstateerd is dat belanghebbende noch zijn gemachtigde zijn verschenen, dat het onderzoek is geschorst en dat aan partijen een uitnodiging voor een nieuwe mondelinge behandeling zou worden gezonden. De enkelvoudige kamer heeft de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 17 december 2010 en bij fax van 5 januari 2011 nadere stukken ingediend. Afschriften hiervan zijn gezonden aan de inspecteur.

1.6. Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2011. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is volgens de kentekenregistratie met ingang van 21 februari 2004 houder van een G.M.C. Sierra met het kenteken 00-00-00 (hierna: het motorrijtuig). Belanghebbende is ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 en hij gebruikt het motorrijtuig meer dan bijkomstig voor zijn onderneming. Belanghebbende voldeed de motorrijtuigenbelasting op aangifte volgens het tarief van artikel 24b van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB), het tarief voor bestelauto’s.

2.2. Tot de stukken behoort een aanvraag kentekenbewijs waaruit blijkt dat tijdens de keuring van het motorrijtuig door de RDW op 23 maart 2000 de laadruimte voldeed aan de “fiscale maten 150 x 130 cm”, zodat het motorrijtuig in die zin voldeed aan de eisen welke aan het bestelautotarief worden gesteld. De datum van kentekenbewijs I is 23 maart 2000. In het kentekenregister staat het motorrijtuig geregistreerd als bestelauto.

2.3. Bij een controle door de belastingdienst op 8 januari 2008 is het motorrijtuig rijdend aangetroffen op de A-straat te P.

In de ‘Melding Visuele controle/Fysieke controle’ is onder ‘Bijzonderheden’ vermeld:

“Dubbele cabine, de auto is gekeurd als open wagen. Nu is deze voorzien van een overkapping, vermoedelijk lager dan 130 cm. Onderzoek maken.”

2.4. Naar aanleiding van voormelde controle is op 7 maart 2008 een onderzoek ingesteld naar de inrichting van het motorrijtuig. In het op 21 april 2008 opgestelde ‘Rapport motorrijtuigenbelasting inzake onderzoek inrichtingseisen bestelauto open laadbak met dubbele cabine’ is onder meer het volgende vermeld:

“Relaas:

Als laadbak is overkapt, dan is sprake van een gesloten bestelauto

met dubbele cabine (…)

(…)

Ombouwdatum: zo gekocht (…)

Bijzonderheden: Over de laadruimte is een kap aangebracht met een binnenmaat van 106 cm. Deze kap is met vier vleugelmoeren op de carosserie vastgezet en met een eenvoudige handeling weer te verwijderen. Volgens betrokkene en zijn dealer spreek je hier van lading. Daarom heeft betrokkene de auto toen gekocht.

Voor wat de inrichting betreft is betrokkene in de veronderstelling geweest dat met een eenvoudig te verwijderen kap dat zo mocht.”

2.5. Tot de stukken behoren fotokopieën van foto’s van het motorrijtuig waarop zichtbaar is dat het motorrijtuig is voorzien van een overkapping, bevestigd met vleugelmoeren.

2.6. De in het geding zijnde naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van de conclusies uit het onder 2.4 vermelde onderzoek. De naheffingsaanslag is berekend op het verschil tussen het tarief voor personenauto’s en dat voor bestelauto’s.

De boete is opgelegd op grond van artikel 37 van de Wet MRB jo artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

2.7. Tot de stukken behoort een verklaring, gedagtekend 27-12-2010, van B (hierna: B), van 01-01-1984 tot en met 01-01-2006 werkzaam als technisch ambtenaar met als laatste werklocatie Waddinxveen. In deze verklaring is onder meer het volgende opgenomen:

“Indien een bedrijfswagen met een open laadbak was voorzien van een polyester overkapping en de overkapping was eenvoudig en zonder tussenkomst van gereedschap te verwijderen, dan werd het voertuig beoordeeld als zonder deze overkapping.”

2.8. Tot de stukken behoort voorts een verklaring van C van C Import B.V. te […], inzake het motorrijtuig van een derde, in welke verklaring het volgende is opgenomen:

“De montage van deze overkapping is in overeenstemming met de richtlijnen die de RDW stelt aan het overkappen van een laadruimte waarbij het oorspronkelijke karakter van het betreffende voertuig, zijnde een truck met open laadruimte, behouden blijft. Voor de overkapping betekent dit, dat deze op eenvoudige wijze, zonder tussenkomst van gereedschap te verwijderen moet zijn.

2.9. Tot de stukken behoort een deel van de “BPM instructie” waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Overkappen laadruimte

Indien een open laadbak wordt voorzien van een overkapping, ook indien dit een huif betreft, dan wordt het voertuig fiscaal aangemerkt als een gesloten voertuig.”

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard, waarbij zij, voor zover hier van belang, heeft overwogen:

“8. De rechtbank stelt vast dat tijdens de keuring van het motorrijtuig door de RDW op 23 maart 2000 de laadruimte op dat moment voldeed aan bovenstaande fiscale maten, zodat het motorrijtuig in die zin voldeed aan de eisen welke aan het bestelautotarief worden gesteld.

Nog afgezien van de vraag of eiser (Hof: belanghebbende) als tweede houder van het motorrijtuig daaraan vertrouwen mag ontlenen, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het motorrijtuig toentertijd met de thans gecontroleerde “hardtop”- overkapping ter keuring is aangeboden. Anders dan eiser meent gaat het hierbij niet alleen om de vraag of een overkapping gemakkelijk en zonder gereedschap is te verwijderen, maar blijkens onderdeel C van § 3.3.7. van de Leidraad BPM dient de vraag of er sprake is van een gesloten of van een open laadruimte ook te worden beoordeeld aan de hand van de aard van de constructie (eenvoudige buizen huifconstructie) en het materiaal waarvan de overkapping is vervaardigd (zeildoek). Nu het motorrijtuig ten tijde van de controle op 8 januari 2008 was voorzien van een “hardtop” overkapping kan niet worden gezegd dat hier sprake is van eenvoudige buizen huifconstructie van zeildoek als bedoeld in de Leidraad. Het door eiser gedane beroep op de brief van het Ministerie van Financiën van 17 november 2006 faalt, omdat anders dan hier het geval is, in die zaak wel aannemelijk was geworden dat bij de registratie van het motorrijtuig door de RDW een foute indeling was gemaakt.

9. Voorts heeft verweerder (Hof: de inspecteur) terecht gesteld dat de motorrijtuigenbelasting een aangiftebelasting is en dat eiser als houder verantwoordelijk is voor het doen van een juiste aangifte. Eiser had zichzelf na of vóór de aanschaf in 2004 ervan moeten vergewissen dat het motorrijtuig aan de fiscale inrichtingseisen voldeed om in aanmerking te komen voor het lage bestelautotarief voor ondernemers. Aan hetgeen onbevoegde derden, zoals de verkopende garage, hebben gezegd, kan eiser niet het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat het motorrijtuig aan de inrichtingseisen voor een bestelauto voldeed.

10. In hoeverre aan eiser een hersteltermijn had moet worden geboden alvorens een naheffingsaanslag op te leggen, berust dit op een discretionaire bevoegdheid van verweerder. In § 2.2.4. van de Leidraad BPM onder B is uitdrukkelijk aangegeven dat geen herstel wordt geboden en steeds wordt nageheven indien de laadruimte niet aan de fiscale maten voldoet. Een dergelijk oordeel is aan de toets van de rechter in belastingzaken onttrokken.

11. In artikel 37 van de Wet MRB is onder meer bepaald, dat in het geval, zoals bedoeld in artikel 33, artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing is. Artikel 67c voormeld houdt in dat sprake is van een verzuim indien de belastingplichtige de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet (tijdig) heeft betaald. Ter zake van dit verzuim kan de inspecteur een boete van ten hoogste € 4.537 opleggen. In § 34, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 is bepaald dat de verzuimboete maximaal 100 procent bedraagt van het bedrag aan belasting dat niet of gedeeltelijk niet is betaald.

12. Gezien de omstandigheden van het geval - eiser heeft het motorrijtuig als personenauto gebruikt, terwijl hij had moeten weten, dat de daarvoor verschuldigde motorrijtuigen-belasting niet was betaald - heeft verweerder de boete met inachtneming van de onder 11 vermelde wettelijke bepalingen terecht op 100 procent van de nageheven belasting gesteld. Eiser heeft geen omstandigheden gesteld - en de rechtbank is daarvan ook overigens niet gebleken - op grond waarvan de boete op een te hoog bedrag is berekend. De enkele stelling dat eiser niet op de hoogte was van de inrichtingseisen treft geen doel, omdat eiser zich van deze eisen op de hoogte had moeten laten stellen. De rechtbank acht de boete dan ook passend en geboden.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onderdeel d, aanhef en onder 1º van de Wet MRB geldt het volgende:

“1. In deze wet (…) wordt onder personenauto mede verstaan (…) zulks met uitzondering van een motorrijtuig met een laadruimte die in haar geheel is voorzien van een vlakke laadvloer en die:

(…)

d. ingeval het motorrijtuig een dubbele cabine heeft (…);

1º. over ten minste 150 cm van de lengte en over ten minste 20 cm van de breedte een hoogte heeft van ten minste 130 cm.”

6.2. Vaststaat dat het motorrijtuig met een dubbele cabine op 8 januari 2008 op de openbare weg is aangetroffen, voorzien van een kunststof overkapping over de laadbak. Tussen partijen is niet in geschil dat de overkapping eenvoudig verwijderbaar was. Vaststaat dat de interne hoogte van de laadruimte slechts 106 cm bedroeg.

6.3. Belanghebbende stelt dat de aangebrachte overkapping niet meebrengt dat niet is voldaan aan de in artikel 3 van de Wet MRB gestelde eisen. Belanghebbende verwijst naar een arrest van de Hoge Raad (10 september 1997, nr. 32 603, BNB 1997/354) inzake een motorrijtuig met een dubbele cabine voorzien van een eenvoudige overkapping (huif) van speciaal vervaardigd zeildoek over de laadbak. De Hoge Raad bevestigt in dit arrest dat niet kan worden geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat met het aanbrengen van een huif als de onderhavige het motorrijtuig niet meer is voorzien van een open laadbak. Het Hof is van oordeel dat de vergelijking met deze zaak faalt, reeds omdat in casu de overkapping is vervaardigd van harde kunststof en daarmee een geheel ander karakter heeft dan een overkapping van zeildoek. De uitvoering van de onderhavige overkapping strekt verder dan enkel bescherming van de lading. Door het aanbrengen van de overkapping is een dichte laadruimte ontstaan die - ook qua uiterlijk - niet meer te vergelijken is met een open laadbak. Het Hof concludeert dat het motorrijtuig niet voldoet aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, aanhef en onder 1º van de Wet MRB gestelde eis dat de laadruimte een hoogte heeft van ten minste 130 cm.

6.4. Indien en voor zover belanghebbende in dit verband een beroep doet op de tekst van de Leidraad BPM 2006 (besluit van 12 september 2006, CPP2006/1980M, hierna de Leidraad) geldt het volgende. In de Leidraad is onder meer het volgende opgenomen:

Ҥ 3.3.7. Overkappen open laadbak

A. Algemeen

Als bij bestelauto's van het type pick-up (...) de open laadbak wordt overkapt, kan dat consequenties hebben voor de heffing van de BPM. In dat geval ontstaat immers een gesloten laadruimte waarop de inrichtingseisen met betrekking tot de afmetingen van die laadruimte en de eventuele aanwezigheid van zijruiten wél van toepassing zijn. (…)

C. Geen overkapping

Van overkapping zoals hiervoor bedoeld is overigens geen sprake als de open laadbak van een pick-up wordt afgedekt met een dekzeil of een plat (polyester) deksel, dat louter dient ter bescherming van de lading en/of de laadbak, op zodanige wijze dat er sprake blijft van een motorrijtuig met open laadbak. Of er sprake is van een gesloten of van een open laadruimte kan worden beoordeeld aan de hand van de aard van de constructie (eenvoudige buizen huifconstructie) en het materiaal waarvan de overkapping is vervaardigd (zeildoek). Steeds zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of er door het aanbrengen van de overkapping een dichte laadruimte is ontstaan dan wet gelet op de eenvoudige, gemakkelijk te verwijderen constructie en het materiaal daar geen sprake van is.”

Naar ’s Hofs oordeel kan belanghebbende uit de Leidraad redelijkerwijs niet afleiden dat ingeval een kap als de onderhavige wordt aangebracht sprake blijft van een motorrijtuig met open laadbak. De toelichting in de Leidraad is geheel in overeenstemming met de jurisprudentie, zoals vermeld onder 6.3. Aan de Leidraad kan niet het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat met het aanbrengen van de onderhavige overkapping nog steeds sprake is van een motorrijtuig met open laadbak. Ook in zoverre faalt het beroep van belanghebbende.

6.5. Belanghebbende doet voorts een beroep op het herstelbeleid als verwoord in de Leidraad. In de Leidraad is hierover voor zover hier van belang het volgende opgenomen:

“ § 2.4.2. (…)

B. Geen herstelmogelijkheid

Voor bepaalde afwijkingen van de inrichtingseisen voor bestelauto’s wordt geen herstel geboden. Als één of meer van de hierna te noemen afwijkingen van de inrichtingseisen worden geconstateerd moet steeds worden nageheven.

a. De laadruimte voldoet niet aan de fiscale maten.”

De laadruimte met de overkapping heeft in casu een hoogte van 106 cm en voldoet derhalve niet aan de in artikel 3, eerste lid, onderdeel d, onder 1º van de Wet MRB gestelde hoogte-eis van ten minste 130 cm. Het bepaalde in § 2.4.2 van de Leidraad staat er dan aan in de weg dat belanghebbende een beroep kan doen op het daarin opgenomen herstelbeleid.

6.6. Belanghebbende stelt dat door de RDW het beleid wordt gevoerd dat ingeval een bedrijfswagen met een open laadbak wordt voorzien van een overkapping als de onderhavige (een polyester overkapping) het motorrijtuig wordt beoordeeld “als zonder deze overkapping”, indien – zoals in casu het geval is – de kap eenvoudig en zonder gebruik van gereedschap kan worden verwijderd. Belanghebbende heeft in dit verband de twee onder 2.7. en 2.8. vermelde verklaringen van B en C overgelegd. Hij acht de inspecteur aan dit beleid gebonden.

6.7. Nog daargelaten wat er zij van de gevolgen van deze stelling omdat belanghebbende het motorrijtuig tweedehands heeft gekocht en niet weet in welke staat het motorrijtuig is gekeurd, geldt het volgende. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende de stelling inzake het beleid van de RDW, tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur, niet althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof overweegt in dit verband dat B ter zitting desgevraagd heeft erkend dat hij de instructie BPM niet kent, dat hij nooit heeft gekeurd in Nieuwegein, dat hij nooit een motorrijtuig met een kap als de onderhavige heeft gekeurd en dat de inspecteur heeft verklaard dat de RDW met grote regelmaat wordt voorgelicht over de fiscale eisen die worden gesteld aan bestelauto’s, onder meer door middel van het verstrekken van een “Instructie BPM”. De verklaring van C doet daar, nog daargelaten dat deze verklaring op een andere belanghebbende ziet, gelet op het vorenoverwogene niet aan af.

6.8. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de boete niet terecht is opgelegd. Dienaangaande geldt dat sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. De inspecteur heeft de boete, met in achtneming van § 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, vastgesteld op het belopen bedrag. Belanghebbende stelt dat sprake is van een onderwerp dat voor een leek niet meer te begrijpen is. De ingewikkeldheid van regelgeving vormt echter geen reden om de boete te matigen. Er is ook geen sprake van foutieve inlichtingen door de RDW verstrekt. Het Hof is van oordeel dat de boete niet in strijd is met enige wettelijke bepaling dan wel beginsel van behoorlijk bestuur. Ook overigens acht het Hof de boete passend en geboden.

Slotsom

6.9. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M Vrouwenvelder en A.P.M. van Rijn, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 17 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.