Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5586

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
200.080.882/01 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak Ondernemingskamer d.d. 11 februari 2011 inzake: Downwood & Greatings BV / Reason Why BV

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 346
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2011/220
ARO 2011/35
JRV 2011, 238

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

BESCHIKKING in de zaak met nummer 200.080.882/01 OK van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOWNWOOD & GREATINGS B.V.,

gevestigd te Blaricum,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAMPTONS HOLDING B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKSTERS,

advocaat: mr. P.J. Fresacher, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

REASON WHY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. A. Steinz, kantoorhoudende te Laren,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOMEL HOLDING B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOUWMAN & PARQUI B.V.,

gevestigd te Raamsdonksveer,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOUDSTERMAATSCHAPPIJ TEIJLINGERHORST B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

advocaat: mr. D.A. Molier, kantoorhoudende te Zaltbommel,

VERWEERSTERS,

e n t e g e n

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SECOND OPINION HOLDING B.V.,

gevestigd te Bussum,

2. Franciscus Hendrik Hendrikus MOL,

wonend te Houten,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. M. Bödicker, kantoorhoudende te Utrecht.

1. Het verloop van het geding

1.1 Verzoeksters worden hierna afzonderlijk aangeduid als Downwood & Greatings en Hamptons en gezamenlijk als Downwood & Greatings c.s. Verweersters worden hierna respectievelijk Reason Why, Homel, Louwman & Parqui en Teijlingerhorst genoemd. Belanghebbenden worden aangeduid als Second Opinion en Mol.

1.2 Bij verzoekschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 21 januari 2011, hebben Downwood & Greatings c.s. en Mol de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven en naar de Ondernemingskamer verstaat – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,

1) een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Reason Why en/of Homel en/of Louwman & Parqui en/of Teijlingerhorst over de periode vanaf 19 juni 2001;

2) de te benoemen onderzoeker(s) te machtigen tot het raadplegen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Reason Why, Homel, Louwman & Parqui, Teijlingerhorst en (andere) vennootschappen behorende tot het Louwman concern en tot het betreden van de plaats waar deze zich bevinden;

3) na kennisneming van het verslag te beslissen dat de kosten van het onderzoek geheel of gedeeltelijk door Reason Why kunnen worden verhaald op Homel en/of Louwman & Parqui en/of Teijlingerhorst;

4) bij wijze van onmiddellijke voorzieningen, (vooralsnog) voor de duur van het geding, Reason Why te (doen) brengen en houden in een feitelijke en/of financiële situatie als ware de samenwerkingsovereenkomst tussen Louwman & Parqui en Reason Why niet opgezegd, althans Reason Why zodanige voorzieningen en middelen te doen laten toekomen dat de feitelijke liquidatie van Reason Why kan worden voorkomen, door schorsing en ongedaanmaking van (de gevolgen van) alle besluiten van het bestuur van Louwman & Parqui en/of Homel en/of Teijlingerhorst die tot de huidige situatie van Reason Why hebben geleid, althans zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;

met veroordeling van verweersters in de kosten van het geding.

1.3 Bij brief van 26 januari 2011 heeft de griffier van de Ondernemingskamer aan (de advocaten van) partijen bericht dat ter terechtzitting van 3 februari 2011 uitsluitend het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal worden behandeld.

1.4 Reason Why heeft zich bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 1 februari 2011, ten aanzien van het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover dit haar raakt gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer en zich geschaard achter het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover dit is gericht tegen Homel, Louwman & Parqui en Teijlingerhorst, kosten rechtens.

1.5 Homel, Louwman & Parqui en Teijlingerhorst hebben bij verweerschrift met producties, tevens houdende een zelfstandig (tegen)verzoek, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 1 februari 2011, de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven –

1) Downwood & Greatings c.s. en Mol niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, althans dit verzoek af te wijzen;

2) een onderzoek te bevelen naar het beleid en gang van zaken van Reason Why vanaf 2007;

3) bij wijze van onmiddellijke voorzieningen (vooralsnog) voor de duur van het geding:

a. A.P. Daalder en TGV Holding B.V. te schorsen als bestuurder van Reason Why;

b. een tijdelijke bestuurder bij Reason Why te benoemen;

c. het stemrecht op alle aandelen in Reason Why te schorsen;

d. althans zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;

met veroordeling van Reason Why in de kosten van het geding.

1.6 Bij brief, ingekomen ter griffie van de Ondernemingskamer op 1 februari 2011, heeft mr. Fresacher te kennen gegeven dat Mol niet langer wenst op te treden als mede-verzoeker en de verzoeken niet langer handhaaft.

1.7 Het verzoek van Downwood & Greatings c.s. en het (tegen)verzoek van Homel, Louwman & Parqui en Teijlingerhorst, beide voor zover strekkende tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 3 februari 2011, alwaar mr. Fresacher, mr. Steinz, mr. Molier en mr. Bödicker de standpunten van de door hen gerepresenteerde partijen (nader) hebben toegelicht, wat mr. Fresacher, mr. Steinz en mr. Molier betreft aan de hand van aan de Ondernemingskamer overgelegde pleitaantekeningen en wat mr. Steinz betreft onder overlegging van - op voorhand aan de Ondernemingskamer en de andere partijen gezonden - nadere producties.

1.8 Ter voormelde terechtzitting heeft mr. Molier te kennen gegeven dat het hierboven onder 1.5 sub 2 en 3 weergegeven (tegen)verzoek slechts wordt gedaan door Homel en dat het (tegen)verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen slechts wordt gedaan onder de voorwaarde dat het verzoek van Downwood & Greatings c.s. tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen. Second Opinion en Mol hebben zich bij monde van mr. Bödicker ten aanzien van het verzoek van Downwood & Greatings c.s. tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer.

2. De vaststaande feiten

2.1 Reason Why drijft een reclamebureau. Downwood & Greatings en Hampton houden ieder (afgerond) 35,6% van de aandelen in Reason Why. Second Opinion en Homel houden ieder (afgerond) 12% van de aandelen in Reason Why en Mol houdt 4,7 % van de aandelen. Bij de genoemde percentages zijn de door Reason Why gehouden aandelen in haar eigen kapitaal buiten beschouwing gelaten. Downwood & Greatings en Second Opinion houden ieder 50% van de aandelen in Hampton Holding. A.P. Grootings houdt indirect, via TGV Holding B.V., alle aandelen in Downwood & Greatings. A.P. Daalder houdt alle aandelen in Second Opinion. Het bestuur van Reason Why wordt gevormd door A.P. Daalder en TGV Holding B.V.

2.2 Louwman & Parqui is de nationale marketing- en salesorganisatie van Toyota en Lexus in Nederland en exclusief distributeur van Toyota en Lexus auto’s voor Nederland. Teijlingerhorst houdt indirect alle aandelen in Louwman & Parqui.

2.3 Op 16 augustus 2002 is tussen Reason Why en Louwman & Parqui een samenwerkingsovereenkomst gesloten met betrekking tot door Reason Why in opdracht van Louwman & Parqui te verrichten reclamewerkzaamheden, welke overeenkomst met ingang van 1 november 2006 is gewijzigd. Op 29 mei 2009 hebben Reason Why en Louwman & Parqui een nieuwe samenwerkingsovereenkomst gesloten met een looptijd van drie jaar en de mogelijkheid van tussentijdse opzegging met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden.

2.4 Bij brief van 6 mei 2010 heeft Louwman & Parqui de samenwerkingsovereenkomst opgezegd tegen 6 november 2010. Nadien hebben nog enige gesprekken plaatsgevonden tussen Reason Why en Louwman & Parqui over een mogelijke wijziging en voortzetting van hun samenwerking. Dit heeft niet tot overeenstemming geleid en op 9 juli 2010 heeft Reason Why van Louwman & Parqui bericht ontvangen dat zij de opzegging handhaaft. Bij vonnis in kort geding van 20 oktober 2010 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Breda de vordering van Reason Why strekkende tot nakoming door Louwman & Parqui van de samenwerkingsovereenkomst tot 29 mei 2012 afgewezen en Louwman & Parqui veroordeeld om haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst na te komen tot 6 januari 2011. In het door Reason Why tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het Hof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 4 januari 2011 de door Reason Why op de voet van artikel 223 Rv. ingestelde incidentele vordering, die ertoe strekte te voorkomen dat de samenwerking van Reason Why en Louwman & Parqui eindigt voordat het Hof uitspraak zal doen in het hoger beroep van het vonnis van 20 oktober 2010, afgewezen.

3. De gronden van de beslissing

3.1 Downwood & Greatings c.s. hebben aangevoerd dat Reason Why voor 67% van haar omzet afhankelijk is van werk voor Louwman & Parqui en dat, indien geen onmiddellijke voorzieningen worden getroffen, het faillissement van Reason Why onafwendbaar is aangezien Louwman & Parqui sinds 6 januari 2011 geen opdrachten aan Reason Why meer verstrekt. Downwood & Greatings c.s. hebben ter terechtzitting verklaard dat de verzochte onmiddellijke voorzieningen ertoe strekken “het besluit van Louwman & Parqui tot beëindiging van de commerciële relatie met Reason Why te schorsen” met als gevolg dat “Louwman & Parqui wederom werkzaamheden laat verrichten door Reason Why”, althans Louwman & Parqui verplicht wordt “tot betaling van maandelijkse voorschotbedragen op schadevergoeding”.

3.2 De Ondernemingskamer stelt vast dat de door Downwood & Greatings c.s. verzochte onmiddellijke voorzieningen aldus slechts betrekking hebben op de gevolgen van het door Louwman & Parqui genomen besluit tot beëindiging van de samenwerking met Reason Why en slechts gericht zijn tegen Louwman & Parqui. Downwood & Greatings c.s. zijn noch op grond van art. 2:346 BW, noch op enige andere grond bevoegd tot het doen van een verzoek tot treffen van onmiddellijke voorzieningen jegens Louwman & Parqui. Bovendien zijn de verzochte onmiddellijke voorzieningen slechts gericht op het (tijdelijk en gedeeltelijk) ongedaan maken van de gevolgen van de beëindiging van de samenwerking tussen Reason Why en Louwman & Parqui. Het treffen van een regeling ten aanzien van deze gevolgen behelst het ingrijpen in het geschil van louter vermogensrechtelijke aard tussen Reason Why en Louwman & Parqui, die in dit verband als derde is aan te merken, en valt daarmee buiten het bestek van een enquêteprocedure. Het verzoek van Downwood & Greatings c.s. tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is daarom niet toewijsbaar. Daaraan doen niet af de stellingen van Downwood & Greatings c.s. dat Louwman & Parqui en Homel beide tot hetzelfde concern behoren, dat Reason Why voor haar voortbestaan afhankelijk is van opdrachten van Louwman & Parqui en dat Reason Why vanwege die afhankelijkheid en het aandelenbelang van Homel in Reason Why als een groepsmaatschappij van het Louwman-concern moet worden beschouwd, wat daarvan verder zij.

3.3 Aangezien de door Downwood & Greatings c.s. verzochte onmiddellijke voorzieningen niet toewijsbaar zijn is de voorwaarde waaronder Homel haar (tegen)verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen heeft gedaan niet vervuld. Dit verzoek behoeft daarom geen bespreking.

3.4 De slotsom is dat het verzoek van Downwood & Greatings c.s. tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal worden afgewezen. De beslissing op de enquêteverzoeken van Downwood & Greatings c.s. en van Homel wordt aangehouden.

4. De beslissing

De Ondernemingskamer:

wijst het verzoek van Downwood & Greatings B.V. en Hampton Holding B.V. tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen af;

bepaalt dat het verzoek van Downwood & Greatings B.V. en Hampton Holding B.V. voor zover strekkende tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Reason Why B.V., Louwman & Parqui B.V. en Houdstermaatschappij Teijlingerhorst B.V. en het verzoek van Homel Holding B.V. voor zover strekkende tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Reason Why B.V., zullen worden behandeld op een op eerste verzoek van (één) partij(en) nader te bepalen openbare terechtzitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

De beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.P. Nieuwe Weme en mr. J.H.M. Willems, raadsheren, prof. dr. J. Klaassen RA en drs. P.R. Baart RA, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.F. de Beurs, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 11 februari 2011.