Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5113

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-01-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
08/00138
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BU5709, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij de organisatie van golftoernooien zijn personen ingeschakeld die voor hun inzet geldbedragen ontvingen. Het Hof beslist dat er ten aanzien van deze personen sprake is van een gezagsverhouding, een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en loonbetalingen en dat er sprake is van een dienstbetrekking met X BV. De gedragingen van de commissie die de personen rekruteerde, aanwijzingen en instructies gaf en hen feitelijk uitbetaalde, moeten als gedragingen van X BV worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/19.2.4
FutD 2011-0475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00138

6 januari 2011

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V., te [Z], belanghebbende,

gemachtigde [A],

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/10143 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 24 mei 2006 aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003 een naheffingsaanslag opgelegd in de loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) ten bedrage van € 91.455, alsmede bij beschikking van gelijke datum een vergrijpboete van € 22.863.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 30 augustus 2006, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Bij uitspraak van 9 januari 2008, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 25 januari 2008, aangevuld bij brieven van 5 mei 2008 en 16 mei 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 5 maart 2010 zijn nadere stukken ontvangen van belanghebbende.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift op 2 juli 2010 aan partijen is gezonden.

Op 21 september 2010 heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift op 4 oktober 2010 aan partijen is gezonden. De griffier heeft belanghebbende daarbij in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal. Bij brief van 4 november 2010, ontvangen op de griffie op 8 november 2010, heeft belanghebbende gereageerd. Bij brief van 15 november 2010 heeft de inspecteur daarop gereageerd.

Bij brief van 11 november 2010 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen.

Op 23 november 2010 heeft een tweede nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Voorafgaand aan de zitting heeft belanghebbende bij brief van 19 november 2010 een pleitnota toegezonden.

Partijen hebben over en weer afschriften van elkaars geschriften ontvangen.

Na het sluiten van het onderzoek is op 24 november 2010 een brief binnengekomen van de belanghebbende met een bijlage (een kopie van een verslag van een bijeenkomst van de Commissie [Q] op 30 oktober 2001). Het Hof heeft in die brief (die door de belanghebbende ter kennisneming aan de inspecteur is gezonden) geen aanleiding gevonden het onderzoek te heropenen nu hetgeen in die brief is aangevoerd ter zitting van het Hof van 23 november 2010 aan de orde is geweest en niet van belang is voor de beslissing in dit geding.

2. Feiten

2.1. In elk van de jaren van het naheffingstijdvak worden golftoernooien (hierna toernooien) georganiseerd, in 2001 onder de naam “[BY] 2001, in 2002 onder de naam “[BY] 2002” en in 2003 onder de naam “[CY] 2003”.

2.2. De toernooien worden gehouden op de terreinen van golfclubs. In 2001 is het toernooi gehouden op het terrein van de [Golf Club J] en in 2002 en 2003 zijn de toernooien gehouden op het terrein van de [Golf Club G].

2.3. Ten behoeve van de organisatie van de toernooien wordt telkens een Commissie [Q] ingesteld. De Commissie [Q] wordt ook wel aangeduid als “[Qq]”. De Commissie [Q] bestond telkens uit een aantal leden van de desbetreffende golfclub en één of meer medewerkers van belanghebbende.

2.4. Tot de stukken behoort een op 16 december 2001 ondertekende overeenkomst tussen de [F] en belanghebbende, genaamd ‘Overeenkomst A’. Hierin is het volgende opgenomen:

“De ondergetekenden:

1. (…) [F] (…)

2. [belanghebbende]

in aanmerking nemende dat:

A. Gedurende 1 week in juli van de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 het Internationaal [Y] Golf kampioenschap van Nederland – hierna te noemen “het [Y]” – zal worden gehouden, welk kampioenschap wordt georganiseerd onder auspiciën van de [F];

B. De [G] Golf Club ([Golf Club G]) bereid is haar faciliteiten voor de jaren 2002 t/m 2005 ter beschikking te stellen aan de organisatoren van het [Y] voor het houden van dit kampioenschap;

C. [F] de feitelijke organisatie delegeert aan [belanghebbende];

D. [F] en [belanghebbende] beiden met [Golf Club G] een separate overeenkomst hebben gesloten inzake dit kampioenschap;

E. (…)

komen overeen als volgt:

(…)

2.1. De tussen [belanghebbende] en [Golf Club G] overeengekomen vergoeding ten bedrage van € 91.000,= (…) zal door [F] worden voldaan aan [Golf Club G].

2.5. Tot de stukken behoort een overeenkomst, gedagtekend 30 januari 2001, tussen de [G] Golf Club (hierna [Golf Club G]) en de [F], genaamd ‘Overeenkomst B’. Hierin is het volgende opgenomen:

“De ondergetekenden:

1. [[Golf Club G]]

2. [[F]]

in aanmerking nemende dat:

A. Gedurende 1 week in juli van de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 het Internationaal [Y] Golf kampioenschap van Nederland – hierna te noemen “het [Y]” – zal worden gehouden, welk kampioenschap wordt georganiseerd onder auspiciën van de [F];

B. De [[Golf Club G]] bereid is haar faciliteiten voor de jaren 2002 t/m 2005 ter beschikking te stellen aan de organisatoren van het [Y] voor het houden van dit kampioenschap;

C. [F] de feitelijke organisatie heeft gedelegeerd aan [belanghebbende]

D. [Golf Club G] met [belanghebbende] een separate overeenkomst heeft gesloten inzake dit kampioenschap;

E. [F] met [belanghebbende] een separate overeenkomst heeft gesloten inzake dit kampioenschap;

(…)

komen overeen als volgt:

1. GEBRUIK FACILITEITEN

1.1. [Golf Club G] zal haar faciliteiten ter beschikking stellen aan [belanghebbende] t.a.v. het organiseren van het [Y], zoals beschreven in “overeenkomst [Golf Club G]/[belanghebbende] inzake “[Y] 2002 t/m 2005””

2.6. Tot de stukken behoort een overeenkomst, gedagtekend 23 maart 2001, tussen [Golf Club G] en belanghebbende, genaamd ‘Overeenkomst C’. Hierin is het volgende opgenomen:

“De ondergetekenden:

1. [[Golf Club G]]

2. [Belanghebbende]

in aanmerking nemende dat:

A. Gedurende 1 week in juli van de jaren 2003, 2004 en 2005 het Internationaal [Y] Golf kampioenschap van Nederland - hierna te noemen “het [Y]” - zal worden gehouden, welke kampioenschap wordt georganiseerd onder auspiciën van de [F], die ten blijke van haar kennisname en goedkeuring, daartoe deze overeenkomst mede heeft ondertekend;

B. De [Golf Club G] aan de [F] en [belanghebbende] het recht wil verlenen op het Internationaal [Y] Golf Kampioenschap van Nederland van 2003 tot en met 2005 te houden op haar baan;

C. [F] de feitelijke organisatie heeft gedelegeerd aan [belanghebbende];

D. Zowel de [Golf Club G] als [belanghebbende] [Hof: met [F]] een separate overeenkomst heeft gesloten inzake dit kampioenschap, welke overeenkomsten aan deze overeenkomst zijn gehecht;

E. (…)

komen overeen als volgt:

(…)

1.1. De [Golf Club G] stelt haar faciliteiten, waaronder te verstaan het terrein met opstallen, alsmede de toegangsweg vanaf de [H-weg] tot de entree tot het terrein, ter beschikking voor de [Y]s van 2003 t/m 2005.

(…)

4. PERSONEEL & VRIJWILLIGERS

4.1. [Golf Club G] draagt ervoor zorg dat in de periode van het [Y] het baanpersoneel de noodzakelijke werkzaamheden uitvoert overeenkomstig de richtlijnen van de “Professional Golfers Association European Tour’. Het baanpersoneel van [Golf Club G] zal in de week van het [Y] worden aangevuld met derden in overleg met en op kosten van [belanghebbende].

4.2. [Golf Club G] zal trachten te bevorderen dat in de week van het [Y] zoveel mogelijk vrijwilligers en/of betaalde krachten beschikbaar zijn voor de volgende werkzaamheden: bemannen informatiedesk, starten, recording (incl. scoring statistics), hulp in de perstent, caddiemaster en caddies, marshalls en eventuele fore caddies, schoonhouden van de baan, chauffeurs, steward in de kleedkamer.

(…)

9. VERGOEDING

9.1. Partijen zijn overeengekomen dat [Golf Club G] vanwege het ter beschikking stellen van de baan en de overeengekomen clubfaciliteiten, een vergoeding van Hlf. 200.000,= exclusief BTW zal ontvangen, welke vergoeding door [F] aan [Golf Club G] zal worden betaald. (…)”

2.7. Tot de stukken behoren overeenkomsten A, B en C tussen [F], belanghebbende en de [J] Golf Club (hierna [GOLF CLUB J]) met een soortgelijke inhoud als de hiervoor vermelde overeenkomsten A, B en C.

2.8. Bij de toernooien werd gebruik gemaakt van een groot aantal personen, door belanghebbende aangeduid als “vrijwilligers” en door de inspecteur als “assistenten”. Voor hun inzet kreeg een deel van deze personen geldbedragen uitbetaald. In navolging van belanghebbende zullen deze bedragen worden aangeduid als “vergoeding”. De door belanghebbende als vrijwilligers en door de inspecteur als assistenten aangeduide personen die een vergoeding kregen zal het Hof hierna aanduiden als ‘ingeschakelde personen’.

2.9. In onderdeel 3.2. van het verweerschrift in eerste aanleg van de inspecteur is het volgende opgenomen:

“Belanghebbende heeft naar aanleiding van een bedrijfsgesprek met de belastingdienst in augustus 2004 een overzicht verstrekt van in de jaren 2002 en 2003 aan [‘ingeschakelde personen’] uitbetaalde bedragen (…). Daarvan zijn de navolgende uitbetaalde bedragen in de onderhavige naheffingsaanslag betrokken. Omdat belanghebbende over het jaar 2001 geen gegevens heeft verstrekt, is voor dat jaar uitgegaan van het gemiddelde van de bedragen over de jaren 2002 en 2003.

2003 2002 2001

Chipping Green € 960 € 1.080 € 1.020

Buggy team € 1.085 € 2.230 € 1.658

A-team € 4.550 € 6.275 € 5.413

Toiletgroep € 5.100 € 3.250 € 4.175

Schoonmaak div. € 1.480 € 740

Courtesy Cars € 17.600 € 17.360 € 17.480

totaal na te heffen € 30.775 € 30.195 € 30.485

tarief 131,20% 129,50% 129,50%

€ 40.377 € 39.103 € 39.478”

2.10. Bij brief van 22 februari 2006 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag aangekondigd, waarbij het bedrag van de naheffingsaanslag is berekend op € 118.958 (de som van de drie laatst opgenomen bedragen in de hiervoor genoemde tabel). De onderhavige naheffingsaanslag is (abusievelijk) opgelegd naar een bedrag van € 91.455 (de som van de drie bedragen in de twee-na-onderste regel in de hiervoor genoemde tabel).

2.11. Bij de uitspraak op bezwaar is de vergoeding die is betaald aan de ‘ingeschakelde personen’ inzake de chipping green, niet als loon aangemerkt. Dit heeft niet geleid tot vermindering van de naheffingsaanslag, gelet op de omstandigheid dat de naheffingsaanslag is opgelegd naar een lager bedrag dan het bedrag dat volgens de inspecteur had moeten worden nageheven.

2.12. De naheffingsaanslag is opgelegd omdat de inspecteur van oordeel is dat tussen belanghebbende en de ‘ingeschakelde personen’ (anders dan met betrekking tot de chipping green) sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, en hij belanghebbende terzake aanmerkt als inhoudingsplichtige.

2.13. Tot de stukken behoort een draaiboek betreffende het ‘[B] [C] [Y]’ voor het jaar 2001. Op de kaft is de naam van belanghebbende vermeld. In het draaiboek staat – onder andere- het volgende:

“[B] [C] [Y] 2001

[ Golf Club J]

26-29 juli

Organisatie – voortraject aan [B] [C] [Y] 2001

De organisatie inzake het [B] C] 2001 zal wederom plaatsvinden in nauwe samenwerking tussen [belanghebbende] en de Commissie [Q] 2001 van de [Golf Club J].

De Commissie draagt de verantwoordelijkheid voor de organisatie van de vrijwilligers en het terrein van de [Golf Club J].

[Belanghebbende] draagt de verantwoordelijkheid voor de organisatie “buiten” dit gebied.

Ten behoeve van de organisatie “buiten” het terrein van de [Golf Club J] worden alle contracten met betrokken instanties onderhouden door [belanghebbende]. (…)

1. COURTESY CARS

1.1. ALGEMEEN

De courtesy car service is operationeel van zondagmiddag 22 juli tot en met zondag 29 juli.

(…)

De service is strikt bedoeld voor het vervoer van de spelers, PGA, staff, Referees en [belanghebbende] naar hotels en vliegveld. Uitzonderingen worden gemaakt onder toestemming van [D] of [belanghebbende].

1.2. PERSONEEL

De courtesy car desk valt onder verantwoordelijkheid van [D] en deze wordt gedurende het toernooi geleid door 2 hoofden van dienst.

Tijdens het toernooi zijn er 30 courtesy cars beschikbaar, deze worden door een 60-tal chauffeurs bestuurd, waarbij een dag is verdeeld in twee shifts.

1.3 VERGOEDINGEN

De chauffeurs krijgen een vergoeding van Fl. 100.00 per dag, plus een bonus van Fl.100,00 aan het eind van het toernooi als ze de dagen schade-vrij zijn doorgekomen.

De 1e shift krijgt een lunchpakket

De 2e shift krijgt een warme maaltijd

Hvd’s krijgen 60,00 [B] Muntgeld per dag.

(…)

Chauffeurs krijgen de volgende [B] [C] [Y] kleding:

2polo’s

1 jack

1 cap

1.4 VOORWAARDEN

Er zal een contract worden opgesteld die door de chauffeurs wordt ondertekend

Chauffeurs zijn zelf verantwoordelijk voor het betalen van eventuele bekeuringen

(…)

2. A-TEAM

2.1. ALGEMEEN

Het A-Team is vóór, tijdens en na het toernooi inzetbaar voor allerlei hand- en spandiensten, naast de standaard taken zoals onderstaand vermeld.

Het team overnacht gedurende het toernooi (…) in de buggietent op het terrein van de [Golf Club J].

De werktijden zijn als volgt:

(…)

2.2. PERSONEEL

Het A-Team valt onder de verantwoordelijkheid van [I] en bestaat uit een 8-tal heren.

Tijdens de toernooidagen (…) dient het volledige team om 06.00 uur beschikbaar te zijn voor het verrichten van hand- en spandiensten vóór aanvang van de start.

2.3. VERGOEDINGEN

De leden van het A-Team krijgen de volgende vergoedingen:

i.o.- 21 juli Fl. 60,00 p.dag + 25,00 catering

22 juli – 29 juli Fl. 100,00 p.dag + 60,00 [B] Muntgeld

30 – 31 juli Fl. 60,00 p.dag + 25,00 catering

De leden van het A-Team krijgen de volgende [B] [C] [Y] kleding:

2 polo’s

1 jack

1 cap

(…)

3. FACILITEITEN

(…)

3.2.TOILETTEN/SCHOONMAAK

(…)

Medewerkers van de Toiletgroep krijgen een lunchpakket en een [B] [C] [Y] polo. De overige vergoeding is als volgt:

Woensdag 25 juli Fl. 100,00 per dag

26 juli - 29 juli Verdeling van de Toilet-opbrengst

(…)

6. BUGGIES

(…)

6.2. VERGOEDINGEN

De heren krijgen Fl. 150,00 per dag + 60,00 aan [B] Muntgeld.

De betaling geschiedt door [K] op zondag 29 juli.

Zij ontvangen de volgende [B] [C] [Y] kleding:

2 polo’s

1 jack + 1 cap

(…)”

2.14. Tot het hiervoor genoemde draaiboek behoort de volgende standaardovereenkomst tussen belanghebbende en de chauffeurs van de Courtesy Cars:

“ Overeenkomst tussen [Belanghebbende]

en

………..

die gedurende het [BY] 2001 chauffeursdiensten zal verrichten.

Bovengenoemde verklaart zich te houden aan de volgende bepalingen:

1. Gedurende het gehele evenement (…), zal hij/zij tijdens zijn werk niet onder invloed zijn van alcoholhoudende drank en/of drugs.

2. Voorts zal hij/zij alle voorkomende gevallen stringent de verkeersvoorschriften naleven.

Bij vaststelling proces verbaal van overtreding is dit voor eigen rekening

3. Bij schade en/of diefstal zal hij/ zij dit melden aan een Hoofd van Dienst en een schadeformulier invullen (…). Bij diefstal zal hij dit tevens melden bij de politie. (…)”

2.15. Tot de stukken behoort voorts een schriftelijk stuk, voorzien van het opschrift “Draaiboek” van 31 pagina’s. Bovenaan elke bladzijde staat “[belanghebbende] l” en “Het [C] [Y]”. In dit draaiboek staat - voor zover hier van belang - onder meer het volgende:

“(..)

Organisatie

(…)

Inzake de organisatie wordt intensief overleg gepleegd tussen [belanghebbende] en de Commissie [Q] van de Golfclub om vast te stellen wie zich waar mee bezig gaat houden. (..) Let wel, [belanghebbende] is de promotor van het [C] [Y] en de Commissie [Q] van de Golfclub bestaat uit vrijwilligers, werkzaamheden dienen dan ook met dien verstande te worden verdeeld.

Laat duidelijk zijn dat [belanghebbende] verantwoordelijk is voor alle kosten.

(..)

3.GOLFCLUB EN VRIJWILLIGERS

De golfclub stelt niet alleen haar faciliteiten beschikbaar maar stelt ook een Commissie [Q] samen bestaande uit vrijwilligers die [belanghebbende] gedurende de gehele periode voorafgaand aan het toernooi helpen bij de organisatie. Zij zijn mede verantwoordelijk voor de gehele opzet en invullingen op het terrein van de Golfclub (..).

Samenstelling Commissie [Q] en verdeling disciplines

De Commissie [Q] bestaat uit 7 (of acht) personen en 1 of 2 personen van [belanghebbende]l.

(..)

Vrijwilligers

(..) Deze vrijwilligers worden door de Commissie [Q] leden van de golfclub geworven. Deze vrijwilligers komen van de golfclub, andere golfclubs studentenhuizen etc. Er zijn slechts een aantal betaalde onderdelen, de overige vrijwilligers krijgen een catering vergoeding en kleding van het [C] [Y]. Deze kosten worden allemaal betaald door [belanghebbende], [Belanghebbende] geeft daarom aan wat de hoogte van betalingen en/of vergoedingen zullen zijn. Probeer deze vergoedingen gelijk te houden met het voorgaande jaar, misschien met een kleine correctie als bijvoorbeeld de cateringprijzen zijn gestegen.

(..) Courtesy Cars

(..) De chauffeurs worden in studentenhuizen geworven. De chauffeurs worden betaald circa € 50 per dag en dienen zich minimaal 3 van de 8 dagen beschikbaar te stellen. Naast geld krijgen ze lunchpakketten en kleding (..).

(..) A-team

(..) Het A-team bestaat uit 8-10 jongens die gedurende de week voor het [C] [Y] helpen met de opbouw en gedurende de week van het [Y] verantwoordelijk voor diverse klussen. Ze krijgen betaald € 50 per dag en € 30 aan cateringvergoeding per dag, ze slapen in een tent op het terrein van de Golfclub. Daarnaast krijgen ze de [Y] kleding (..). Deze groep bestaat meestal uit vriendjes.

(..)

(..) Buggies

Het buggyteam bestaat tijdens het toernooi uit 2 personen. Dit dienen verantwoordelijke personen te zijn daar zij dagelijks verantwoordelijk zijn voor inname en uitgifte van buggies. De buggy boys worden betaald; € 70 per dag en € 30 aan cateringvergoeding. Daarnaast ontvangen zij een [Y] kledingpakket (..).

(..) Toiletgroep

Het aantal personen in de toiletgroep is afhankelijk van de geplaatste toiletwagens. Alle dienen te worden schoongehouden en een aantal dienen te worden bemand in verband met betaling. De vergoeding van de toiletgroep is € 50 per persoon per dag plus de verdeling van de opbrengst. Naast de vergoeding krijgen zij een lunchpakket en een [Y] kledingpakket. De toiletgroep is ook verantwoordelijk voor de toiletten in de baan.

(..)

Courtesy Cars

(..)

Alle chauffeurs dienen een door [belanghebbende] opgesteld contract te ondertekenen met contact gegevens, rijbewijsnummer en vrijwaring van aansprakelijkheid [belanghebbende] bij rijden onder invloed. Chauffeurs moeten minimaal 2 jaar in het bezit van hun rijbewijs zijn. Zij dienen minimaal 3 shifts te vervullen.

(..)

Vergoeding

- € 30 voor halen/retourneren auto’s

- € 50 per dag voor 1 shift + 1 lunchpakket

- € 50 totaal als ze schadevrij hebben gereden

- 1 [Y] kledingpakket (..)

(..)

Buggies

(…)

Er dient bij de inventarisatie en tijdens het toernooi te worden nagestreefd dat de partijen waaraan de buggies beschikbaar worden gesteld – middels nummering – gedurende het gehele toernooi aan diezelfde partij worden uitgeleend. De reden hiervoor is de enorme schadepost die [belanghebbende] jaarlijks voor zijn rekening krijgt. (..) Er dient duidelijk gemaakt te worden dat een buggy € 5000 kost. (..)

Bij afleveringen dient er iemand van het buggyteam aanwezig te zijn om (..) reeds aanwezige schades vast te leggen. Tijdens het toernooi dienen alle buggies hiertoe dagelijks gechecked te worden. (..)

(..)

Zij ontvangen € 70 cash, € 30 cateringvergoeding per dag

(…)

Schoonmaak

Schoonmaak is verdeeld in een aantal onderdelen; De schoonmaak van het terrein (..). De schoonmaak van het tentendorp en de diverse ruimten wordt ingehuurd door [belanghebbende] (..). Door de golfclub wordt een team samengesteld die tijdens het toernooi, gedurende de dag, het netjes houden van de kleedkamers verzorgt en het resterende deel van het clubhuis schoonmaakt.

Dit team ontvangt € 250 voor de week en een [Y] poloshirt.

(..)”

2.16. In een brief van 18 april 2008 schrijft [L], voorzitter van [Golf Club G] het volgende aan belanghebbende:

“Uw brief van 9 april jl. inzake een verzoek aan de [Golf Club G] om nader te verklaren omtrent de gang van zaken rond het [Y] in het kader van een fiscale procedure waarin U verwikkeld bent, is besproken in onze bestuursvergadering van 17 april jl. Tevens hebben wij in ons archief onze dossiers over het [Y] nageslagen om de gang van zaken voor zover daarin vastgelegd te bestuderen. Het resultaat hiervan is als volgt samen te vatten:

- De contracten uit die jaren geven eenduidig en expliciet aan dat – anders dan de suggestie in uw brief aan ons van 9 april – zowel de formele als ook de feitelijke organisatie van het event lag bij [belanghebbende];

- Feitelijk is ook juist dat in de Commissie [Q] zitting hadden zowel een aantal mensen van [belanghebbende] als ook een aantal mensen van de [Golf Club G];

- De mensen van de [Golf Club G] in de Commissie [Q] hadden als taak vanuit hun thuispositie - de terbeschikkingstellers van de accommodatie – de organisatie te ondersteunen en met name ook in te vullen de in het contract afgesproken inspanningsverplichting: [Golf Club G] zal trachten te bevorderen dat in de week van het [Y] zoveel mogelijk vrijwilligers en/of betaalde krachten beschikbaar zijn voor een aantal werkzaamheden;

- Feitelijk gebeurde dat via enkele [Golf Club G]-leden die geheel vrijblijvend en informeel een aantal meestal studievrienden/niet [Golf Club G]-leden interesseerden voor dit vrijwilligerswerk; vrijblijvend doordat er van een contract resp. formele afspraken geen sprake was, informeel doordat de [Golf Club G] geen lijsten bijhield en dus ook niet heeft van de vrijwilligers. (…) instructies over de feitelijke werkzaamheden van de vrijwilligers kwamen vanuit de Commissie [Q] via de groepshoofden van de vrijwilligers;

- De vergoeding in munten en geld voor een aantal vrijwilligers ging niet via de [Golf Club G], maar rechtstreeks uit de kas van [belanghebbende], dat tijdens het [Y] ook een eigen desk/kantoor had op de [Golf Club G].”

2.17. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 september 2010 heeft het Hof [M] als getuige gehoord. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is ten aanzien van zijn verklaring het volgende opgenomen:

“(op vragen van het Hof:)

Ik was verbonden aan de [Golf Club J]. In het seizoen 2000/2001 was ik voorzitter van het ‘[Qq]’ (hierna: Commissie [Q]). Ik was ook lid van de golfclub. De Commissie [Q] was aldus samengesteld dat eerst een voorzitter werd aangezocht en vervolgens de voorzitter leden heeft aangezocht. De leden van de Commissie [Q] waren tevens leden van de golfclub. Het betrof veelal personen die eerder bij de organisatie van het [C] [Y] waren betrokken. Bij de Commissie [Q] zaten ook twee personen van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]). Zij waren geen lid van de golfclub.

[Belanghebbende] was onze baas en [belanghebbende] was de baas van het toernooi. Zo zag ik dat.

De Commissie [Q] bestond in mijn perceptie uit leden van de golfclub, de twee mensen van [belanghebbende] woonden de vergaderingen bij.

De Commissie [Q] trok de vrijwilligers aan, daar waar het ging over zaken die de baan en het clubhuis betroffen. Het betrof veelal mensen in het veld, zoals de Marshalls. Ik heb geen idee wie de mensen op het parkeerterrein aantrok.

Wij, als Commissie [Q], waren uitvoerder van het toernooi. Dat was ook de bedoeling. Er waren honderden vrijwilligers bij betrokken.

Ik heb nagekeken hoe het liep met de chauffeurs. De chauffeurs werden door ons gerekruteerd onder studenten en onder kinderen van leden van de club. [Belanghebbende] sloot overeenkomsten met alle chauffeurs. Ik herinner me niet dat de chauffeurs zich door derden konden laten vervangen; dat kon niet.

De verschillende hoofden van dienst hielden dagelijks contact met de vrijwilligers. De hoofden van dienst waren allemaal leden van de golfclub.

De meeste vrijwilligers werd betaald in natura. De chauffeurs en de schoonmakers en nog wat anderen kregen betaald in geld. Er werd per chauffeur een declaratie bij de boekhouder van [belanghebbende] ingediend. Het geld werd in een enveloppe aan de chauffeur uitgereikt. Elke chauffeur ontving zijn eigen enveloppe. [Belanghebbende] bepaalde de hoogte van de vergoedingen.

De vrijwilligers konden zich niet vrij laten vervangen. Bij mensen die werden betaald was dat ook niet aan de orde. Er was niets afgesproken over vervangen. Het lijkt me niet kunnen. Als je betaald wordt kan dat niet. Bij een toiletjuffrouw zou dat eventueel wel kunnen.

Als een vrijwilliger zijn geld wilde hebben, moest hij dat claimen bij [belanghebbende]. Het zou kunnen dat de vrijwilliger niet wist dat hij te maken had met [belanghebbende] omdat de Commissie [Q] leidend was geweest bij de rekrutering van de vrijwilligers. De vrijwilligers zaten niet bij de vergadering zodat zij niet konden weten wie het toernooi runde.

De vrijwilligers kregen aanwijzingen van de hoofden van dienst, dus van de Commissie [Q]. De Commissie [Q] kreeg aanwijzingen van [belanghebbende]. [Belanghebbende] bepaalde het toernooi; [belanghebbende] was de organisator. Er was al veel ervaring in [J] met het [C] [Y]. Er was een draaiboek beschikbaar. Daar stond in hoe [belanghebbende] het wilde hebben. Aan de hand van het draaiboek moest de Commissie [Q] te werk gaan. Dat draaiboek was er al in 2000/2001 en ik was er toen ook mee bekend. Wij zagen het draaiboek als richtlijn. [Belanghebbende] had een hoop te zeggen. Het draaiboek werd volgens mij ieder jaar gehanteerd. Wij hanteerden het dus ook.

Wat betreft de op schrift gestelde verklaring van [E], daarin staat ten onrechte dat de vrijwilligers zich konden laten vervangen. De hoogte van de vergoeding werd door [belanghebbende] vastgesteld. Dat dat zo is blijkt uit de notulen van de vergadering. Verder ben ik mij als voorzitter van de Commissie [Q] en als lid van de golfclub er niet van bewust geweest dat de vrijwilligers alleen jegens de golfclub aanspraak konden maken op betaling. Toen ik dit in de verklaring las, was dat nieuw voor mij.

De vrijwilligers mochten aannemen dat wij zorg droegen voor de betaling. De Commissie [Q] was uitvoerend namens [belanghebbende] en niet namens de golfclub. Het risico zou anders te groot zijn voor de golfclub.

Niet [belanghebbende], maar de Commissie [Q] bepaalde het aantal vrijwilligers.

De Commissie [Q] en [belanghebbende] hadden tijdens het toernooi dagelijks contact. Tijdens het toernooi werd niet meer vergaderd. Wel zaten we iedere dag om half elf bij elkaar. [belanghebbende] zat er elke dag bij.

(op vragen van de gemachtigde:)

“De overeenkomst tussen [belanghebbende] en de chauffeurs zit in het draaiboek. Het draaiboek is een mooi boek met ‘[B]’ op de kaft. De overeenkomst tussen [belanghebbende] en de chauffeurs is een A4-tje en daarop staan een aantal verplichtingen die de chauffeur heeft, bijvoorbeeld: niet te hard rijden, niet drinken, enz.

De verklaring die u mij toont komt overeen met de overeenkomst die ik bedoel.

Ik weet dat de betaling aan de chauffeurs via envelopjes werd gedaan omdat ik dat een keer heb gezien en omdat ik ernaar heb gevraagd bij de degenen uit de Commissie [Q] die er destijds bij betrokken waren. Ik heb dat gedurende de afgelopen jaren gevraagd. Ik heb daar destijds niet met mijn neus bovenop gestaan. Mevrouw [D] weet dat veel beter. Zij had de chauffeurs in haar takenpakket.

Ik heb destijds zelf de door [belanghebbende] opgestelde verklaring niet ondertekend omdat er een aantal dingen instonden die ik ook niet precies wist.

Dat het geld in een envelopje naar de vrijwilligers ging, weet ik uit eigen waarneming. [belanghebbende] was de kassier. Als je geld nodig had, dan moest je naar [belanghebbende]. Ik heb niet concreet gezien dat er geld per vrijwilliger in de envelopjes zat.

De gemachtigde overlegt een exemplaar van de verklaring die de getuige niet heeft ondertekend (hierna: de concept-verklaring). En kopie daarvan is aan dit proces-verbaal gehecht.

U vraagt mij wat ik niet juist vind aan de conceptverklaring. Met hetgeen onder het derde, vierde, vijfde en het zesde gedachtestreepje is opgenomen, ben ik het niet eens.

Ik heb met het bestuur van de golfclub gesproken over de verklaring die aan mij was voorgelegd. In feite heb ik tegen het bestuur gezegd dat ik hem niet kon ondertekenen. In overleg met het bestuur is toen besloten dat ik de verklaring niet zou ondertekenen.

Ik kende de overeenkomst tussen de [Golf Club J] en [belanghebbende]. De overeenkomst was een onderdeel van een aantal overeenkomsten. [Belanghebbende] was namens [F] de organisator. Wij hadden zelf niets met [F] te maken.

De golfclub kreeg een bedrag betaald in het kader van het toernooi, namelijk de huur van de baan. Dat betrof een behoorlijk bedrag. Ik weet het bedrag niet.

Ik heb geen idee of het toernooi de club per saldo geld opleverde.

(op vragen van de inspecteur:)

Na het eerste gedachtestreepje in de concept-verklaring moet in plaats van golfclub de Commissie [Q] staan. Dat is bij alle gedachtestreepjes het geval.

(op vragen van het Hof:)

U toont mij bijlage 4 bij het verweerschrift in eerste aanleg. Ik ken dat stuk. Dit is wat ik bedoelde met het draaiboek. Dit lijkt een wat geperfectioneerde versie. Het heeft een andere opmaak. Het hoofdstuk vrijwilligers is wat uitvoeriger dan het stuk dat wij hadden. Wij hadden een stuk van [belanghebbende] dat wat korter was dan dit stuk, maar wij hadden ook zoiets.”

De gedachtestreepjes in de conceptverklaring waar de getuige [M] van heeft verklaard dat hij het er niet mee eens was luiden als volgt:

- De vrijwilligers konden zich vrijelijk laten vervangen door derden;

- De golfclub kwam met de vrijwilligers overeen om bepaalde werkzaamheden gedurende het golftoernooi uit te voeren tegen een door de golfclub vastgestelde vergoeding;

- De vrijwilligers hadden alleen jegens de golfclub een recht op betaling van de overeengekomen vergoeding;

- De met de vrijwilligers overeengekomen vergoeding werd door de golfclub uitbetaald. Van enige verplichting van [belanghebbende] tot betaling van de vergoedingen aan de vrijwilligers op individuele basis was echter geen sprake. De bulk geldbedragen bestemd voor de betaling van voornoemde vergoedingen door de golfclub aan de vrijwilligers werd door [belanghebbende] rechtstreeks betaald aan de golfclub op declaratiebasis;”

2.18. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 september 2010 heeft het Hof [N] als getuige gehoord. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is ten aanzien van zijn verklaring het volgende opgenomen:

“(op vragen van het Hof:)

Ik was lid van de [Golf Club G]. Ik was geen lid van de Commissie [Q]. Ik was als vrijwilliger verantwoordelijk voor de chauffeurs van de ‘courtesy cars’. De chauffeurs waren ongeveer 40 studenten. Zij werkten in twee ploegendiensten. Ik was zelf betrokken bij het aantrekken van deze chauffeurs. Ik had de beschikking over een bestand met studenten en vriendjes. Ze werden geworven op basis van een netwerk.

Ik hield contact met de chauffeurs. Ik betaalde hen uit. Ik kreeg geld van [belanghebbende]. Ik ontving een pak met geld en ik verdeelde dat over de vrijwilligers. Ik weet niet wie de hoogte van de vergoedingen bepaalde. Ik gaf de chauffeurs aanwijzingen. De chauffeurs konden zich niet laten vervangen. Ik maakte een rooster. Er waren meerdere stukken die de chauffeurs moesten ondertekenen. Bijvoorbeeld voor de verzekering van de auto. Er was ook een stuk waarin stond dat ze niet onder invloed van alcohol of drugs mochten rijden.

De stukken waren een gezamenlijk product. Ik stelde het stuk op, op basis van een concept dat ooit eens bedacht is. Ik gaf de stukken aan de Commissie [Q]. Ik was hoofd van dienst van de ‘courtesy cars’.

(op vragen van de gemachtigde:)

Ik heb dat negen jaren gedaan. Ik ben daarmee begonnen in 1995/1996.

U vraagt mij naar [O]. Dat was de baas van [P]. Ik kende hem niet persoonlijk. Ik heb hem wel eens gesproken uit hoofde van mijn functie. Ik moest bijvoorbeeld met hem regelen wanneer de auto’s werden afgeleverd. De auto’s werden soms op grote trailers afgeleverd, maar ze moesten ook wel eens opgehaald worden en daar moest ik dan de mensen voor kunnen regelen. Het betrof de logistiek.

Degenen die in de auto’s werden vervoerd waren de spelers, caddies en diverse bobo’s. Bobos’s waren bijvoorbeeld de sponsors, leden van de PGA of de [F].

Ik was degene die concreet de opdrachten gaf aan de chauffeurs, namelijk welke speler of eventueel welke bobo waar naartoe moest.

Ik had mijn honk op de parkeerplaats. Daar moesten de spelers zich vervoegen. Af en toe werd er een bobo naar mij toegestuurd. Allerlei mensen deden dat. Ze wisten dat ik daar de auto’s had. [Belanghebbende] kon de chauffeurs niet instrueren. Ze konden wel iets aan mij vragen. Ik was de baas van de chauffeurs.

(op vragen van de inspecteur inzake passages uit het draaiboek dat tot de processtukken behoort:)

U vraagt mij of de volgende passage juist is: “De courtesy cars zijn strikt bedoeld voor het vervoeren van spelers van en naar [het] vliegveld, verder kunnen er op aanwijzing van [belanghebbende] belangrijke gasten van het vliegveld worden gehaald.” Dat is juist. Ik bepaalde of daar ruimte voor was.

U vraagt mij of de volgende passage juist is: “[Belanghebbende] dient de aanvraag te verzamelen en moet in de gaten houden welke spelers reeds op zaterdag of zondag van het vliegveld dienen te worden gehaald. Deze aanvragen dienen direct aan het verantwoordelijke Commissie [Q] lid bekend te worden gemaakt (…).” Dat is juist. Ik maakte vervolgens het schema.”

2.19. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 september 2010 heeft het Hof [D] als getuige gehoord. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is ten aanzien van haar verklaring het volgende opgenomen:

“Ik ben verbonden aan de [Golf Club J]. Ik maakte destijds deel uit van de Commissie [Q]. In die hoedanigheid had ik drie hoofden van dienst onder mij, namelijk de hoofden van het secretariaat, de medische staf en het vervoer. De Commissie [Q] bestond uit leden van de golfclub en er waren twee mensen van [belanghebbende] bij. De mensen van [belanghebbende] namen actief deel aan de Commissie [Q]. Ik heb er nooit over nagedacht of de mensen van [belanghebbende] in de Commissie [Q] zaten of niet.

De vrijwilligers werden geworven door de Commissie [Q] en niet door [belanghebbende]. De [Golf Club J] hield contact met de vrijwilligers. [Belanghebbende] bepaalde de hoogte van de vergoedingen met mevrouw [E]. Zij was lid van de Commissie [Q].

We werkten destijds met een draaiboek. Daarin stonden bijvoorbeeld de plichten van de vrijwilligers en de vergoedingen. Ik weet niet wie het draaiboek heeft opgesteld. Het gaat hier over 2000 en 2001.

In mijn perceptie was [belanghebbende] de organisator van het toernooi. [Belanghebbende] was ‘all over’ organiserend. De Commissie [Q] was uitvoerend namens [belanghebbende] en de golfclub.

De betalingen aan de chauffeurs verliepen op de volgende wijze: er werden staatjes per chauffeur bijgehouden, de boekhouder van [belanghebbende] deed de betaling, hij gaf aan mij een grote enveloppe met daarin envelopjes met geld voorzien van een naam.

De chauffeurs konden zich niet laten vervangen. Ze waren gescreend. Ze hebben ook iets getekend, bijvoorbeeld over schadevrij rijden. Ik weet niet wie die formulieren heeft opgesteld. In de auto’s moesten in principe de spelers worden vervoerd. Het hoofd van dienst bepaalde wie waar naartoe reed. De spelers dienden zich bij het hoofd van dienst te melden.

Ik weet niets over de gang van zaken rond andere vrijwilligers. Het secretariaat en de medische staf kregen in munten uitbetaald.

Het hoofd van dienst gaf de zakjes met geld aan de chauffeurs. De boekhouder van [belanghebbende] bevond zich in een caravan op het terrein.

(op vragen van de gemachtigde:)

Het koste me veel tijd, maar het was geen parttime baan.

De organisatie werd gedaan door hooguit 20 leden, daarin begrepen de commissie leden. Wij ontvingen geen vergoeding. Ik deed het omdat ik het leuk vond. Ik vond het ook een eer.

Wat betreft de uitbetaling aan de chauffeurs ging het hoofd van dienst met de staatjes naar de boekhouder. Bijlage 6 bij de brief van 16 mei 2008 aan het Hof is opgesteld door het hoofd van dienst. Naar aanleiding van dit staatje berekende de boekhouder van [belanghebbende] de vergoeding. Een kwitantie zoals u mij die toont (eveneens bijlage 6 bij voornoemde brief), ontving ik dan van de boekhouder.

Er was destijds een draaiboek. Daarin stonden allerlei richtlijnen. U toont mij een stuk (bijlage 4 bij het verweerschrift in eerste aanleg). Ik kan mij herinneren dat er soortgelijke dingen als in dit stuk staan, op papier stonden. Ook in 2000/2001 was er ofwel dit draaiboek ofwel iets dat er veel op leek.

Hetgeen in het draaiboek staat over drukwerk en reclame, viel onder [belanghebbende].

Het hoofdstuk dat in het draaiboek is opgenomen over vrijwilligers herken ik. Het draaiboek werd gebruikt door de Commissie [Q] in 2000 en 2001. Ik neem aan dat wij in de vergaderingen iets dergelijks hebben opgebouwd. Ik weet niet wie het heeft opgesteld of hoe het is ontstaan. Dit stuk werd wel gebruikt, ook in aanwezigheid van [belanghebbende].”

2.20. Tijdens de mondelinge behandeling op 21 september 2010 heeft het Hof [R] als getuige gehoord. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is ten aanzien van haar verklaring het volgende opgenomen:

“Mijn dienstverband met [belanghebbende] is beëindigd in de tweede helft van 2003.

Het draaiboek dat u mij toont (bijlage 4 bij het verweerschrift in eerste aanleg) herken ik. Ik heb dit draaiboek vlak voor mijn vertrek, in augustus/september 2003, opgesteld.

Er was een eerder, heel beknopt draaiboek van leden van de Commissie [Q]. Ik heb voor mijn draaiboek geen eerdere versies van een draaiboek gebruikt.

Bij [belanghebbende] was ik verantwoordelijk voor de verkoop van advertenties en voor de ondersteuning van de organisatie van het toernooi. Ik begon als hulpje. Mijn direct leidinggevende overleed begin 2000. We wisten toen niet hoe een toernooi in zijn werk ging. We hebben ons laten informeren door de golfclub. De inhoud van het draaiboek is een combinatie van de werkwijze die er in het verleden was en hoe die werkwijze zou moeten zijn.

U vraagt mij of ik lid was van de Commissie [Q]. Ik was het aanspreekpunt vanuit [belanghebbende]. Gezamenlijk vormden wij de Commissie [Q]. Ik was er altijd bij. In mijn perceptie bestond de Commissie [Q] uit leden van de golfclub en zat ik erbij.

U vraagt mij wie het toernooi organiseerde. De golfclub stelde het terrein beschikbaar en zorgde voor het reilen en zeilen met betrekking tot de vrijwilligers en het publiek. [belanghebbende] zorgde voor onder meer de sponsors, de vergunningen, de hotels voor de spelers, het aantrekken van de spelers, de startlijsten, het drukwerk, de winkeltjes en de catering. Het commerciële gedeelte en het sportieve gedeelte werd door [belanghebbende] verzorgd. De organisatie op de golfclub werd overgelaten aan de golfclub.

De Commissie [Q] en met name de hoofden van dienst trokken de vrijwilligers aan. Ik had geen contact met de vrijwilligers en niemand bij [belanghebbende] had dat.

De uitbetaling aan de vrijwilligers werd gedaan door [belanghebbende] op basis van declaraties door de hoofden van dienst.

Volgens mij betaalde de boekhouder van [belanghebbende] niet rechtstreeks aan de vrijwilligers, maar stond de Commissie [Q] ertussen. De uitbetaling vond plaats door een som geld ineens. Het betreffende lid van de Commissie [Q] moest het met de hoofden van dienst verdelen. De hoogte van de vergoeding werd bepaald door de golfclub. De hoogte werd wel aan [belanghebbende] voorgelegd. Ik was destijds nieuw in de organisatie. De hoogte van de vergoedingen was voor mij toen een gegeven. We verlieten ons op kennis van de leden van de Commissie [Q] die ervaring hadden uit eerdere jaren. Vlak nadat ik in dienst kwam overleed mijn directe leidinggevende. De vergoedingen stonden toen al vast. Ik weet niet wie de hoogte heeft bepaald. De leden van de Commissie [Q] gaven aan wat gebruikelijk was.

Mijn schriftelijke verklaring op dit punt is juist: de vergoeding werd ter goedkeuring voorgelegd. Als we protest hadden aangetekend, dan was de vergoeding een discussiepunt geworden.

Ik weet niet of de vrijwilligers zich konden laten vervangen.

(op vragen van de gemachtigde:)

Ik ben in 1999 in dienst gekomen als assistent. Mijn direct leidinggevende overleed begin 2000. Er was toen geen draaiboek bij [belanghebbende]. De organisatie van het toernooi zat in het hoofd van die leidinggevende. We hebben informatie vergaard bij leden van de Commissie [Q] die ervaring had uit het verleden.

Mijn eerste toernooi was in 1999 bij de [Golf Club G]. In januari 2000 startten de vergaderingen voor het toernooi bij de [Golf Club J].

Ik heb het draaiboek op eigen initiatief opgesteld. [Belanghebbende] zou na mijn vertrek niet belanden in de situatie waarin ik mij bevond toen ik startte.

Ik ben in oktober 2003 uit dienst gegaan. Ik ben een tijdje bezig geweest met weggaan. Begin 2003 ben ik begonnen met weg te gaan. [Belanghebbende] heeft mij toen gevraagd het toernooi in dat jaar in goede banen te leiden. De aanleiding voor mijn vertrek was dat we niet allemaal op dezelfde lijn zaten. Er was verschil van inzicht. Ik ben daarna gaan werken bij “This is golf”.

U vraagt mij naar de volgende passage uit het draaiboek dat tot de stukken behoort: “De European tour wordt door [belanghebbende] ingehuurd en betaald voor de wedstrijdleiding en de course set-up.” Ze werden betaald voor de wedstrijdleiding. Deze zin is juist.

(op vragen van de inspecteur:)

Indien er een schadepost was bijvoorbeeld door schade aan een buggy, dan viel dat onder het betreffende lid van de Commissie [Q].

(op vragen van het Hof:)

Indien een buggy stuk was gegaan dat kwam de schade uiteindelijk voor rekening van [belanghebbende].

U houdt mij voor dat eerdere getuigen hebben verklaard dat ze in 2000 en 2001 een draaiboek hadden dat leek op het draaiboek dat ik heb opgesteld. Er was een eerder stuk, namelijk een half A4-tje per discipline. Het stond in geen verhouding tot het door mij opgestelde draaiboek. Ik blijf bij dit standpunt.”

2.21. Tot de stukken behoort een schriftelijke verklaring, gedagtekend 3 maart 2010, van [E]. Hierin staat onder meer het volgende:

“Ondergetekende maakte in de jaren 2000 en 2001 als lid van de golfclub onderdeel uit van de Commissie [Q], welke werd samengesteld door de golfclub en welke grotendeels bestond uit leden van de golfclub. De leden van de golfclub in de Commissie [Q] traden namens de golfclub op als mede-organisator van het golftoernooi en waren verantwoordelijk voor de organisatie van het sportieve gedeelte ten aanzien van het golftoernooi. (…) De functie van ondergetekende bij het golftoernooi was die van Vice-Voorzitter Commissie [Q]. (…)

Voor het golftoernooi werd door de golfclub gebruik gemaakt van vrijwilligers. (…) De rol van de golfclub hield op dit vlak het volgende in:

- De golfclub wierf de benodigde vrijwilligers voor het golftoernooi en hield het toezicht op de vrijwilligers gedurende het golftoernooi;

- De vrijwilligers voor het golftoernooi werden geselecteerd door de golfclub;

- De vrijwilligers konden zich vrijelijk laten vervangen door derden;

- De golfclub kwam met de vrijwilligers overeen om bepaalde werkzaamheden gedurende het golftoernooi uit te voeren tegen een door de golfclub vastgestelde vergoeding;

- De hoogte van de vergoeding werd ter goedkeuring voorgelegd aan [belanghebbende];

- De met de vrijwilligers overeengekomen vergoeding werd door de golfclub uitbetaald. De verantwoordelijke Commissie [Q] leden en/of hoofden van dienst verkregen de vergoedingen in bulkbedragen (na ondertekening van een declaratieformulier) van de boekhouder van [belanghebbende], welke laatste tijdens het golftoernooi de rol van kassier van het toernooi vervulde. De Commissie [Q] leden en/of hoofden van dienst distribueerden vervolgens de vergoedingen aan de desbetreffende vrijwilligers.

- De vrijwilligers hadden alleen jegens de golfclub een recht op betaling van de overeengekomen vergoeding;

- De golfclub moest erop toezien dat de vrijwilligers de benodigde werkzaamheden uitvoerden en wel op de juiste wijze. In het geval [belanghebbende] op- en/of aanmerkingen had op een der vrijwilligers, werd dat gemeld aan het desbetreffende Commissie [Q] lid.

- In het kader van het bovenstaande was de golfclub de contactpersoon voor de vrijwilligers indien de vrijwilligers bijvoorbeeld verhinderd waren, vragen hadden dan wel tegen problemen opliepen.

(…) Zoals eveneens schriftelijk overeengekomen (…), was [belanghebbende] onder andere verantwoordelijk voor de financiering van het toernooi. Deze verantwoordelijkheid bracht met zich mee dat [belanghebbende] ten aanzien van de vrijwilligers enkel verplicht was de golfclub van de benodigde gelden te voorzien om de golfclub in staat te stellen de overeengekomen vergoeding met de vrijwilligers aan hen te kunnen uitbetalen. Van enige bemoeienis van [belanghebbende] met de vrijwilligers was geen sprake.”

Met dagtekening 9 november 2010 heeft [E] het volgende aan de gemachtigde van belanghebbende geschreven:

“U heeft mij verzocht te laten weten, of ik nog steeds achter de verklaring sta die ik in maart van dit jaar heb ondertekend. Ik heb deze verklaring opnieuw bekeken. Op punten is zij niet (helemaal) juist. Het gaat om het volgende:

Volgens het derde gedachtestreepje konden vrijwilligers zich vrijelijk laten vervangen door derden. Bij ‘vrijwilligers’ denk ik in de eerste plaats aan mensen die niet werden betaald. Deze konden zich in voorkomend geval laten vervangen. Ik begrijp dat het bij de getuigenverhoren vooral over de chauffeurs ging. Daarvoor geldt dat volgens mij niet.

In het vierde, vijfde en zesde gedachtestreepje staat een paar keer dat de vergoedingen door de golfclub werden bepaald. Dat is niet juist. Volgens mij stonden de vergoedingen van te voren vast.

Verder wordt in de verklaring gesteld dat de desbetreffende bedragen werden uitbetaald na ondertekening van een declaratieformulier. Ik heb nooit een declaratieformulier gezien. Volgens mij kwam er aan de uitbetaling niet meer te pas, dan dat voor ontvangst werd getekend.

Voor het overige geeft de verklaring de gang van zaken goed weer. Met inachtneming van het bovenstaande sta ik daar nog steeds achter.”

3. Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of er tussen belanghebbende en de ‘ingeschakelde personen’ sprake is van een dienstbetrekking hetgeen de inspecteur stelt en belanghebbende betwist.

Indien het gelijk aan belanghebbende is, dient de naheffingsaanslag te worden vernietigd. Indien het gelijk aan de inspecteur is, is de hoogte van de naheffingsaanslag als zodanig niet in geschil.

Als gevolg van een door de inspecteur in hoger beroep nader ingenomen standpunt is tussen partijen niet meer in geschil dat de boete dient te worden vernietigd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964, bepaalt, voor zover hier van belang, dat een werknemer is, de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Een privaatrechtelijke dienstbetrekking vloeit voort uit een arbeidsovereenkomst. In artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat de arbeidsovereenkomst de overeenkomst is waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

Essentieel voor een dienstbetrekking zijn de volgende drie elementen:

- de gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;

- de verplichting van de werknemer tot het persoonlijk verrichten van arbeid;

- de verplichting van de werkgever om loon te betalen.

Gezagsverhouding

4.2. Een gezagsverhouding is aanwezig wanneer de opdrachtgever het recht heeft aanwijzingen te geven met betrekking tot de inhoud van de werkzaamheden en de wijze van uitvoering daarvan, en degene die de arbeid verricht gehouden is die aanwijzingen op te volgen. Niet noodzakelijk is dat de werkgever in feite van zijn bevoegdheid gebruik maakt (vergelijk onder meer HR 7 februari 2001, nr. 35 760, BNB 2001/293).

Naar het oordeel van het Hof is in dezen ten aanzien van de ‘ingeschakelde personen’ sprake van een gezagsverhouding in de hiervoor bedoelde zin. Het Hof komt tot dat oordeel op grond van de getuigenverklaringen van [M], [D] en [N], waaruit het Hof afleidt dat de ‘ingeschakelde personen’ direct – dan wel indirect via de hoofden van dienst – aanwijzingen en instructies dienden op te volgen van de leden van de Commissie [Q], en de omstandigheden dat volgens beide overgelegde ‘draaiboeken’ de ‘ingeschakelde personen’ bepaalde nader omschreven diensten moesten draaien waarbij de werktijden en de invulling van de werkzaamheden vrij nauwkeurig zijn omschreven, dat zij voorgeschreven kleding moesten dragen en dat de chauffeurs van de courtesy cars een contract moesten tekenen waarin zij moesten verklaren zich te houden aan een aantal daarin omschreven bepalingen. Het Hof heeft daarbij in zijn overwegingen betrokken dat niet aannemelijk is geworden – zo belanghebbende dat al heeft willen stellen – dat de feitelijke gang van zaken afweek van hetgeen in de ‘draaiboeken’ is opgenomen. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in eerste aanleg is van de zijde van belanghebbende verklaard “Grotendeels gebeurde het cf. draaiboek”, waarmee met ‘draaiboek’ wordt gedoeld op het onder 2.15 van deze uitspraak geciteerde stuk.

Persoonlijke dienstverrichting

4.3. Tussen partijen is niet langer in geschil dat de chauffeurs verplicht waren de arbeid persoonlijk te verrichten. Ten aanzien van de andere – anders dan op de chipping green - ‘ingeschakelde personen’ verenigt het Hof zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.2.2. van haar uitspraak voor zover hieronder geciteerd:

“De rechtbank acht het (…) vanwege het karakter van het evenement en de commerciële belangen van eiseres bij het welslagen en de continuering in de toekomst daarvan, niet aannemelijk dat een vrijwilliger uit eigen beweging een willekeurige derde kon inschakelen om de door hem of haar te verrichten werkzaamheden te laten uitvoeren.

Verder leidt de rechtbank uit het Draaiboek af dat een zekere mate van representativiteit en betrouwbaarheid van de vrijwilligers werd verlangd. De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat de schoonmakers werden ingezet in de kleedkamers en het resterende deel van het clubhuis, terwijl de toiletgroep ook werd ingezet voor het schoonhouden van de toiletten in de baan en het feit dat nadrukkelijk werd gestreefd naar schadebeperking aan onder andere courtesy cars en buggies.”.

Het Hof vindt bevestiging voor deze beslissing in de getuigenverklaringen voor het Hof. Hoewel de kwestie daar aan de orde is gesteld heeft geen van de getuigen verklaard dat de ’ingeschakelde personen’ zich vrijelijk konden laten vervangen. [E], die aanvankelijk schriftelijk verklaarde dat “vrijwilligers (…) zich vrijelijk [konden] laten vervangen door derden”, heeft later schriftelijk verklaard dat zij “bij ‘vrijwilligers’ (…) in de eerste plaats [denkt] aan mensen die niet werden betaald.”

Het Hof acht dan ook aannemelijk dat ook de voor het ‘Buggy team’, het ‘A-team’, de toiletten en de schoonmaakwerkzaamheden ‘ingeschakelde personen’ zich niet vrijelijk konden laten vervangen en dat zij de verplichting hadden de arbeid persoonlijk te verrichten.

Loonbetalingen

4.4. Belanghebbende heeft betoogd dat de vergoedingen bestemd waren als een onkostenvergoeding. Ten aanzien van het punt van de onkostenvergoedingen heeft de rechtbank onder 4.2.3. onder meer overwogen:

[Belanghebbende] heeft weliswaar gesteld dat het daarbij alleen ging om een onkostenvergoeding, doch is er niet in geslaagd dit aannemelijk te maken. Desgevraagd heeft [belanghebbende] ter zitting meegedeeld dat aan de uitbetalingen geen kostendeclaraties ten grondslag lagen. De onkosten zouden hebben bestaan uit reis- en verblijfkosten, bijvoorbeeld voor studenten uit Groningen die in Den Haag moesten worden gehuisvest, en vergoedingen voor versnaperingen, anders dan de lunch. De eveneens verstrekte cateringvergoeding zou bedoeld zijn om de kosten van de lunch te bestrijden. Gelet op de hoogte van de verstrekte cateringvergoeding acht de rechtbank het onaannemelijk dat die uitsluitend bedoeld was ter bestrijding van de kosten van de lunch. De chauffeurs kregen voorts lunchpakketten uitgereikt. Voor in ieder geval de leden van het buggyteam en van het A-team was het niet nodig kosten te maken voor hun verblijf, aangezien de organisatie voor hun huisvesting zorgde, zoals blijkt uit het Draaiboek. Ten aanzien van de chauffeurs acht de rechtbank aannemelijk dat een aantal van hen uit verder weg gelegen steden moest komen, doch zij kregen de beschikking over een auto zodat zij eenvoudig in staat waren ook buiten de directe omgeving van het toernooi een overnachtingsplaats te bezoeken”.

Het Hof verenigt zich met deze overwegingen van de rechtbank. Ook met hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd is niet aannemelijk gemaakt dat de ‘ingeschakelde personen’ slechts vergoedingen voor kosten zouden hebben ontvangen.

4.5. Van de zijde van belanghebbende is voorts gesteld dat de vergoedingen duidelijk in een wanverhouding staan tot de omvang van de verrichte werkzaamheden zodat van enig beloningselement geen sprake was. Gelet op hetgeen in de draaiboeken is vermeld omtrent de hoogte van de aan de ‘ingeschakelde personen’ uit te betalen bedragen verwerpt het Hof dit niet nader door belanghebbende onderbouwde – en door de inspecteur bestreden – betoog en ziet het, evenals de rechtbank, geen grond voor het oordeel dat de bedragen in kwestie voor in wezen niet of nauwelijks geschoolde arbeid niet als marktconform zouden kunnen worden aangemerkt

4.6. Belanghebbende heeft niet betwist – en dat zou ook volstrekt onaannemelijk zijn geweest – dat er geen verplichting bestond de ‘ingeschakelde personen’ vergoedingen te betalen. Het Hof acht wel aannemelijk dat de feitelijke uitbetaling van de vergoedingen niet rechtstreeks plaatsvond door belanghebbende maar door tussenkomst van anderen (leden van de Commissie [Q] en/of hoofden van dienst) die de hiertoe benodigde gelden middels declaraties ontvangen van belanghebbende.

Dienstbetrekking, tussenconclusie

4.7. Uit het hiervoor overwogene volgt derhalve dat aan de vereisten voor de aanwezigheid van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan. Van belang is dan nog slechts of de dienstbetrekkingen van de ‘ingeschakelde personen’ bestonden met belanghebbende of met een of meer anderen (zoals de golfclubs).

Dienstbetrekkingen met belanghebbende?

4.8. Het Hof stelt voorop dat een werkgever de nadere bepaling van de door werknemer te verrichten werkzaamheden kan overlaten aan een derde (vgl. HR 23 mei 1980, NJ 1980, 633).

4.9. Vaststaat dat ten behoeve van de organisatie van de toernooien in de verschillende jaren telkens een Commissie [Q] is samengesteld. Deze bestond uit een aantal leden van de desbetreffende golfclub en een of meer medewerkers van belanghebbende. De leden van de Commissie [Q] waren elk verantwoordelijk voor een of meer onderdelen van de organisatie van het toernooi en zij hadden ten behoeve van de uitvoering een of meer hoofden van dienst onder zich.

4.10. Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht het Hof het aannemelijk dat de Commissie [Q] in de onderhavige jaren voor de organisatie gebruik maakte van de tot de gedingstukken behorende draaiboeken, dan wel van stukken met een vergelijkbare inhoud. Voorts is aannemelijk geworden dat die stukken/draaiboeken zijn samengesteld naar aanleiding van uit het verleden tijdens de organisatie van de toernooien opgedane ervaringen door (de rechtsvoorganger van) belanghebbende en door de leden van de verschillende Commissies [Q] die er in de loop der tijd zijn geweest en dat aldus ook de bepalingen in de draaiboeken over de hoogte van de vergoedingen en de taken voor de ‘ingeschakelde personen’ op die wijze tot stand zijn gekomen. Het Hof merkt hierbij op dat de tot de gedingstukken behorende draaiboeken op de kaft, dan wel boven aan elke bladzijde de naam van belanghebbende vermelden.

4.11. Uit de contracten A, B en C, die zijn vermeld in de onderdelen 2.4 tot en met 2.6 van deze uitspraak, leidt het Hof af dat de [F], de betreffende golfclub en belanghebbende zijn overeengekomen dat belanghebbende het toernooi feitelijk organiseert. Deze overeenkomsten vermelden immers allemaal dat : “[F] de feitelijke organisatie delegeert aan [belanghebbende]”.

4.12. Uit de getuigenverklaring van [M], voorzitter van de Commissie [Q] in 2001 (onderdeel 2.17) en van [D], lid van de Commissie [Q] in 2001 (onderdeel 2.19) leidt het Hof af dat in de perceptie van (die leden van) de Commissie [Q] belanghebbende bij de toernooien leidend was en dat de Commissie [Q] slechts uitvoerende taken vervulde. [M] verklaarde: “[Belanghebbende] was onze baas en [belanghebbende] was de baas van het toernooi. Zo zag ik dat.” en “Wij , als Commissie [Q], waren uitvoerder van het toernooi.” en: “De Commissie [Q] kreeg aanwijzingen van [belanghebbende]. [Belanghebbende] bepaalde het toernooi; [belanghebbende] was de organisator (…) Er was een draaiboek beschikbaar. Daar stond in hoe [belanghebbende] het wilde hebben.” en verder “De Commissie [Q] was uitvoerend namens [belanghebbende] en niet namens de golfclub. Het risico zou anders te groot zijn voor de golfclub.”

[D] verklaarde: “In mijn perceptie was [belanghebbende] de organisator van het toernooi. [Belanghebbende] was ‘all over’ organiserend. De Commissie [Q] was uitvoerend namens [belanghebbende] en de golfclub.”

4.13. De perceptie van de leden van de Commissie [Q] dat belanghebbende het toernooi organiseerde en dat zij de aanwijzingen van belanghebbende dienden op te volgen, staat niet op zichzelf, nu [L] als voorzitter van de [Golf Club G] schriftelijk heeft verklaard (onderdeel 2.16): “De contracten uit die jaren geven eenduidig en expliciet aan dat – anders dan de suggestie in uw brief aan ons van 9 april – zowel de formele als ook de feitelijke organisatie van het event lag bij [belanghebbende]”, en “De mensen van de [Golf Club G] in de Commissie [Q] hadden als taak vanuit hun thuispositie - de terbeschikkingstellers van de accommodatie - de organisatie te ondersteunen en met name ook in te vullen de in het contract afgesproken inspanningsverplichting: [Golf Club G] zal trachten te bevorderen dat in de week van het [Y] zoveel mogelijk vrijwilligers en/of betaalde krachten beschikbaar zijn voor een aantal werkzaamheden;”.

4.14. Vaststaat voorts dat belanghebbende het toernooi financierde en dat zij aldus, als onderdeel daarvan, zorgde voor de (financiële) middelen waarmee de ‘ingeschakelde personen’ konden worden betaald.

4.15. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.9. tot en met 4.14., in onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat de Commissie [Q] weliswaar de ‘ingeschakelde personen’ (direct dan wel indirect via de hoofden van dienst en/of andere leden van de golfclubs) rekruteerde, aanwijzingen en instructies gaf aan deze personen, en dat zij hen de overeengekomen vergoedingen feitelijk uitbetaalde, maar dat die gedragingen moeten worden aangemerkt als gedragingen van belanghebbende. De Commissie [Q] moet worden gezien als een ‘derde’ als bedoeld in overweging 4.8.

4.16. Alsdan is sprake van dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en de ‘ingeschakelde personen’ waaraan niet afdoet dat de ‘ingeschakelde personen’ wellicht niet op de hoogte waren van de rol van belanghebbende (en mogelijk zelfs geen weet hadden van het bestaan van belanghebbende) en zich in dat verband ook niet hebben gerealiseerd dat tussen hen en belanghebbende een dienstbetrekking bestond.

4.17. Het Hof verwerpt het betoog van belanghebbende inhoudende dat indien sprake is van dienstbetrekkingen met de ‘ingeschakelde personen’, die personen in dienstbetrekking stonden tot de golfclubs en niet tot haar. De stukken en het verhandelde ter zittingen bevatten onvoldoende grond voor het in aanmerking nemen van een dienstbetrekking met de golfclubs. De omstandigheden waarop belanghebbende wijst, zoals dat de Commissie [Q] voornamelijk bestond uit leden van de golfclub en dat de golfclub volgens overeenkomst C (onderdeel 2.6) de ‘ingeschakelde personen’ rekruteerde, zijn daartoe gelet op het oordeel van het Hof over de positie van de Commissie [Q] (zie overweging 4.15) onvoldoende.

4.18. Voorgaande betekent dat de ‘ingeschakelde personen’ tot belanghebbende in een dienstbetrekking stonden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. De aan de ‘ingeschakelde personen’ uitbetaalde vergoedingen vormen dan ook loon waarover belanghebbende LB/PVV had moeten inhouden en afdragen over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2003. De naheffing is alsdan terecht.

Boetebeschikking

4.19. Ten aanzien van de boete heeft de inspecteur in zijn brief van 15 november 2010 verklaard dat er geen plaats is voor een vergrijpboete en dat het beroep in zoverre gegrond is. De boetebeschikking dient derhalve te worden vernietigd.

4.20. Nu de boete komt te vervallen kan belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel verder onbesproken blijven, aangezien belanghebbende ter zitting van 16 maart heeft verklaard dit beroep alleen te handhaven ten aanzien van de boete.

De slotsom

4.21. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak van de inspecteur en de boetebeschikking vernietigen.

5. Kosten

Nu het door belanghebbenden ingestelde hoger beroep gegrond is en de uitspraak van de rechtbank om die reden wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep en in hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief in beroep op: 2 (voor proceshandelingen: beroepschrift (1 punt) en zitting (1 punt)) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322 (waarde per punt) = € 644 en in hoger beroep op: 3,5 (voor proceshandelingen: beroepschrift (1 punt), zitting (1 punt) en schriftelijke inlichtingen (0,5 punt) en 2 nadere zittingen ( ad 0,5 punt per nadere zitting)) x 1 (gewicht van de zaak) x € 322 (waarde per punt) = € 1.127.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- handhaaft de naheffingsaanslag;

- vernietigt de boetebeschikking;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbenden tot een bedrag van € 644 in beroep en tot een bedrag van € 1.127 in hoger beroep, ofwel in totaal tot een bedrag van € 1.771; en

- gelast de inspecteur aan belanghebbenden het betaalde griffierecht ad € 281 in verband met het beroep bij de rechtbank en ad € 428 in verband met het hoger beroep bij het Hof te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter van de belastingkamer, A.M. van Amsterdam en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers, als griffier. De beslissing is op 6 januari 2011 in het openbaar uitgesproken.

.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.