Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP5111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2011
Datum publicatie
23-02-2011
Zaaknummer
09/00732
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een perceel dat zowel voor als na de aankoop ervan uitsluitend en op dezelfde wijze binnen de onderneming is aangewend, behoort niet tot het verplichte privévermogen. Indien al niet sprake was van verplicht ondernemingsvermogen behoorde het perceel tot het keuzevermogen. Het Hof leidt uit de feiten af dat is gekozen voor ondernemingsvermogen. Van de keuze kan niet worden teruggekomen omdat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.8, geldigheid: 2011-02-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2011, 563 met annotatie van deJonge
FutD 2011-0478

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk: P09/00732

17 februari 2011

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A], te [Z], belanghebbende,

en het incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor [D], de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 08/4504 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 5 maart 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.512.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 20 mei 2008, de aanslag gehandhaafd.

Bij uitspraak van 17 september 2009 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 3 november 2009. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft bij brief van 15 januari 2010 gereageerd op het incidentele hoger beroep van de inspecteur.

Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld, heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend.

Bij brief van 11 november 2010 is namens belanghebbende een pleitnota aan het Hof gezonden. Een afschrift hiervan is toegezonden aan de inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2010. Tijdens deze zitting is de zaak gelijktijdig behandeld met het hoger beroep met kenmerk nr. 09/00733 van [A] tegen voormelde uitspraak van de rechtbank. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. De rechtbank heeft onder meer de navolgende feiten vastgesteld, waartegen door partijen in zoverre geen bezwaren zijn ingebracht, en waarvan ook het Hof zal uitgaan. Belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote [A] (hierna: mw. [A]) worden daarin gezamenlijk aangeduid als ‘eisers’, de inspecteur als ‘verweerder’.

2.1. Eisers exploiteerden in maatschapsverband een stierenmesterij aan de [b-straat] te [C]. Op 17 september 1996 hebben zij hun aldaar gelegen boerderij, opstallen en circa 3 hectare grond verkocht aan de gemeente [D], waarna de boerderij en de grond tot het moment van staking van de onderneming (31 oktober 2000) in gebruik is gegeven aan eisers ten behoeve van de bedrijfsuitoefening. Deze grond is gelegen in het stadsontwikkelingsgebied [E] te [D]. Deze bestemmingswijziging is in 1995 tot stand gekomen.

2.2. In juni 1996 hebben eisers een door hen gepacht perceel weiland van circa 0,5 hectare (hierna: het perceel grond), eveneens gelegen aan de [b-straat] en eveneens gelegen binnen het stadsontwikkelingsgebied [E], aangekocht. (…)

Eisers hebben het perceel grond vanaf de aankoop tot aan de staking van hun onderneming op 31 oktober 2000 binnen hun onderneming aangewend.

2.3. Vanaf [het Hof leest: Na] de aankoop hebben eisers het perceel grond [het Hof voegt toe: in hun aangiften voor het jaar 1996] tot hun privévermogen gerekend. Naar aanleiding van een onderzoek door de Belastingdienst in februari 1998 heeft verweerder [het Hof voegt toe: bij de aanslagregeling voor het jaar 1996] de grond geheretiketteerd tot ondernemingsvermogen. Eisers hebben zich aan dit standpunt van verweerder geconformeerd en hebben het perceel grond vanaf 1998 [het Hof leest: sedertdien] tot aan de verkoop van het perceel grond in 2005 als ondernemingsvermogen aangemerkt.

2.4. In 2005 hebben eisers het perceel grond verkocht aan de gemeente [D]. In de periode na de staking van de onderneming tot de verkoop heeft de grond braak gelegen. De aan de grond gekoppelde ontwikkelingsrechten zijn in 2005 verkocht aan [F] [het Hof voegt toe: en [G], de toenmalige vriend van een van de dochters] van eisers.

2.5. Eisers hebben terzake van de winst behaald bij de verkoop van het perceel grond ieder een bedrag van € 33.514 in hun aangiften ib/pvv 2005 vermeld. De berekening luidt als volgt:

[b-straat]

Opbrengst verkoop € 180.382

Kosten verkoop € 4.786

Boekwaarde € 108.568

-----------------------------------

Saldo winst € 67.028

Eiser € 33.514

Eiseres € 33.514.

2.6. Verweerder heeft bij de vaststelling van de aanslagen de aangegeven inkomens uit werk en woning gecorrigeerd met ieder € 37.500 ter zake van winst behaald met aan de verkoop van het perceel grond gekoppelde ontwikkelingsrechten ter grootte van in totaal € 75.000.

2.7. In de bezwaarfase hebben eisers (…) het standpunt ingenomen dat het perceel grond dient te worden aangemerkt als verplicht privévermogen en dat het behaalde voordeel derhalve onbelast is.

2.8. Verweerder blijft evenwel van mening dat het perceel grond dient te worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen en heeft daarom de aanslag van eiser gehandhaafd. (…)”

2.2. In aanvulling hierop stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.2.1. Ter zitting in hoger beroep is namens belanghebbende verklaard dat het in juni 1996 aangekochte weiland (hierna: het perceel) vóór de aankoop door hem werd gepacht en binnen zijn onderneming werd aangewend. Het toenmalige pachtrecht van het perceel behoorde tot het ondernemingsvermogen. Belanghebbende had als pachter een voorkeursrecht tot koop. Na de aankoop van het perceel is de aanwending daarvan tot aan de staking van de onderneming op 31 oktober 2000 ongewijzigd voortgezet. Blijkens het beroepschrift in hoger beroep was het perceel in gebruik als weiland voor (kuil)gras en hooi voor de koeien.

2.2.2. In het concept van de koopovereenkomst, dat tot de stukken behoort, is het volgende opgenomen:

“Ondergetekenden:

(…) verkoper,

en

[belanghebbende en mw. [A]], koper,

Verklaren op 20 juni 1996 een overeenkomst van verkoop en koop te hebben gesloten betreffende: [het perceel] (…), hierna te noemen het verkochte,

(…)

11. Koper is voornemens het verkochte als object ter realisatie van bouwproductie van woningen te gebruiken.”

2.2.3. Bij het indienen van de aangifte IB/PVV 1996 heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat het perceel tot zijn privévermogen behoorde. Naar aanleiding van een onderzoek door de Belastingdienst in februari 1998 heeft de inspecteur gesteld dat het perceel dient te worden aangemerkt als ondernemingsvermogen. De desbetreffende tekstpassage van het onderzoeksrapport uit 1998 luidt als volgt:

“3.1 Aankoop grond [b-straat].

In 1996 is 0.52.25 ha. grond die voorheen werd gepacht aangekocht voor f. 235.125,- plus kosten f. 16.518.-.

Het was de bedoeling deze grond in het kader van de ontwikkeling van plan ‘[E]’ door te verkopen. De wet voorkeursrecht gemeente[n] is inmiddels op deze grond van toepassing en dit maakt verkoop buiten de gemeente om onmogelijk.

Deze grond was en is bij het bedrijf in gebruik en behoort tot het bedrijfsvermogen. Deze grond is ten onrechte aangemerkt als privé vermogen”.

De aangifte voor het jaar 1996 is op dat punt gecorrigeerd en belanghebbende heeft daar geen bezwaar tegen gemaakt. Ter zitting in hoger beroep is komen vast te staan dat belanghebbende, conform het door de inspecteur ingenomen standpunt, het perceel na de controle door de Belastingdienst in 1998 op zijn ondernemingsbalans heeft vermeld en het perceel in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 1997 en volgende steeds als ondernemingsvermogen heeft verantwoord. Ook in de periode na de staking op 31 oktober 2000 tot aan de verkoop van het perceel aan de gemeente in 2005 is belanghebbende in zijn aangiften IB/PVV het perceel tot zijn ondernemingsvermogen blijven rekenen. De aanslagen IB/PVV over de jaren 1996 tot en met 2004 staan onherroepelijk vast.

2.2.4. Tot de stukken behoort een brief van de inspecteur van 5 juni 1997 aan [H] met een overzicht van de gemaakte afspraken over de fiscale behandeling van de verkopen van agrarisch onroerend goed binnen het plan ‘[E]’. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen:

“10. Percentage belaste/onbelaste bestemmingswijzigingswinst.

Van de bestemmingswijzigingswinst wordt 60% aangemerkt als onbelaste winst onder de voorwaarden dat alle betrokkenen schriftelijk akkoord gaan met de gemaakte afspraken en de in deze brief genoemde afspraken het uitgangspunt zijn voor de berekening van de bestemmingswijzigingswinst.

11. Duur en reikwijdte van de gemaakte afspraken.

Het percentage van 40% belaste bestemmingswijzigingswinst wordt gehanteerd voor verkopen niet gelegen binnen het bedrijventerrein zolang er sprake is van ongewijzigde situatie (uitgaande van februari 1997). Wanneer zich ontwikkelingen voordoen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat voor het gehele plan of voor een dan verkocht perceel een ander verwachtingspatroon voor het tijdstip van ontwikkeling kan worden vastgesteld wordt de toepassing van de landbouwvrijstelling beoordeeld naar het tijdstip van verkoop.

De overige gemaakte afspraken zijn ook van toepassing op toekomstige verkopen. Dit voor zover er zich geen onvoorziene ontwikkelingen voordoen waardoor de gemaakte afspraken geen realiteitswaarde meer hebben.”

3. Het geschil in eerste aanleg

De rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven:

“In geschil is of het voordeel behaald bij de verkoop van het perceel en de ontwikkelingsrechten belast is als winst uit onderneming. In dit kader is in het bijzonder in geschil of het perceel (verplicht) ondernemingsvermogen vormt. In het geval voorgaande vraag ontkennend beantwoord wordt, is in geschil of het bij de verkoop behaalde voordeel als resultaat uit overige werkzaamheden moet worden belast.

Niet in geschil is dat de ontwikkelingsrechten van het perceel grond zo nauw verbonden zijn met het perceel grond dat de etikettering van de ontwikkelingsrechten de etikettering van de grond volgt”.

4. Het oordeel van de rechtbank

4.1. De rechtbank heeft geoordeeld, samengevat weergegeven, dat belanghebbende het perceel vanaf de aankoop tot zijn privévermogen had moeten rekenen en dat daarom het bij de verkoop van het perceel en de ontwikkelingsrechten behaalde voordeel niet tot de winst uit onderneming kan worden gerekend.

4.2. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld, samengevat weergegeven, dat het voordeel moet worden belast als resultaat uit overige werkzaamheden en dat de inspecteur het voordeel daarom terecht tot belanghebbendes inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

5. Het geschil in hoger beroep

5.1. Belanghebbende heeft zich in (principaal) hoger beroep gekeerd tegen de in 4.2. vermelde beslissing van de rechtbank; de inspecteur heeft in incidenteel hoger beroep de in 4.1. vermelde beslissing bestreden.

5.2. Het geschil in hoger beroep is gelijk aan het geschil in eerste aanleg. Partijen beroepen zich op de door hen in eerste aanleg en in hoger beroep ingenomen stellingen, waarvoor het Hof verwijst naar de gedingstukken.

5.3. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verduidelijkt dat, indien het Hof oordeelt dat het bij de verkoop van het perceel en de ontwikkelingsrechten behaalde voordeel tot de winst uit onderneming behoort, hij uitdrukkelijk het subsidiaire standpunt handhaaft dat alsdan op grond van de in 2.2.4. vermelde afspraak tussen [H] en de inspecteur slechts 40% van de behaalde winst belast dient te worden.

6. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

6.1. Het Hof zal allereerst beoordelen of het perceel als ondernemingsvermogen of als privévermogen moet worden aangemerkt.

6.2.1. Met betrekking tot het doel waarmee belanghebbende het perceel heeft aangekocht, heeft de rechtbank als een tussen partijen vaststaand feit aangemerkt (r.o. 2.2. van de uitspraak van de rechtbank):

“Doel was om deze grond in het kader van de ontwikkeling van plan [E] door te verkopen ter realisatie van woningbouw”.

Bij de behandeling van het hoger beroep is evenwel gebleken dat te dezer zake niet van een vaststaand feit kan worden gesproken.

6.2.2. Belanghebbende stelt dat het perceel moet worden aangemerkt als privévermogen. Hij stelt dat er sprake is van keuzevermogen en dat hij het perceel heeft mogen etiketteren als privévermogen. Hij voert daartoe aan dat het perceel weliswaar binnen de onderneming is gebruikt, maar dat de aankoop van het perceel uit privé-overwegingen plaatsvond. Het perceel is aangekocht nadat in 1995 een bestemmingswijziging van de betreffende grond had plaatsgevonden als gevolg waarvan het perceel sindsdien de bestemming woningbouw had.

Hij stelt dat het perceel is aangekocht met de intentie om er woningen op te laten bouwen voor de dochters van belanghebbende en mw [A] en indien dat uiteindelijk niet mogelijk zou blijken te zijn, het perceel in de onderhandelingen met de gemeente te gebruiken om op een andere locatie binnen het stadsontwikkelingsgebied [E] voor de dochters bouwkavels te verkrijgen. Het perceel is dan ook in de aangifte over 1996 bewust als privévermogen aangemerkt. Het perceel is in latere jaren weliswaar als ondernemingsvermogen verantwoord, maar dat is slechts op aanwijzing van de Belastingdienst gebeurd, na een controle in 1998. Belanghebbende voert aan dat hij de stelling van de Belastingdienst dat er sprake is van ondernemingsvermogen nooit schriftelijk heeft bevestigd. Het perceel is uiteindelijk in 2003 doorverkocht aan derden, hetgeen het gevolg was van gewijzigde familieomstandigheden, aldus belanghebbende.

6.2.3. De inspecteur stelt dat het perceel tot het verplichte ondernemingsvermogen behoort.

Ter zitting in hoger beroep heeft hij zijn standpunt gehandhaafd dat belanghebbende ten tijde van de aankoop de intentie had dit perceel met winst door te verkopen en dat dit voornemen pas later werd doorkruist door de vestiging van een voorkeursrecht voor de gemeente [D] op dit perceel.

De inspecteur betwist dat belanghebbende het perceel voor privédoeleinden heeft verworven.

6.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel steeds in de onderneming van belanghebbende is gebruikt; zowel vóór de aankoop in 1995 als daarna, tot de staking op 31 oktober 2000. Voorts staat vast dat belanghebbende het perceel in zijn jaarstukken en in zijn aangiften steeds als ondernemingsvermogen heeft verantwoord, althans sinds het onderzoek door de Belastingdienst in 1998 en dat hij tegen de correctie van de aangifte over 1996 waarin belanghebbende het perceel aanvankelijk als privévermogen had verantwoord, geen bezwaar heeft gemaakt.

6.4. Het Hof volgt de rechtbank niet in het oordeel dat er sprake is van verplicht privévermogen. Tot het verplichte privévermogen behoren vermogensbestanddelen die naar hun aard als privévermogen kwalificeren of (nagenoeg) geen band met de bedrijfsuitoefening hebben. In het onderhavige geval waarin een weiland, dat werd gebruikt voor (kuil)gras en hooi voor de koeien, zowel voor als na de aankoop ervan uitsluitend en op dezelfde wijze binnen de onderneming werd aangewend, dient de conclusie te luiden dat het perceel een (ongewijzigde) functie bleef vervullen in belanghebbendes onderneming en dat geen sprake is van het tijdelijk aanwenden van deze grond in belanghebbendes onderneming in afwachting van een andere bestemming. Het Hof weegt hierbij mee dat het pachtrecht op het perceel reeds tot belanghebbendes ondernemingsvermogen behoorde en dat belanghebbende het perceel van de verpachter heeft kunnen aankopen door gebruik te maken van zijn in de pachtovereenkomst vastgelegde voorkeursrecht tot koop.

De omstandigheid dat het bestemmingsplan is gewijzigd op grond waarvan het perceel is komen te liggen binnen een gebied dat is bestemd voor woningbouw, doet aan het voorgaande niet af. Ook indien het Hof belanghebbende volgt in diens stelling dat de grond is aangekocht uit privé-motieven, leidt dit, gelet op de voortdurende en ongewijzigde aanwending van het perceel binnen de onderneming, zoals hiervoor overwogen, niet tot de conclusie dat er sprake is van verplicht privévermogen.

6.5. Indien, gelet op de aanwending van het perceel binnen belanghebbendes onderneming, niet al moet worden gezegd dat het perceel verplicht ondernemingsvermogen vormde, is in elk geval sprake geweest van keuzevermogen waarbij het Hof uit de feiten en omstandigheden, als vermeld onder 6.3., afleidt dat belanghebbende de keuze heeft gemaakt voor ondernemingsvermogen. Gelet op de na de aankoop ongewijzigde aanwending van het perceel binnen zijn onderneming heeft belanghebbende deze keuze voor ondernemingsvermogen ook redelijkerwijs kunnen maken. Ook na de staking van de onderneming op 31 oktober 2000 heeft belanghebbende die keuze in redelijkheid mogen maken, omdat hij - na een discussie met de inspecteur over de mogelijk in aanmerking te nemen waarde van het perceel bij onttrekking aan het ondernemingsvermogen - er toen voor heeft gekozen het perceel tot het ondernemingsvermogen te blijven rekenen in afwachting van een geschikt moment van verkoop; namens belanghebbende is dit ter zitting in hoger beroep uitdrukkelijk bevestigd.

6.6. Nu de aanslagen IB/PVV tot en met het jaar 2004 reeds onherroepelijk vaststaan kan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 26 november 1986, BNB 1987/26, in het onderhavige jaar niet worden teruggekomen van de eerder gemaakte keuze het perceel - en daarmee, zoals volgt uit het onder 3.2 overwogene, de ontwikkelingsrechten - tot het ondernemingsvermogen te rekenen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het is aan belanghebbende om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd tot dergelijke bijzondere omstandigheden. Dat er kwalificerende bijzondere omstandigheden zouden zijn, is echter niet aannemelijk geworden.

De omstandigheid dat belanghebbende van aanvang af de bedoeling zou hebben gehad het perceel voor privédoeleinden te gebruiken, wat daarvan ook zij (de inspecteur heeft deze stelling betwist), is in elk geval niet een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het vermelde arrest. Voor zover belanghebbende op grond van deze omstandigheid in een eerder jaar de keuze zou hebben gehad het perceel tot zijn privévermogen te rekenen, heeft hij dat, gelet op hetgeen onder 6.3 is overwogen, niet gedaan.

Ook de omstandigheid dat het perceel na het stakingstijdstip (31 oktober 2000) braak heeft gelegen levert niet een dergelijke bijzondere omstandigheid op, nu belanghebbende - zoals overwogen onder 6.5 - ervoor heeft gekozen het perceel op het stakingstijdstip tot het ondernemingsvermogen te blijven rekenen, in afwachting van een geschikt tijdstip voor verkoop van dit perceel.

6.7. Uit het hiervoor onder 6.4 tot en met 6.6 overwogene volgt tevens dat belanghebbende zich niet met vrucht kan beroepen op de foutenleer, aangezien slechts sprake zou kunnen zijn van een ‘fout’ in de zin van het bedoelde leerstuk indien het perceel (en de daaraan verbonden ontwikkelingsrechten) vanaf enig jaar vóór het onderhavige boekjaar tot het verplichte privévermogen gerekend zou moeten worden.

6.8. Nu het Hof tot de conclusie is gekomen dat het perceel tot het ondernemingsvermogen van belanghebbende behoort, dient het met de verkoop in 2005 van het perceel en de ontwikkelingsrechten behaalde resultaat tot belanghebbendes winst uit onderneming te worden gerekend.

Aan de vraag of er sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden komt het Hof niet meer toe.

6.9.1. Belanghebbende stelt dat de bij de verkoop van het perceel en de ontwikkelingsrechten behaalde winst slechts voor 40% belast is. Hij beroept zich hierbij op de door de Belastingdienst met de [H] op 5 juni 1997 gemaakte afspraak aangaande fiscale behandeling van verkopen van agrarisch onroerend goed binnen het plan [E], bij welke afspraak belanghebbende stelt zich te hebben aangesloten. De inspecteur heeft betwist dat deze afspraak onder het regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) zijn gelding heeft behouden.

6.9.2. Het Hof acht aannemelijk de stelling van de inspecteur dat de afspraak inzake het als belaste bestemmingswijzigingswinst in aanmerking te nemen gedeelte van de verkoopprijs destijds (in 1997) is gemaakt onder het regime van de destijds (tot 27 juni 2000) geldende landbouwvrijstelling, zoals deze was opgenomen in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964), en dat de afspraak inzake het in aanmerking te nemen percentage een praktische oplossing was ter voorkoming van discussie over de onder dat regime relevante toets dat de vrijstelling bleef gelden wanneer de grond tenminste zes jaar na de vervreemding in de agrarische sfeer bleef aangewend (als invulling van het begrip ‘in de nabije toekomst’ van de wettelijke regeling van artikel 8, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 1964). Met ingang van 27 juni 2000 is de wettelijke regeling inzake de landbouwvrijstelling echter ingrijpend gewijzigd en is het genoemde criterium voor de afbakening van onbelaste bestemmingswijzigingswinst met onmiddellijke ingang vervallen; ook in artikel 3.12 Wet IB 2001 is een dergelijk criterium niet opgenomen.

Gelet op deze omstandigheden is het Hof van oordeel dat deze afspraak, die geschreven is als praktische uitwerking van het onder de toenmalige landbouwvrijstelling geldende toetsingskader, zozeer in strijd met de toepassing van de thans geldende Wet IB 2001 (waarin het desbetreffende criterium niet voorkomt) dat belanghebbende in redelijkheid niet kan vertrouwen op de ongewijzigde toepassing van deze afspraak onder vigeur van de Wet IB 2001.

Slotsom

6.10. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd met verbetering van gronden, als hiervoor aangegeven. Het incidenteel hoger beroep van de inspecteur, waarin de inspecteur stelt dat het perceel tot belanghebbendes ondernemingsvermogen moet worden gerekend, is ongegrond omdat het slagen van deze stelling niet tot een ander (beter) resultaat kan leiden dan de uitspraak van de rechtbank.

7. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, J. den Boer en K. Kooijman, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers als griffier. De beslissing is op 17 februari 2011 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.