Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP4823

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
200.067.415/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kind wordt meerderjarig na de mondelinge behandeling in eerste aanleg en stelt hoger beroep in

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/156

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 1 februari 2011 in de zaak met zaaknummer 200.067.415/01 van:

[…],

wonende op een geheim adres,

APPELLANT,

advocaat: mr. M.B. Meindersma te Beverwijk,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M.R. Roethof te Arnhem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de zoon en de man genoemd.

1.2. De zoon is op 2 juni 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 9 maart 2010 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 160863/2009-2840 en 165468/2010-131.

1.3. De man heeft op 26 juli 2010 een verweerschrift en op 24 september 2010 nadere stukken ingediend.

1.4. De zaak is op 7 oktober 2010 ter terechtzitting behandeld. De behandeling van de zaak is aangehouden om de man in de gelegenheid te stellen zich door zijn advocaat te laten vertegenwoordigen. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt dat zich onder de stukken bevindt.

1.5. De mondelinge behandeling is voortgezet op 8 december 2010.

1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de zoon, bijgestaan door zijn advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. De man is [in] 1979 gehuwd met […] (hierna: de vrouw). Hun huwelijk is op 8 april 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 9 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is op [in] 1992 de zoon geboren.

2.2. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1957. Hij is alleenstaand.

Hij ontvangt een WAO-uitkering die door zijn voormalig werkgever [...] wordt betaald. Deze uitkering bedroeg volgens de specificaties over augustus en november 2009 € 1.237,- netto per maand, exclusief vakantietoeslag. Blijkens bankafschriften bedroeg zijn netto salaris in de maanden augustus en oktober 2010 € 1.251,-. In de maand september 2010 bedroeg zijn netto salaris € 1.601,-.

Aan huur en enige servicekosten betaalt hij € 591,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 92,- per maand. Hij ontvangt een zorgtoeslag van € 8,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 165,- per jaar. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon te bepalen van € 300,- per maand, afgewezen.

3.2. De zoon verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vrouw alsnog toe te wijzen.

3.3. De man verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep

4.1. De vraag ligt voor of de zoon, die in eerste aanleg geen partij was, thans in hoger beroep zijn verzoek kan indienen. Het hof constateert dat de vrouw het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon in eerste aanleg heeft ingediend. Gebleken is dat de zoon de vrouw in eerste aanleg heeft gemachtigd voor hem in rechte op te treden. Na de mondelinge behandeling van het verzoek in eerste aanleg is de zoon meerderjarig geworden.

4.2. Op grond van artikel 1:408 lid 1 Burgerlijk Wetboek dient de met het gezag belaste ouder die voor de verzorging en opvoeding van het kind zorg draagt als rechthebbende op de kinderalimentatie worden beschouwd. Vanaf de meerderjarigheid is het kind rechthebbende op de onderhoudsbijdrage.

Het hof stelt vast dat de zoon, door zijn moeder te machtigen hem in rechte te vertegenwoordigen, kennelijk heeft beoogd zich in eerste aanleg met een zelfstandig verzoek te voegen in de procedure tussen zijn ouders. Omdat de zoon pas na meerderjarigheid rechthebbende op de bijdrage is geworden, moet dat verzoek geacht worden uitsluitend betrekking te hebben op de bijdrage over de periode na [dag + maand] 2010. Voor zover de zoon met zijn verzoek tevens het oog heeft gehad op de periode vóór het intreden van zijn meerderjarigheid, oordeelt het hof dat gesteld noch gebleken is dat de zoon daarbij enig belang heeft.

Het hof zal de zoon derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover zijn verzoek betrekking heeft op de periode vóór [dag + maand] 2010. Voor het overige is de zoon ontvankelijk in het hoger beroep.

5. Beoordeling van het hoger beroep

5.1. Thans dient de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon met ingang van [dag + maand] 2010 te worden beoordeeld. De zoon heeft drie grieven tegen de bestreden beschikking gericht die er in het kort op neerkomen dat de man, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, voldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te voldoen.

5.2. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man aan de inkomenszijde rekening houden met zijn gemiddelde netto salaris over de maanden augustus tot en met oktober 2010. Nu de man geen verklaring heeft kunnen geven voor het verschil met zijn hogere salaris in de maand september 2010, zal het hof ook dit hogere bedrag in zijn berekening betrekken. Rekening houdend met 5% vakantiegeld bedraagt het gemiddelde netto loon van de man dan

€ 1.436,- per maand.

5.3. Op grond van de door de man overgelegde stukken is naar het oordeel van het hof genoegzaam aannemelijk geworden dat hij sinds augustus 2009 geen recht meer heeft op een aanvullende uitkering bij arbeidsongeschiktheid van € 380,- bruto per maand. Gezien de door de man ter zitting in hoger beroep overgelegde bankafschriften ontvangt hij echter wel een bedrag van zijn werkgever ter compensatie van zijn WAO-gat. In september 2010 bedroeg de netto-suppletie € 407,- en in oktober en november 2010 € 396,-. Het gemiddelde van deze suppletie, € 400,-, zal het hof bij de berekening van de draagkracht in aanmerking nemen. In zoverre slaagt de eerste grief.

5.4. In zijn tweede grief voert de zoon aan dat de rechtbank ten onrechte aflossingen op een flexibel krediet en een schuld aan het UWV heeft meegenomen ten laste van de draagkracht van de man.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat alleen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke lasten die ten opzichte van de zoon als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Wat schulden betreft vallen hieronder de schulden die uit het huwelijk van de man en de vrouw stammen, omdat die schulden ook een druk op het gezinsbudget zouden hebben gelegd als de man en de vrouw niet uit elkaar zouden zijn gegaan. Van de schulden aan Solveon (waarop de man maandelijks € 30,- aflost) en Van der Hoeden/Mulder (waarop de man maandelijks € 50,- aflost) en het flexibel krediet bij de ABN AMRO Bank (waarop de man maandelijks € 334,- aan rente betaalt) heeft de zoon ter zitting in hoger beroep erkend dat dit gezamenlijke schulden van zijn ouders betreffen. Het totaalbedrag van € 414,- per maand dat de man ter zake van rente en aflossing voldoet, zal derhalve in de draagkrachtberekening worden betrokken, evenals het bedrag van

€ 29,- dat de man maandelijks aan het UWV voldoet, waartegen de zoon geen bezwaar heeft gemaakt.

Geen rekening zal worden gehouden met het bedrag van € 50,- per maand dat de man aan zijn zus voldoet in het kader van een (nahuwelijkse) betalingsregeling die hij met haar heeft getroffen omdat zij voor hem enkele schulden heeft voldaan. Tegenover de betwisting door de zoon heeft de man onvoldoende gesteld over de reden en omvang van deze schuld. Evenmin zal het hof rekening houden met de door de man gestelde kosten ten behoeve van opslag van de inboedel, nu hij tegenover de betwisting van de zoon onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat die schuld thans nog bestaat.

5.5. Voor het overige houdt het hof bij de bepaling van de draagkracht van de man rekening met de onder 2.3. vermelde financiële gegevens en zal het uitgaan van een draagkrachtpercentage van 70 en de bijstandsnorm voor een alleenstaande. De door de man opgevoerde premie uitvaartverzekering laat het hof, gelet op de in de praktijk toe te passen richtlijnen, buiten beschouwing.

5.6. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van [dag + maand] 2010 te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon van € 30,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

5.7. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Het hof:

verklaart de zoon niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover zijn verzoek betrekking heeft op de periode vóór [dag + maand] 2010;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man met ingang van [dag + maand] 2010 aan de zoon te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de zoon op € 30,- (DERTIG EURO) per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, A. van Haeringen en E.A. Maan in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2011.