Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP4437

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
04/03001
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De duur van het strafrechtelijk onderzoek volgend op de door de FIOD verrichte identificatie kan de inspecteur niet worden tegengeworpen. Voor het daarna aangevangen fiscale onderzoek heeft de inspecteur niet meer tijd gebruikt dan die welke noodzakelijkerwijs was gemoeid met het verkrijgen van de benodigde inlichtingen en het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2011/24.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z, belanghebbende,

tegen

in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi/kantoor Hilversum, de inspecteur.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie een beroepschrift ontvangen op 27 juli 2004, ingediend door mr. G.J.M.E. de Bont (Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda) als gemachtigde van belanghebbende. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 26 augustus 2004.

1.2. Het beroep is gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor het jaar 1991 en in de vermogensbelasting (hierna: VB) voor het jaar 1992 (hierna: de navorderingsaanslagen), alsmede tegen de uitspraken betreffende de kwijtscheldingsbesluiten ter zake van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen (hierna: de kwijtscheldingsbesluiten). Voorts worden de beroepen geacht mede te zijn gericht tegen de uitspraken van de inspecteur betreffende de gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen inzake in rekening gebrachte heffingsrente (hierna: de beschikkingen heffingsrente).

1.3. De navorderingsaanslagen IB/PV en VB belopen respectievelijk ƒ 56.704 en ƒ 7.768 aan belasting. Van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhoging is geen kwijtschelding verleend. Na bezwaar zijn de navorderingsaanslagen, de kwijtscheldingsbesluiten en de beschikkingen heffingsrente bij de bestreden uitspraken, gedagtekend 15 juli 2004, gehandhaafd.

1.4. Het beroep strekt tot vernietiging van de uitspraken, de navorderingsaanslagen, de kwijtscheldingsbesluiten en de beschikkingen heffingsrente.

1.5. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij concludeert tot het ongegrond verklaren van het beroep.

1.6. De inspecteur heeft bij brief van 2 november 2006 meegedeeld dat met belanghebbende overeenstemming is bereikt over de hoogte van de navorderingsaanslagen en dat de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig zijn verminderd. Bij die brief heeft hij afschriften meegezonden van een brief van de gemachtigde gedagtekend 10 januari 2006 en van de inspecteur gedagtekend 24 november 2005. Een afschrift van deze stukken is bij brief van 7 november 2006 naar de wederpartij gezonden.

1.7. Naar aanleiding van een brief van 30 januari 2007 van de gemachtigde heeft de griffier de inspecteur bij brief van 2 februari 2007 verzocht stukken in te zenden. Een afschrift van dit verzoek is aan de gemachtigde gezonden. De inspecteur heeft de gevraagde stukken ingezonden bij brief van 6 februari 2007.

1.8. Bij brief van 2 februari 2007 heeft de gemachtigde nadere stukken ingezonden. Afschriften hiervan zijn op 5 februari 2007 naar de wederpartij gezonden.

1.9. Bij brief van 8 februari 2007 heeft de gemachtigde aangeboden bewijs te leveren door middel van het horen van getuigen. Een afschrift hiervan is op 9 februari 2007 naar de wederpartij gezonden.

1.10. Van het verhandelde ter zitting van 16 februari 2007 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 22 februari 2007 naar partijen is gezonden.

1.11. Bij brief van 7 juni 2007 heeft de gemachtigde een verzoek ingediend de staatssecretaris van Financiën te gelasten uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 mei 2007, procedurenummer 06/3071 WOB. Dit verzoek is afgewezen bij brief van 12 juni 2007.

1.12. Op 20 juni 2007 zijn J.A. Daalhuizen, R. Troost en A.J. Apeldoorn gehoord als getuigen. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen gezonden bij brief van 22 juni 2007.

Van het verhandelde ter zitting van 20 juni 2007 is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift ter zitting van 10 september 2010 aan partijen is uitgereikt.

1.13. Bij brief van 3 augustus 2007 heeft de inspecteur gereageerd op de door de gemachtigde ter zitting van 16 februari 2007 overgelegde pleitnota. Een afschrift hiervan is op 10 augustus 2007 naar de wederpartij gezonden.

1.14. Op 24 augustus 2007 is F. van Boxtel gehoord als getuige. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal is aan partijen uitgereikt ter zitting van 24 augustus 2007. Van het verhandelde op deze zitting is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift op 7 april 2008 naar partijen is gezonden.

1.15. Op 10 juni 2010 heeft de griffier de uitnodiging voor de zitting van 10 september 2010 naar partijen gestuurd. De uitnodiging voor de gemachtigde is verzonden naar zijn bij de griffie bekende adres (De Bont advocaten te Amsterdam). De gemachtigde heeft bij brief van 18 juni 2010 aan de griffier bericht dat hij in de zaak van belanghebbende geen gemachtigde meer is. De griffier heeft de uitnodiging op 21 juni 2010 naar Hertoghs advocaten-belastingkundigen te Breda gezonden.

1.16. Bij faxbericht van 7 september 2010 heeft de inspecteur afschriften ingezonden van de beschikkingen van 30 juni 2006 waarbij de navorderingsaanslagen zijn verminderd.

1.17. Ter zitting van 10 september 2010 is mr. A.M.E. Nuyens verschenen als nieuwe gemachtigde van belanghebbende (hierna ook: de gemachtigde). Van het tijdens deze zitting verhandelde is proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.18. Na de sluiting van het onderzoek heeft de Eerste Meervoudige Belastingkamer het beroep verwezen naar de Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer.

2. Geschil

2.1. De navorderingsaanslagen, kwijtscheldingsbesluiten en beschikkingen heffingsrente waarop het geschil betrekking heeft zijn opgelegd in het kader van een door de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek naar houders van bankrekeningen, vermeld op door de Belgische autoriteiten bij brief van 27 oktober 2000 aan de Nederlandse belastingdienst verstrekte fotokopieën, het zogenaamde Rekeningenproject. In de uitspraak van dit Hof van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349, gepubliceerd onder LJN BJ1298 op www.rechtspraak.nl, is dit project nader omschreven en heeft het Hof een oordeel gegeven omtrent een aantal algemene, dus niet specifiek op belanghebbende betrekking hebbende, geschilpunten naar aanleiding van de in het kader van dit project opgelegde (navorderings)aanslagen.

Voor zover dit oordeel van belang is voor de onderhavige zaak, komt het erop neer dat de fotokopieën als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. Voor zijn overwegingen dienaangaande verwijst het Hof naar zijn uitspraak van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349. Hetgeen in het onderhavige geding tot aan de zitting van 10 september 2010 is aangevoerd of gebleken geeft het Hof geen reden voor een ander oordeel.

2.2. Met betrekking tot de hoogte van de navorderingsaanslagen zijn partijen tot overeenstemming gekomen.

2.3. Naar het Hof begrijpt spitst het geschil zich thans wat betreft de enkelvoudige belasting toe op de vragen of

(a) de inspecteur gebruik had mogen maken van de hem in artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gegeven bevoegdheid en zo ja of

(b) een door een rechtbank in Brussel gewezen vonnis tot een ander oordeel moet leiden over de rechtmatigheid van het gebruik van de microfiches dan is vermeld onder 2.1.

Wat betreft de verhogingen is in geschil of deze terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd en gehandhaafd.

3. Feiten

3.1. Door de inspecteur overgelegde fotokopieën van microfiches vermelden vier rekeningen met nummer 123456 ten name van ARIE X met een totaal saldo dat hoger is dan ƒ 500.000.

3.2. Tegen belanghebbende is op 30 oktober 2001 proces-verbaal opgemaakt in verband met het opzettelijk onjuist doen van aangiftes inkomstenbelasting voor de jaren 1997 tot en met 2000 en vermogensbelasting voor de jaren 1998 tot en met 2000. Dit strafbare feit is in december 2004 bewezen verklaard en belanghebbende is ter zake daarvan veroordeeld.

3.3.1. Bij brief van 10 september 2003 heeft de inspecteur onder meer het volgende aan belanghebbende geschreven:

"Inzake het lopende onderzoek naar uw buitenlandse bankrekening(en) bericht ik u als volgt.

De belastingdienst Utrecht-Gooi, kantoor Hilversum is belast met de uitvoering van het onderzoek voor de jaren 1991, 1992, 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997 voor zover dit betrekking heeft op:

• de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1991, 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996

• de vermogensbelasting 1992, 1993, 1994, 1995, 1996 en 1997

Gelet op het bovenstaande doe ik u hierbij een vragenformulier toekomen met het verzoek deze te beantwoorden vóór 1 oktober 2003."

3.3.2. Bij brief van 6 november 2003 heeft de inspecteur verzocht deze vragen alsnog te beantwoorden en daarbij meegedeeld dat hij ter behoud van rechten navorderingsaanslagen IB/PV 1991 en VB 1992 zal opleggen, welke zijn verhoogd met vergrijpboeten van 100%.

Omtrent deze boeten is het volgende in de brief vermeld:

"Motivering boete

Hierbij wil ik u op de hoogte brengen van mijn voornemen om deze belastingaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Deze mededeling kunt u beschouwing als een kennisgeving als bedoeld in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen [...].

Ik heb uw cliënt reeds kenbaar gemaakt dat de Belastingdienst de beschikking heeft over informatie waaruit blijkt dat uw cliënt tegoeden aanhoudt of heeft aangehouden bij een buitenlandse bank. Deze tegoeden en de inkomsten daaruit zijn niet in de belastingaangiften aangegeven terwijl het van algemene bekendheid is dat dat verplicht is.

De vragen in het aangiftebiljet of er sprake is van buitenlandse tegoeden zijn altijd [...] ontkennend beantwoord. Bij herhaling zijn over uw buitenlandse tegoed(en) op grond van artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR aan u vragen gesteld waarop geen dan wel onjuist of onvolledig antwoord is gegeven.

Op grond van deze feiten en omstandigheden ben ik van mening dat er sprake is van het bewust, of ook wel met opzet dan wel voorwaardelijk opzet, nalaten om deze tegoeden en inkomsten op te geven met het oogmerk belasting te ontduiken.

Ik merk het feit dat uw cliënt gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening(en) teneinde de Belastingdienst het zicht op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit te ontnemen aan als een strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in paragraaf 42 juncto 43 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst1998 […]. Dit heeft tot gevolg dat de boeten 100% van de verschuldigde (enkelvoudige) belasting bedragen."

De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met dagtekening 14 november 2003.

3.4. Na het instellen van het beroep heeft de gemachtigde gegevens over de door belanghebbende aangehouden KB-Luxrekeningen verstrekt aan de inspecteur. Op grond van die gegevens heeft de inspecteur de in de navorderingsaanslag IB/PV begrepen correctie verminderd van ƒ 100.000 tot ƒ 66.639 en de in de navorderingsaanslag VB begrepen correctie van ƒ 1.000.000 tot ƒ 823.339. De in beide navorderingsaanslagen begrepen verhogingen zijn kwijtgescholden tot op 75%. Deze verminderingen en kwijtscheldingen zijn bij ambtshalve genomen beschikkingen van 30 juni 2006 verleend.

3.5. Ter zitting van 10 september 2010 heeft de inspecteur omtrent het onder 2.3 (a) omgeschreven geschilpunt onder meer het volgende opgemerkt:

"Op 27 oktober 2000 is ons een enorm pakket toegezonden. Het bestond uit ongeveer 1000 pagina's met 45 regels per pagina. Dit pakket is hier op 7 november 2000 binnen gekomen. De eerste vragen zijn dan: Wat moeten we ermee, kunnen we er wat mee en hoe kunnen we er wat mee. Gelet op aard en omvang van het pakket moet gedacht worden aan gelijke rechtstoepassing voor alle betrokkenen in het land. Er moest dus worden nagedacht over hoe daar landelijk mee omgegaan kon worden, dat vraagt om een projectmatige aanpak. Als die er niet zou zijn geweest, zou dat de Belastingdienst voor de voeten zijn geworpen.

Er moesten ook contacten met andere organisaties worden gelegd: OM, gemeentes voor bijstandsgerechtigden, etc.

De KB-Luxbank betwistte de rechtmatigheid van de verkrijging, dus ook dat speelde een rol, dat vergde een onderzoek, waaruit de Nota rechtmatigheid van 16 augustus 2001 is voortgekomen.

De identificatie was niet zo simpel als de gemachtigde stelt.

De ons ter beschikking staande zoekmogelijkheden waren niet zo geschikt, want het BVR (Hof: Beheer van relaties) kende toen nog geen voornamen; er waren alleen achternamen met voorletters.

Bekend was dat in het rijbewijzenregister bij de RDW wel voornamen zijn opgenomen. Dat register moesten wij dan nog wel krijgen, dat moest op een bepaalde manier worden aangeleverd. Ook ergens in augustus 2001 is overeenstemming bereikt over de toegang tot die bestanden. Pas toen kon het identificatieproces verder gaan. Ondertussen is al wel begonnen met het Draaiboek.

Gekozen is om in het laatste kwartaal van 2001 een beperkte groep te onderzoeken om te zien of onze aanpak werkte. Dat is een pilot geweest vanaf oktober 2001. Toen dat goed ging, is op ongeveer 4 december 2001 besloten het voor het hele land zo te doen. Het moet wel binnen de bestaande capaciteit van de Belastingdienst plaatshebben, daarom zijn de gegevens in drie tranches bij de inspecties in het land aangeleverd: de eerste in januari 2002, de tweede in maart 2002 en de derde in juni/juli 2002. Daarna waren er nog wat losse namen. Er kan niet verwacht worden dat de Belastingdienst de normale processen zou stoppen om dit eerst te doen. Het individuele traject staat verder in het verweerschrift.

Nadat duidelijk werd dat belanghebbende geen antwoord wilde geven, heeft de inspecteur een pas op de plaats gemaakt. Ik verwijs naar de Nieuwsbrieven met betrekking tot de groep die elke medewerking weigert, maar zelf van alles van de inspecteur wil weten. Er zijn ook mensen die helemaal niet reageren.

Bij de mensen die wel meewerkten bleek dat we aan het renseignement niets hadden voor de hoogte van de correcties, dus ontstond de vraag hoe we die hoogte moesten bepalen. Eind 2002 zijn zoveel mogelijk gegevens van meewerkers verzameld. Op basis daarvan zijn de niet-meewerkende belastingplichtigen aangeschreven met uitleg over de hoogte van de correcties ook voor de volgende jaren. Wij hoopten eigenlijk dat deze belastingplichtigen op basis van wat wij schreven alsnog met gegevens zouden komen. In de bezwaarfase van de eind 2002 opgelegde navorderingsaanslagen bleek dat onze hoop in veel gevallen ijdel was. Daarna zijn de overige navorderingsaanslagen opgelegd.

Het andere element om de aanslagen uit elkaar te halen is praktisch van aard. De eind 2002 opgelegde aanslagen zijn met de hand verwerkt. Dat was niet mogelijk voor de overige navorderingsaanslagen, want er mag van worden uitgegaan dat er ruim 1000 belastingplichtigen zijn met ieder ongeveer 21 navorderingsaanslagen. Die andere navorderingsaanslagen zijn later opgelegd omdat deze via het geautomatiseerde systeem konden worden verwerkt.

De stelling van de gemachtigde dat reeds medio 2001 identificaties hebben plaatsgehad is onjuist. Pas in augustus 2001 kregen we de beschikking over het RDW-bestand.

Pas daarna konden we gaan identificeren. Bovendien zijn we veel tijd kwijt geweest aan het verzamelen van de gegevens van meewerkers.

Bij belanghebbenden heeft de identificatie zeer snel plaatsgevonden. Dan volgt de FIOD en dan is het stil. Belanghebbenden zaten in een strafrechtelijk onderzoek. Dat is aanleiding om niet gelijktijdig of direct ook een fiscaalrechtelijk onderzoek te starten in verband met de problemen van samenloop. Ik verwijs naar de brief van de gemachtigde waarin hij zich beroept op zijn zwijgrecht in verband met het strafrechtelijke onderzoek.

De inspecteur kreeg het proces-verbaal van het strafdossier van de FIOD eind juni 2003. Toen pas begon het onderzoek. Wij hebben onvoldoende zicht op wat er dan nog in het strafproces gebeurt. De totale tijd is niet onredelijk lang. Strafrechtelijk en fiscaal onderzoek kunnen beter niet gelijktijdig worden gedaan. Het is beter te wachten met het fiscale onderzoek. Bovendien weet de gemachtigde wat er tijdens de strafrechtprocedure is verricht. De inlichtingenpoot van de FIOD is een echt verlengstuk van de Belastingdienst, maar dat geldt niet voor de FIOD als geheel.

De Hoge Raad verwijst naar het redelijkerwijscriterium. Hier zit tussen begin onderzoek en opleggen aanslagen veel tijd, maar wel binnen de marges die de Hoge Raad geeft.

De splitsing in aanpak van zaken met een saldo tot ƒ 500.000 enerzijds en zaken met een saldo van ƒ 500.000 of meer anderzijds is niet in het begin van het onderzoek gemaakt. Het minimumbedrag om tot vervolging over te gaan is so wie so veel lager. Ik verwijs naar Nieuwsbrief 8 slot (week 48 van het jaar 2002). Toen pas werd de afweging gemaakt over hoe te handelen met saldi van ƒ 500.000 of meer."

4. Standpunten van partijen en de onderzoeken ter zitting

Voor de standpunten van partijen en de onderzoeken ter zitting verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het geschil

Verzoek om getuigenverhoor

5.1. De gemachtigde heeft in de pleitnota ten behoeve van de zitting van 10 september 2010 verzocht de onder 1 genoemde getuigen opnieuw te horen nu na de zitting van 24 augustus 2007 de samenstelling van de Eerste Meervoudige Belastingkamer is gewijzigd, waardoor een lid van die kamer niet aanwezig is geweest bij de eerdere verhoren. Het Hof wijst dit verzoek af, reeds omdat de Meervoudige Belastingkamer de behandeling van het beroep heeft verwezen naar de Twaalfde Enkelvoudige Belastingkamer en het lid van die kamer bij de getuigenverhoren aanwezig is geweest in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer.

Verlengde navorderingstermijn

5.2.1. De onderhavige navorderingsaanslagen zijn opgelegd ter zake van in het buitenland gehouden bankrekeningen en hebben betrekking op het jaar 1991 voor de IB/PV en op het jaar 1992 voor de VB. Zij zijn vastgesteld op 14 november 2003, derhalve bijna twaalf jaar na afloop van het tijdstip waarop de belastingschulden zijn ontstaan, te weten 1 januari 1992.

5.2.2. Voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen heeft de inspecteur gebruik moeten maken van zijn in artikel 16, lid 4, AWR gegeven bevoegdheid. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 februari 2010, nr. 43 050bis, geoordeeld dat deze bevoegdheid alleen mag worden gebruikt indien en voor zover daarbij de in artikel 16, lid 3, AWR gestelde termijn niet verder wordt overschreden dan met het tijdsverloop dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met het verkrijgen van inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en tevens met het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

5.2.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur voornoemd tijdsverloop heeft overschreden en mitsdien zijn in artikel 16, lid 4, AWR gegeven bevoegdheid niet meer mocht gebruiken. De inspecteur heeft dit betwist en met name ter zitting van 10 september 2010 - het onder 3.5 weergegeven - verslag gedaan van de wijze waarop het door de Belgische overheid verstrekken van gegevens over in Luxemburg gehouden bankrekeningen door personen met de Nederlandse nationaliteit uiteindelijk heeft geleid tot het opleggen van navorderingsaanslagen, waaronder de onderhavige. De inspecteur heeft er daarbij op gewezen dat ten aanzien van belastingplichtigen, zoals belanghebbende, jegens wie tevens een strafvervolging was ingesteld het fiscale onderzoek pas is gestart nadat het strafrechtelijke onderzoek was afgerond.

5.2.4. Uit de onder 3.2 beschreven feiten leidt het Hof af dat belanghebbende op de door de gemachtigde genoemde datum 16 oktober 2001 is geïdentificeerd als houder van rekeningen bij de KB-Luxbank. Gelet op hetgeen de inspecteur ter zitting van 10 september 2010 heeft verklaard omtrent het verloop van het identificatieproces dat heeft plaatsgevonden in het kader van het Rekeningenproject, welke verklaring het Hof aannemelijk acht, is naar het oordeel van het Hof tussen de ontvangst van de fotokopieën van de microfiches op 27 oktober 2000 en de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder niet meer tijd verlopen dan noodzakelijkerwijs met die identificatie was gemoeid.

5.2.5. Voorts blijkt uit de onder 3.2 beschreven feiten dat kort na de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder tegen hem een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld. Uit hetgeen de inspecteur ter zitting van 10 september 2010 heeft verklaard leidt het Hof af dat hij gedurende dit onderzoek niet de beschikking had over de voor het vaststellen van de navorderingsaanslagen benodigde gegevens. Naar het oordeel van het Hof bestonden goede gronden om met het fiscale onderzoek te wachten totdat het strafrechtelijke onderzoek zou zijn afgerond. Weliswaar behoefden in rechtskundig opzicht geen beletselen te bestaan tegen het gelijktijdig uitvoeren van het strafrechtelijke en het fiscale onderzoek, maar het door twee instanties gelijktijdig onderzoeken van hetzelfde feitencomplex zou niet doelmatig zijn geweest en gemakkelijk hebben kunnen leiden tot verwarring bij belanghebbende omtrent de verantwoordelijkheid voor en het doel van elk van deze onderzoeken en de bij elk van deze onderzoeken in acht te nemen waarborgen en dwangmiddelen.

De door belanghebbende gestelde (te) lange duur van het strafrechtelijke onderzoek kan de inspecteur niet worden tegengeworpen, aangezien hij niet verantwoordelijk was voor het verloop van dit onderzoek. In het midden kan daarom blijven of het strafrechtelijke onderzoek langer heeft geduurd dan redelijkerwijs noodzakelijk was.

5.2.6. Ter zitting van 10 september 2010 heeft de inspecteur onweersproken verklaard dat hij pas eind juni 2003 in het bezit is gekomen van het proces-verbaal van het strafdossier doordat dit toen door de FIOD aan hem is toegezonden. Naar het oordeel van het Hof dient het tijdstip van ontvangst van dit proces-verbaal als uitgangspunt te worden genomen bij de beoordeling of de inspecteur de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid heeft voorbereid en vastgesteld. Uit de onder 3.3 beschreven feiten blijkt dat de inspecteur op 10 september 2003 aan belanghebbende schriftelijke vragen heeft gesteld en op 14 november 2003 de navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Gelet op deze feiten kan niet geoordeeld worden dat tussen eind juni 2003 en 14 november 2003 meer tijd is verlopen dan noodzakelijkerwijs was gemoeid met het verkrijgen van de benodigde inlichtingen en het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen.

5.2.7. De gemachtigde heeft verzocht de in haar pleitnota voor de zitting van 10 september 2010 onder 1.18 genoemde getuigen (opnieuw) te horen. Uit de op dit verzoek gegeven toelichting blijkt dat de gemachtigde daarmee nadere feiten over het verloop van de ten aanzien van belanghebbende ingestelde strafrechtelijke en fiscale onderzoeken wil doen vaststellen. Uit het onder 5.2.5 overwogene vloeit voort dat het vaststellen van feiten aangaande het verloop van het strafrechtelijke onderzoek niet tot een andere beslissing zou kunnen leiden. Hetzelfde geldt voor het fiscale onderzoek, aangezien dit onderzoek dermate kort heeft geduurd dat reeds daarom een nader onderzoek naar het verloop ervan overbodig moet worden geacht.

5.2.8. Het onder 5.2.4 tot en met 5.2.7 overwogene leidt tot de slotsom, dat niet geoordeeld kan worden dat de - op 14 november 2003 vastgestelde -navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verdere overschrijding van de in artikel 16, lid 3, AWR bedoelde termijn dan nodig was in de door de Hoge Raad bedoelde zin. Het Hof verwerpt mitsdien de andersluidende stelling van belanghebbende. Met betrekking tot het onder 2.3 (a) omschreven geschilpunt is dus het gelijk aan de inspecteur.

Rechtmatigheid gebruik microfiches

5.3. De gemachtigde heeft zich beroepen op een vonnis van een rechtbank te Brussel, op grond waarvan, naar de gemachtigde stelt, de conclusie is gerechtvaardigd dat de microfiches, en dus ook de (fotokopieën van de) afdrukken daarvan, niet als bewijsmiddel mogen worden gebruikt. De inspecteur heeft deze conclusie betwist en voorts gesteld dat tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Wat er ook moge zijn van het door partijen hieromtrent gestelde, het Hof ziet geen reden zijn oordeel over de rechtmatigheid van het gebruik van de microfiches als bewijsmiddel te wijzigen op de enkele grond dat een rechtbank te Brussel mogelijkerwijs anders heeft geoordeeld. Ook met betrekking tot het onder 2.3 (b) omschreven geschilpunt is dus het gelijk aan de inspecteur.

Slotsom met betrekking tot de enkelvoudige belasting

5.4. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat er geen reden is voor vernietiging van de navorderingsaanslagen. Nu partijen het eens zijn over de vermindering van deze navorderingsaanslagen volstaat het Hof met de constatering dat de inspecteur deze verminderingen reeds ambtshalve heeft verleend.

Verhogingen

5.5.1. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende wist dat een vordering uit hoofde van een KB-Luxrekening een bezitting voor de VB vormt en dat de inkomsten daaruit inkomsten uit vermogen vormen voor de IB. Het is daarom naar het oordeel van het Hof aan opzet van belanghebbende te wijten dat aanvankelijk over het tegoed en de inkomsten daaruit geen belasting is geheven. In dit verband acht het Hof mede van belang dat aannemelijk is dat belanghebbende er bewust voor heeft gekozen om een banktegoed aan te houden in een land waar een bankgeheim bestaat.

5.5.2. Het Hof verwerpt de stellingen van belanghebbende welke zijn omschreven onder 3.1 tot en met 3.32 in de pleitnotitie voor de zitting van 16 februari 2007. Het Hof verwijst voor zijn overwegingen dienaangaande naar de onderdelen 5.7.1.5 tot en met 5.7.1.12 van zijn uitspraak van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 tot en met 04/03349.

5.5.3. Belanghebbende heeft gesteld dat de verhogingen volledig (hadden) moeten worden kwijtgescholden op grond van het bepaalde in paragraaf 19, lid 3, van de Leidraad administratieve boeten 1984. De inspecteur heeft daar tegenover onweersproken gesteld dat deze bepaling toepassing mist, omdat de opgelegde straf geen betrekking had op de jaren 1991 en 1992 en de strafrechter bij de straftoemeting met die jaren ook geen rekening heeft gehouden. Het Hof acht deze stelling van de inspecteur aannemelijk. Het beroep op de genoemde leidraad moet om die reden worden verworpen.

5.5.4. Na het instellen van het beroep heeft belanghebbende aan de inspecteur gegevens verstrekt over de door hem aangehouden KB-Luxrekening. Dit kan niet worden aangemerkt als het alsnog doen van een juiste en volledige aangifte, dan wel het alsnog verstrekken van juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen voordat belanghebbende wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur met de onjuistheid of onvolledigheid bekend was of bekend zou worden, in de zin van artikel 67n AWR. De omstandigheid dat tegen belanghebbende de onder 3.2 bedoelde strafvervolging liep, maakt dit niet anders.

5.5.5. Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de enkelvoudige belasting lager zou uitvallen indien deze wordt berekend op de voet van de Wet inkomstenbelasting 2001, zodat de verhogingen in dezelfde mate moeten worden verlaagd. Hij beroept zich in dit verband op de tekst en de strekking van artikel 15, eerste lid, van het IVBPR, waarin is bepaald dat een verdachte bij verandering van regelgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, recht heeft op toepassing van de meest gunstige regeling. Het Hof verwerpt dit betoog, aangezien die bepaling slechts ziet op wijziging van bepalingen van strafrechtelijke aard en daarvan is hier geen sprake.

5.5.6. Het Hof verwerpt voorts de stelling van belanghebbende dat het opleggen van verhogingen voor zowel de IB/PV als de VB leidt tot een ongeoorloofde cumulatie van sancties. Het Hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 22 juni 2007, nr. 42013, BNB 2007/292.

5.5.7. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de inspecteur de verhogingen had dienen kwijt te schelden tot op 50%, zoals hij heeft gedaan bij belastingplichtigen die voorafgaand aan het opleggen van de navorderingsaanslagen openheid van zaken hebben gegeven. Het Hof verwerpt deze stelling en verwijst daartoe naar de onderdelen 5.7.2.8 tot en met 5.7.2.10 van voormelde uitspraak van 2 juli 2009.

5.5.8. Belanghebbende heeft gesteld dat bij het bepalen van de verhogingen alsnog rekening moet worden gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Het Hof acht die omstandigheden evenwel niet van dien aard dat deze tot een verdere matiging van de verhogingen zouden moeten leiden.

5.5.9. Het bepalen van de gegrondheid van de aan belanghebbende opgelegde verhogingen dient ingevolge artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te geschieden binnen een redelijke termijn. Het is aan het Hof om te onderzoeken of deze termijn in acht is genomen.

5.5.10. Om de aanvang van de redelijke termijn te bepalen dient beoordeeld te worden, aan welke handeling van de inspecteur belanghebbende in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem verhogingen zouden worden opgelegd. Uit de vaststaande feiten vloeit voort dat de termijn in ieder geval voor of in november 2003 een aanvang heeft genomen. Hiervan uitgaande is de redelijke termijn in aanzienlijke mate is overschreden. In het midden kan dus blijven of de termijn wellicht reeds op een eerder tijdstip is aangevangen.

5.5.11. Uitgaande van deze aanvangsdatum van de termijn moet worden vastgesteld dat sinds die datum tot heden ruim 7 jaar zijn verstreken. Voor de vraag of en zo ja in hoeverre sprake is van overschrijding van de redelijke termijn dient gelet op het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37.984, BNB 2005/337, te worden beoordeeld in hoeverre bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in 4.5 van dit arrest, een langere termijn dan 2 jaar rechtvaardigen.

5.5.12. Ten aanzien van de vraag of zich in de beroepsfase bijzondere omstandigheden als voormeld hebben voorgedaan heeft het volgende te gelden. Naar 's Hofs oordeel maakt de problematiek van het Rekeningenproject naar aard en omvang (de behandeling van) de zaak ingewikkeld. Voorts is het vooronderzoek driemaal heropend voor nadere zittingen en tweemaal voor het horen van getuigen.

5.5.13. In voornoemde omstandigheden kan evenwel geen rechtvaardiging worden gevonden voor na te noemen perioden van in totaal ongeveer 45 maanden.

a. Na de indiening van het verweerschrift op 2 september 2005 heeft de gemachtigde verzocht een conclusie van repliek te mogen indienen. De griffier heeft de gemachtigde bij brief van 31 januari 2006 bericht dat geen verder uitstel wordt verleend. Daarna heeft het uiteindelijk tot 16 februari 2007 geduurd voordat het eerste onderzoek ter zitting werd gehouden, dus ruim 12 maanden, waarvan na aftrek van de zes weken tussen het verzenden van de uitnodiging en de datum van de zitting een kleine 11 maanden resteren. In de tussenliggende periode is het geplande onderzoek ter zitting tweemaal verdaagd, mede op verzoek van de gemachtigde. De lange duur van deze periode kan echter niet volledig aan de gemachtigde worden toegeschreven, nu het Hof ook een eigen verantwoordelijkheid heeft voor het verloop van de behandeling van het beroep. Het Hof zal om die reden van deze 11 maanden ongeveer drie maanden toerekenen aan belanghebbende, zodat voor een periode van ongeveer 8 maanden geen rechtvaardiging kan worden gevonden.

b. Na het onderzoek ter zitting van 16 februari 2007 zijn partijen in de gelegenheid gesteld opgaaf te doen in het kader van hun bewijsaanbod door middel van getuigenverhoor. Deze verhoren hebben plaatsgevonden op 20 juni en 24 augustus 2007, waarna aansluitend nadere onderzoeken ter zitting hebben plaatsgevonden. Na de sluiting van het laatste onderzoek heeft het tot 10 juni 2010 geduurd voordat partijen werden uitgenodigd aanwezig te zijn bij een nader onderzoek ter zitting van 10 september 2010. Dat betekent dat voor een periode van ongeveer 2 jaar en 10 maanden geen rechtvaardiging kan worden gevonden voor het stilliggen van de behandeling van het beroep, dat zijn ongeveer 34 maanden.

c. Tussen de sluiting van het onderzoek ter zitting op 10 september 2010 en het doen van uitspraak in het onderhavige beroep ligt een periode van bijna 5 maanden. Na het in aanmerking nemen van de maximale wettelijke termijn van 12 weken voor het doen van uitspraak na sluiting van het onderzoek, resteert een termijn van ongeveer 3 maanden.

5.5.14. Voor het bieden van compensatie voor de uit de termijnoverschrijding voortvloeiende schending van artikel 6 EVRM hanteert het Hof de uitgangspunten als verwoord in de uitspraak van 2 juli 2009 met kenmerk P04/03329 t/m 04/03349, nu niet gebleken is van omstandigheden die een afwijking op deze uitgangspunten rechtvaardigen. Als zodanige omstandigheid is naar 's Hofs oordeel niet aan te merken de door de gemachtigde genoemde uitspraak van de rechtbank Breda van 21 juni 2010, LJN BN2491, waarbij een vermindering is verleend van 35%. De uitgangspunten brengen mee dat een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan twee jaar niet tot een verdere matiging van de verhoging dan tot 80% leidt, zodat de verhoging per saldo dient te worden verminderd tot (80% van 75% =) 60%.

Heffingsrente

5.6. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke grieven tegen de beschikkingen heffingsrente aangevoerd. Ook anderszins is het Hof niet gebleken dat de heffingsrente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel. Derhalve bestaat geen aanleiding om de heffingsrente verder te verminderen dan overeenkomstig de vermindering van de navorderingsaanslagen.

6. Proceskosten

6.1. Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, zowel voor de beroepsfase als voor de bezwaarfase. De gemachtigde heeft om vergoeding van de kosten van bezwaar verzocht in zijn bezwaarschrift van 5 december 2003. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

6.2. Deze kosten dienen in het onderhavige geval te worden berekend op de voet van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, nu het Hof geen reden ziet deze bepaling buiten toepassing te laten. Het Hof verwerpt mitsdien het andersluidende standpunt van belanghebbende. Voor de toepassing van deze bepaling worden de onder kenmerk 04/03000 en 04/03001 ingeschreven beroepen, zowel voor de beroepsfase als voor de bezwaarfase als één zaak beschouwd, nu zij samenhangende zaken zijn in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit.

6.3. De enkele omstandigheid dat de onder 04/03073, 04/03074 en 05/00137 ingeschreven beroepen eveneens door de gemachtigde zijn ingediend en de zittingen voor alle beroepen op dezelfde data hebben plaatsgevonden, acht het Hof onvoldoende om ook die zaken en de onderhavige als samenhangende zaken te beschouwen. Wel acht het Hof de omstandigheid dat de getuigen zijn gehoord tijdens dan wel direct voorafgaand aan zittingen reden om voor deze verhoren geen afzonderlijke punten toe te kennen.

6.4. Hiervan uitgaande stelt het Hof het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op:

- 3,5 punten (beroepschrift en zittingen van 16 februari 2007, 20 juni 2007, 24 augustus 2007 en 10 september 2010) maal € 322 maal 2 (wegingsfactor) = € 2.254 en

- 1 punt (indienen bezwaar) maal € 161 maal 2 = € 322,

dat is in totaal (2.254 + 322 =) € 2.576,

waarvan de helft, te weten € 1.288, aan het onderhavige beroep wordt toegerekend.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraken,

- handhaaft de navorderingsaanslagen zoals deze ambtshalve zijn verminderd bij beschikkingen van de inspecteur van 30 juni 2006,

- vernietigt de kwijtscheldingsbesluiten en scheldt de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen kwijt tot op 60% van de enkelvoudige belasting,

- vernietigt de beschikkingen heffingsrente en vermindert de in verband met de navorderingsaanslagen in rekening gebrachte heffingsrente overeenkomstig de vermindering van die aanslagen,

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.288, en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 37 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan op 3 februari 2011 door mr. O.B. Onnes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.