Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3969

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
23-004031-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij zijn levensgezel opzettelijk heeft mishandeld. Het hof is van oordeel dat de verhouding tussen de verdachte en zijn toenmalige vriendin niet van dien aard is geweest dat zijn toenmalige vriendin kan worden aangemerkt als levensgezel van de verdachte. Het hof spreekt derhalve de verdachte vrij van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 304 onder 1° Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004031-08

datum uitspraak: 9 februari 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 5 augustus 2008 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 14-705937-07 en 14-700972-08 en 14-701695-08 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 augustus 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. (14-705937-07)

hij op of omstreeks 14 oktober 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], één of meermalen (met kracht) in/op/tegen haar gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. (14-705937-07)

hij op of omstreeks 14 oktober 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de slaapkamerdeur en/of een muur naast de voordeur, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Intermaris woondiensten, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door de slaapkamerdeur en de voordeur met veel kracht dicht te slaan en/of te gooien en/of opzettelijk en wederrechtelijk een spiegel en/of een tafelblad, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door met kracht die spiegel de slaapkamer in te gooien en/of de voordeur met veel kracht dicht te slaan en/of te gooien;

3. (14-705937-07)

hij op of omstreeks 14 oktober 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

4. (14-700972-08)

hij op of omstreeks 06 februari 2008 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]),

* eenmaal (met kracht) op/tegen haar arm, althans tegen haar lichaam, heeft geslagen of gestompt en/of

* een of meermalen (met kracht) haar hoofd heeft gekrabd,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5. (14-700972-08)

hij op of omstreeks 06 februari 2008 te Zwaag, gemeente Hoorn, wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer], althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

6.

hij op of omstreeks 22 februari 2008 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], één of meermalen (met kracht) tegen/op haar neus, althans in het gezicht, althans (elders) tegen het lichaam, heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Gevoerde verweren

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte voor de onder 3 en 5 ten laste gelegde huisvredebreuken dient te worden vrijgesproken, nu vervolging voor artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (huisvredebreuk) in feite niet past in een relationele sfeer, waarbij de verdachte telkens vrijwillig door [slachtoffer] in de woning is binnengelaten.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt het volgende.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat binnen een relatie als de onderhavige sprake kan zijn van huisvredebreuk.

Of sprake is van het wederrechtelijk vertoeven in een woning hangt af van de omstandigheden van het geval. In casu heeft de rechthebbende van de woning, [slachtoffer], de verdachte steeds meermalen aangezegd haar woning te verlaten. Ook heeft [slachtoffer] een afspraak met de verdachte gemaakt dat hij na 23.00 uur niet meer naar haar woning toe zou gaan. De verdachte heeft deze aanzeggingen en afspraak genegeerd. Het feit dat [slachtoffer] de verdachte zelf heeft binnengelaten doet hier niet aan af. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de verdachte voor het onder 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu opzet, niet kan worden bewezen. De verdachte heeft per ongeluk het gezicht van [slachtoffer] geraakt bij het uit haar hand pakken van de telefoon, terwijl zij aan het telefoneren was, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de stukken in het dossier is het hof van oordeel dat, door tijdens ruzie en terwijl [slachtoffer] trachtte de politie te bellen, de telefoon uit de hand van [slachtoffer] weg te pakken, de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij daarbij met zijn nagels het gezicht van [slachtoffer] zou verwonden. Het opzet is daarmee, in voorwaardelijke zin, bewezen.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. (14-705937-07)

hij op 14 oktober 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen met kracht tegen haar gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2. (14-705937-07)

hij op 14 oktober 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de slaapkamerdeur, geheel toebehorende aan Intermaris woondiensten, heeft vernield door de slaapkamerdeur met veel kracht dicht te slaan en wederrechtelijk een spiegel, geheel toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield door met kracht die spiegel de slaapkamer in te gooien;

3. (14-705937-07)

hij op 14 oktober 2007 te Zwaag, gemeente Hoorn, wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer], zich niet op vordering van de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

4. (14-700972-08)

hij op 06 februari 2008 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer], éénmaal met kracht tegen haar arm heeft gestompt en éénmaal met kracht haar hoofd heeft gekrabd, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

5. (14-700972-08)

hij op 06 februari 2008 te Zwaag, gemeente Hoorn, wederrechtelijk vertoevende in een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [slachtoffer], zich niet op vordering van de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd;

6.

hij op 22 februari 2008 te Zwaag, gemeente Hoorn, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer], met kracht tegen haar neus heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere overweging

De rechtbank heeft de verdachte onder meer veroordeeld voor het mishandelen van zijn levensgezel. Daarmee is het opleggen van een zwaardere straf gerechtvaardigd. Anders dan de rechtbank spreekt het hof de verdachte vrij van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 304 onder 1° van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de parlementaire geschiedenis betreffende artikel 304, onderdeel 1° van het Wetboek van Strafrecht (TK 2002-2003, 28 484, nr. 5) blijkt dat bij de beoordeling of sprake is van een ‘levensgezel’ de volgende aspecten van belang zijn:

? of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

? de duur van de gemeenschappelijke huishouding

? of er een relatie van affectieve aard is, en met name

? of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip ‘levensgezel’ evenwel, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners.

Uit de verklaring van de verdachte van 8 februari 2008 blijkt dat hij ten tijde van het ten laste gelegde een LAT-relatie met [slachtoffer] onderhield. Ze hadden beide hun eigen huis.

Ook uit de verklaringen van [slachtoffer] kan worden afgeleid dat ze geen gemeenschappelijke huishouding voerden. Bovendien heeft [slachtoffer] verklaard dat zij een afspraak met de verdachte had gemaakt dat hij ’s avonds na 23.00 uur niet meer naar haar toe ging. Dit naar aanleiding van de nachtelijke bezoeken van de verdachte waarbij hij dronken voor haar deur stond.

Op grond van het vorenstaande is van een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners geen sprake. Derhalve is het hof van oordeel dat hun verhouding niet van dien aard is geweest dat [slachtoffer] kan worden aangemerkt als de levensgezel van de verdachte.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1, 4 en 6 bewezen verklaarde

mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 en 5 bewezen verklaarde

wederrechtelijk vertoevende in de woning, bij een ander in gebruik, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn ex-vriendin, [slachtoffer], waardoor deze letsel en pijn heeft ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast.

Voorts heeft de verdachte een ruit van de slaapkamerdeur en een spiegel vernield en daarmee Intermaris Woondiensten en [slachtoffer] schade toegebracht.

Daarnaast heeft de verdachte zich twee keer schuldig gemaakt aan huisvredebreuk, door in de woning van [slachtoffer] te verblijven, terwijl zij hem heeft verzocht de woning te verlaten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij geen contact meer heeft met [slachtoffer] en dat feiten als de onderhavige niet meer voor zullen kunnen komen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 januari 2011 is de verdachte eerder veroordeeld.

De ernst van de feiten rechtvaardigen alleszins dat aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf worden opgelegd.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf het voorlichtingsrapport betrokken dat op 18 april 2008 omtrent de verdachte is opgemaakt door Brijder Verslavingszorg te Alkmaar. In dit rapport is onder meer aangegeven dat, gelet op het psychisch en sociaal functioneren van de verdachte, er een contra-indicatie is voor oplegging van een werkstraf. Deze omstandigheid vorm voor het hof aanleiding van oplegging van een werkstraf af te zien.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het hof bij het bepalen van de op te leggen straf rekening dient te houden met een overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof constateert dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De verdachte heeft hoger beroep ingesteld op 5 augustus 2008. Op 28 september 2009 is het dossier door de griffie van het hof ontvangen. De verdachte is gedagvaard voor de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2011. Het hof wijst arrest op 9 februari 2011, derhalve 2 jaar en 6 maanden na het aanwenden van het rechtsmiddel.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 weken passend en geboden, doch zal gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM volstaan met een strafoplegging als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 138, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. P.A.M. Hoek en mr. C.J.D. Waal, in tegenwoordigheid van mr. J. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 februari 2011.

mr. C.J.D. Waal is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.