Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3964

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
23-003392-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim drie kilo cocaïne. Geen voorwaardelijk opzet op de aanwezigheid van cocaïne in de koffer en daarmee op de invoer van cocaïne. Wel in verwijtbare mate onvoorzichtig gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003392-10

datum uitspraak: 9 februari 2011

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 5 augustus 2010 in de strafzaak onder parketnummer 15-800554-10 tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres],

thans gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 22 juli 2010 en op de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.217,8 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte willens en wetens de cocaïne in Nederland heeft binnengebracht nu aan zijn verklaring dat hij van de aanwezigheid van de cocaïne in zijn bagage in het geheel geen weet heeft gehad, geen geloof kan worden gehecht. Subsidiair heeft de advocaat-generaal het standpunt ingenomen dat de verdachte, door de koffer niet voortdurend onder toezicht te houden, het voorwaardelijk opzet op de aanwezigheid van de cocaïne in die koffer heeft gehad.

De raadsman heeft het primaire standpunt van de advocaat-generaal bestreden en heeft zich in zoverre aangesloten bij het subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal dat de verdachte, zodanig onvoorzichtig heeft gehandeld dat het voorwaardelijk opzet op de aanwezigheid van cocaïne in de koffer en daarmee het voorwaardelijk opzet op de invoer van deze cocaïne in Nederland, bewezen is te achten.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte, wetende dat de cocaïne in de koffer aanwezig was, deze koffer heeft ingevoerd. Het relaas van de verdachte, inhoudend dat hij de koffer heeft ingepakt en dat hij deze, op weg naar het vliegveld, in de auto van een hem vergezellend familielid heeft geplaatst, in plaats van in zijn eigen auto omdat die daarvoor geen ruimte meer bood, acht het hof niet onaannemelijk. Dat geldt ook voor de verklaring van de verdachte dat hij op het vliegveld wel heeft gezien dat er een slotje aan zijn koffer was bevestigd, maar dat de uitleg van zijn familielid dat dat slotje door hem was aangebracht zodat anderen niet zomaar zijn koffer zouden kunnen openmaken, hem niet op de gedachte heeft gebracht dat er waarschijnlijk verdovende middelen in de koffer waren geplaatst. Voorts acht het hof de verklaring van de verdachte dat hij van een gewichtstoename van de koffer niets heeft gemerkt niet onaannemelijk, nu het om een rolkoffer ging, die door de verdachte niet behoefde te worden opgetild, behoudens teneinde deze op een band te plaatsen.

De vraag die voorligt en die door zowel de advocaat-generaal als door de verdediging bevestigend is beantwoord, is of deze omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de aanwezigheid van cocaïne in de koffer en daarmee op de invoer van de cocaïne in Nederland heeft gehad.

Anders dan de advocaat-generaal en de raadsman, is het hof van oordeel dat uit deze omstandigheden het voorwaardelijk opzet niet voortvloeit. Voor voorwaardelijk opzet is immers nodig dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in de koffer cocaïne, althans een hoeveelheid van een middel als bedoeld in de Opiumwet, zou bevinden.

Het hof acht niet bewezen dat de verdachte aan de mogelijkheid dat er buiten zijn medeweten cocaïne in de koffer was geplaatst een overweging heeft gewijd, laat staan die mogelijkheid voor lief heeft genomen. Het hof heeft er daarbij overwogen dat in zijn algemeenheid van een familielid een dergelijk handelen niet behoeft te worden verwacht en het hof heeft bij dit oordeel ook laten meewegen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op authentieke wijze een naïeve instelling presenteerde.

Dit alles laat onverlet dat de verdachte, vanuit Suriname naar Nederland reizend, de door hem ingepakte koffer niet voortdurend in het oog heeft gehouden en heeft geconstateerd dat aan die koffer door een ander een slot was geplaatst. Bekend is dat vanuit Suriname veelvuldig cocaïne naar Nederland wordt gesmokkeld en ook de verdachte was daar, blijkens zijn verklaring dat hij wist van de 100% drugscontrole op Schiphol, van op de hoogte. Deze omstandigheden hadden de verdachte ertoe moeten brengen de inhoud van zijn koffer aan een inspectie te onderwerpen, alvorens deze in te checken. Door dit na te laten heeft de verdachte in verwijtbare mate onvoorzichtig gehandeld.

Bewezen verklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 3.217,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een 3.217,8 gram cocaïne veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank het onder de verdachte in beslag genomen geld verbeurd verklaard.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ruim drie kilo cocaïne. In zijn koffer zijn guaves, waarin cocaïne was verborgen, aangetroffen. De verdachte treft het verwijt dat hij verregaand onvoorzichtig heeft gehandeld, als gevolg waarvan deze aanmerkelijke hoeveelheid van een voor de volksgezondheid schadelijk middel in Nederland is ingevoerd.

Het hof acht, alles afwegende, hechtenis van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezen verklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering wordt gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten: in totaal € 750,- euro, bestaande uit:

- € 100,- (1 biljet van € 100);

- € 250,- (5 biljetten van € 50);

- € 400,- (20 biljetten van € 20).

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. P.A.M. Hoek en mr. C.J.D. Waal, in tegenwoordigheid van mr. J. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 februari 2011.

mr. C.J.D. Waal is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.