Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BP3511

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
16-02-2011
Zaaknummer
200.077.355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Beroep op hardheidsclausule wat betreft het niet tijdig voldoen aan verplichting tot bijscholing in verband met de verlenging van het certificaat B (vereist om in personenauto's les te mogen geven)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.077.355

(zaaknummer / rolnummer rechtbank 294356 / KG ZA 10-866)

arrest in kort geding van de eerste civiele kamer van 25 januari 2011

inzake

[appellant], handelende onder de naam [X],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. K. Boukema,

tegen:

de stichting

Stichting VAM, Opleidingsinstituut voor het motorvoertuig-, tweewieler- en aanverwant bedrijf,

gevestigd te Nieuwegein,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A. van der Linden.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 13 oktober 2010 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht tussen appellant (hierna te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna te noemen: Stichting VAM) als gedaagde in kort geding heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 9 november 2010 Stichting VAM aangezegd van het hiervoor genoemde vonnis van 13 oktober 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Stichting VAM voor dit hof. Daarbij heeft hij vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij producties in het geding gebracht. Hij heeft aangekondigd te zullen vorderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest:

- Stichting VAM zal veroordelen tot het verlenen van een eenmalige verlenging van het certificaat B met nummer [nummer] dat op 26 september 2005 aan [appellant] is afgegeven voor de duur van 4 maanden;

- zal bepalen dat Stichting VAM verschuldigd zal zijn om een dwangsom te betalen ter hoogte van € 5.000,- per dag voor iedere dag of gedeelte van een dag dat Stichting VAM in gebreke blijft aan het te wijzen arrest te voldoen en/of voor iedere keer dat Stichting VAM dit arrest overtreedt;

- Stichting VAM zal veroordelen in de proceskosten van de beide instanties.

2.2 Op de rol van 23 november 2010 heeft [appellant] geconcludeerd overeenkomstig de eis zoals vervat in voormeld exploot.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Stichting VAM de grieven bestreden en heeft zij producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoek tot spoedappel, alsmede zijn grieven ongegrond zal bevinden en het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens heeft Stichting VAM de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest op één dossier bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 vastgestelde feiten.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In deze zaak draait het om de vraag of Stichting VAM in redelijkheid het verzoek van [appellant] om toepassing te geven aan de in artikel 8 van de Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009 (hierna: de Regeling) opgenomen hardheidsclausule, kon weigeren. Ingevolge die hardheidsclausule kan Stichting VAM het certificaat B (vereist om rijles in personenauto’s te mogen geven, hierna te noemen: het certificaat) éénmalig verlengen in het geval de rij-instructeur wegens verschoonbare redenen niet aan zijn verplichting tot praktische bijscholing heeft kunnen voldoen. Tussen partijen staat vast dat deze clausule (ingevolge reparatiewetgeving) ook ziet op de verplichting tot theoretische bijscholing.

[appellant] certificaat verliep op 26 september 2010; voor die datum heeft hij niet – overeenkomstig het in de (overgangsregeling van de) gewijzigde Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 (WRM) bepaalde – twee dagdelen theoretische bijscholing gevolgd.

4.2 Voor zover Stichting VAM zich erop beroept dat [appellant] geen spoedeisend belang meer heeft bij de onderhavige procedure omdat hij alsnog met het herintrederstraject (aangewezen wanneer het certificaat, bijvoorbeeld door het niet tijdig volgen van de vereiste bijscholing, is verlopen) is gestart en hij – zo stelde Stichting VAM bij haar memorie van antwoord van 7 december 2010 – naar verwachting vanaf 30 december 2010 weer les zou kunnen geven, overweegt het hof als volgt. Het hof gaat aan die stelling voorbij nu [appellant] er niet op heeft kunnen reageren en voorts onzeker is of hij het volgens Stichting VAM ingezette herintrederstraject met goed gevolg heeft afgelegd. Overigens geldt dat de proceskostenveroordeling in eerste aanleg maakt dat [appellant] in ieder geval voldoende belang bij beoordeling van zijn vordering in hoger beroep heeft.

4.3 Met de voorzieningenrechter is het hof voorshands van oordeel dat het tot de verantwoordelijkheid van [appellant] als ondernemer behoort om zich op de hoogte te stellen van de (gewijzigde) voorwaarden voor de (verlenging van de) geldigheid van zijn certificaat. Daaronder valt, eveneens naar het voorlopig oordeel van het hof, tevens het opvragen van informatie met betrekking tot de mogelijkheid van het volgen van bijscholingscursussen en het moment waarvoor zulks uiterlijk dient te geschieden. Zeker nu [appellant], naar uit de hiernavolgende overweging volgt, op de hoogte was van het feit dat op grond van de wijziging van de WRM nieuwe bijscholingseisen voor rij-instructeurs golden, ziet het hof geen aanleiding om in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken.

4.4 Stichting VAM heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij bekendheid aan voormelde wetswijziging heeft gegeven door informatie daarover op haar website te plaatsen, een toelichtende brief aan alle rij-instructeurs te sturen, publicaties over de wijziging in vakbladen te verzorgen, en op BOVAG-congressen voorlichting te geven over de wetswijziging. Dat voormelde brief niet alle rij-instructeurs heeft bereikt (en, naar diens stelling, ook [appellant] niet), acht het hof in dit kader niet relevant; van een verdergaande informatieverplichting van de zijde van Stichting VAM is vooralsnog niet gebleken. Vaststaat dat ook [appellant] tijdig op de hoogte is geraakt van het feit dat nieuwe bijscholingseisen werden opgelegd aan rij-instructeurs. Immers, onder randnummer 3 van de inleidende dagvaarding stelt [appellant] dat hij op de website van Stichting VAM had gezien dat hij twee dagdelen theorie moest volgen voor de verlenging van zijn certificaat, maar dat hij die informatie verkeerd had begrepen; hij ging er ten onrechte van uit dat hij de theoriedagdelen voor 1 juni 2011 diende te volgen (terwijl, zo staat tussen partijen vast, op de website vermeld was dat de bijscholing voltooid moest zijn vóór het verlopen van een certificaat). Pas op 24 september 2010 (aldus zijn stelling bij inleidende dagvaarding) dan wel 23 september 2010 (zo stelt hij bij memorie van grieven) kwam [appellant] erachter dat hij de bijscholing voor 26 september 2010 moest hebben afgerond.

4.5 Uit voormelde stelling van [appellant] volgt reeds dat het feit dat hij de bijscholing niet tijdig heeft gevolgd (primair) te wijten is geweest aan een onzorgvuldige lezing van de informatie op de website van Stichting VAM. Ook naar zijn eigen stelling is het feit dat op die website niet tevens vermeld stond dat hij zich twee weken voorafgaand aan de gewenste bijscholing diende in te schrijven voor de bijscholingscursus, dus niet de (primaire) reden geweest voor het niet tijdig voldoen aan de bijscholingseisen. Wat daar ook van zij, naar het voorlopig oordeel van het hof brengt de onder 4.3 genoemde verantwoordelijkheid van de ondernemer met zich dat hij zich goed informeert over de gevolgen van de wetswijziging. Daaronder valt het tijdig benaderen van een erkende opleider om te vernemen wanneer en tot welk moment een bijscholingscursus, recht gevende op verlenging van het certificaat, kan worden gevolgd. Dit geldt temeer nu (naar tussen partijen vaststaat) onder de oude regeling een certificaat slechts verlengd werd indien de rij-instructeur voorafgaand aan de datum waarop het certificaat verliep, een applicatietoets had afgelegd. Al het voorgaande brengt met zich dat het hof voorshands niet inziet dat het feit dat op de website van Stichting VAM niet is vermeld dat men zich enige tijd vóór de gewenste bijscholingsdatum diende in te schrijven voor een bijscholingscursus, de niet tijdige bijscholing verschoonbaar doet zijn.

4.6 Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende gesteld om voorshands aannemelijk te achten dat het niet (tijdig) nakomen van zijn verplichting tot theoretische bijscholing verschoonbaar is. Het feit dat de gevolgen van een relatief kortdurende overschrijding van de inschrijvingstermijn voor het volgen van een bijscholingscursus voor [appellant] (zeer) ernstig zijn (door het verlopen van zijn certificaat mag hij immers tot aan het moment dat hij het herintrederstraject met goed gevolg heeft afgelegd geen rijlessen – zijn bron van inkomsten – geven), maakt het voorgaande niet anders. De toelichting op de Regeling spreekt van een ‘gewichtige en verschoonbare’ reden voor het niet (volledig) hebben kunnen voldoen aan de verplichting tot bijscholing, als voorwaarde voor verlenging van de maximale geldigheidsduur van een certificaat. De door [appellant] genoemde omstandigheden spelen daarbij geen rol.

Slotsom

4.7 Al het voorgaande luidt tot de slotsom dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2010;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stichting VAM begroot op € 894,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 640,- voor griffierecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Smeeïng-van Hees, L.J. de Kerpel-van de Poel en

H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2011.